Robert Delaunay (1885-1941).

1916

Robert Delaunay werd geboren op 12 april 1885 te Parijs. Zijn vader, Georges, was ingenieur bij de spoorwegen en zijn moeder was gravin Berthe Félicie de Rose. Na de scheiding van zijn ouders in 1889 (andere bron: 1894) werd hij opgevoed door zijn tante Marie, een zus van zijn moeder, en zijn oom Charles Damour op het landgoed La Ronchère bij Bourges. Hij werd vanaf 1902 opgeleid voor decorschilder door Ronsin te Belleville. Al snel ging hij ook als kunstschilder aan het werk. Hij werd beinvloed door de School van Pont-Aven, Gauguin, Seurat en de kleuropvattingen van Michel-Eugène Chevreul. In 1904 exposeerde hij met zes schilderijen voor het eerst op de Salon des Indépendants. In 1904 en 1905 bracht Robert zijn vakanties in Groot Brittannië door. Via een neo-impressionistische periode en het fauvisme ging hij later over naar het kubisme.

Portret van Jean Metzinger/De man met de pijp; afm.: 73,5 x 49 cm

In 1905 ontmoette hij Jean Metzinger, waarvan hij drie portretten in een poitillistische, fauvistische stijl schilderde. Tijdens de Salon des Indépendants van 1906, waar Delaunay acht werken tentoonstelde, ondenkte hij de werken van de primitieve schilder Henri Rousseau. Spoedig zou Delaunay vriendschappelijk met de veel oudere kunstenaar omgaan. Delaunays schilderij Le manège électrique werd in 1906 geweigerd voor de Salon d'Automn. In 1907 kende hij in ieder geval ook de kubisten Fernand Léger en Henri le Fauconnier. In 1907 bezocht Delaunay de bijeenkomsten van kunstenaars in de woning van de kunsthandelaar Wilhelm Uhde. Hier ontmoette hij voor het eerst de Russische kunstenares Sonia Terk. Delaunay schilderde een portret van Uhde. In de herfst van 1907 werd Delaunay opgeroepen voor in militaire dienst, die hij als bibliothecaris doorbracht te Laon. Hier maakte hij een studie van de kleurentheorie van Chevreuls, die in 1839 verschenen was onder de titel De la loi du contraste simultané des couleurs en in 1899 opieuw was uitgebracht. In de herfst van 1908 keerde Delaunay terug naar Parijs, Rue Legendre 11 en had hij een klein atelier aan de Quai des Oiseau. Ook andere kubisten leerde hij kennen, o.a. Pablo Picasso in 1908/9 en Albert Gleizes in 1910. In 1909 nam hij opnieuw deel aan de Salon des Indépendants en woonde hij ondertussen op de Quai de Louvre 24. Op 15 november 1910 trouwde hij met Sonia Terk, die op 28 februari 1910 van tafel en bed gescheiden was van de kunsthandelaar Wilhelm Uhde. De officiële scheidingsdatum was 11 augustus 1910. Het echtpaar betrok een atelierwoning op Rue des Grands-Augustins 3. Daar werden spoedig op zondag bijeenkomsten van schilders en schrijvers gehouden.

Stad nr. 2; afm.: 146 x 114 cm

Samen met Metzinger, Gleizes, Léger en le Fauconnier exposeerde Delaunay in zaal 41 van de Salon des Indépendants van 1911; de eerste gezamelijke tentoonstelling van de kubisten. In hetzelfde jaar leerde hij via Elisabeth Epstein, de vriendin van zijn vrouw Sonia, Kandinsky kennen waardoor hij de gelegenheid kreeg om o.a. op de Blaue Reiter expositie (18-12-1911 t/m 1-1-1912) gehouden in Heinrich Thannhauser's Moderne Galerie te München te exposeren. Van Delaunay waren 4 schilderijen te zien, n.l. De stad uit 1911, het nevenstaande Stad nr. 2 uit 1910, St.-Séverin no 1, Eiffeltoren, en de tekening Eiffeltoren te zien. Het schilderij Eiffeltoren uit 1911 werd aangekocht door de Berlijnse verzamelaar Bernhard Koehler (1849-1927). Helaas ging dit door brand in Berlijn in 1945 verloren. De schilder Erbslöh kocht St.-Séverin no 1 en de schilder Jawlensky kocht De stad. De tekening schonk Delaunay aan Kandinsky.

Delaunay kwam rond 1912 via de kennismaking met het futurisme tot een abstracte stijl, die Apollinaire orphisme noemde. Apollinaire werd zijn persoonlijke promotor. Met het schilderij De stad Parijs sloot hij min of meer zijn kubistische periode af. Op 23 maart 1912 schreef James Burkley in een artikel in L'Assiette au Beurre over de Salon des Indépendants, waar Delaunay het schilderij La Ville de Paris tentoonstelde, dat Delaunay gebroken had met de kubisten. In een open brief gedateerd 25 oktober 1912 aan de criticus Louis Vauxcelles in het tijdschrift Gil Blas van 28 oktober schreef Delaunay, dat hij zich had afgescheiden van de kubisten. Hij wilde er niet meer toegerekend worden. Zijn ideeën over schilderen publiceerde hij onder de titel Réalité, Peinture Pure in het decembernummer (1912) van Les Soirées de Paris.

Rue des Grands-Augustins, 1913

In 1912 ontmoette Delaunay ook Paul Klee, August Macke, Franz Marc en Hans Arp, die allen naar Parijs kwamen, en had hij van 28 februari t/m 13 maart zijn eerste solo-expositie van 41 werken in Galerie Barbazanges te Parijs. Van 12 januari t/m 20 februari 1913 had Delaunay zijn eerste grote tentoonstelling in Herwarth Waldens Galerie 'Der Sturm'. Negentien schilderijen, waaronder 12 Vensters, werden tentoongesteld. Samen met Apollinaire reide Delaunay op 12 januari 1913 naar Berlijn om zijn expositie te zien. Door de expositie kreeg Delaunay in Duitsland een grotere erkening dan in Frankrijk. Op de terugweg naar Parijs op 21 januari brachten Apollinaire en Delaunay een bezoek aan August Macke in Bonn. Ook Max Ernst was hier aanwezig. Op de Erster Deutscher salon te Berlijn was een groot aantal werken van Delaunay, o.a. 'Formes circulaires', en van zijn vrouw Sonia te zien. Ook voor de Amerikaanse tentoonstelling Armory Show was Delaunay uitgenodigd, maar zijn schilderij La Ville de Paris met de afmetingen 2,67 m bij 4,06 m werd niet opgehangen. In een brief van 18 februari 1913 werd door Halpert aan Delaunay medegedeeld dat het schilderij te groot was. Delaunay verzocht daarna om ook zijn andere werken niet op te hangen.

In de zomer van 1913 huurde de familie Delaunay een huis in Louveciennes, waar Apollinaire, Chagall, de dichter Blaise Cendrars en de Amerikaanse schilders Bruce en Frost enige tijd op bezoek kwamen.

Op de Salon des Indépendants van 1914 had Delaunay de schilderijen Disques solaires, Forme en Hommage à Blériot hangen.

Tijdens de vakantie in Fuenterrabia (Baskenland) brak de Eerste Wereldoorlog uit en verbleef Delaunay met zijn vrouw lange tijd in Spanje en Portugal. o.a. in Vila da Condo en Valença do Minho. Dit was niet om de mobilisatie te ontlopen, want Delaunay was tijdens zijn diensttijd afgekeurd. In 1918 ontmoette hij Serge Diaghilew in Madrid en werkte voor zijn Ballet Russe, o.a. voor het ballet Cleopatra, dat op 5 september 1918 in Londen zijn premiere beleefde. In 1921 keerde hij terug naar de Boulevard Malesherbes 19 in Parijs, waar hij een groot aantal portretten van vrienden schilderde, o.a. Philippe Soupault (1922), Aragon (1922), André Breton (192), Tristan Tzara (1923), Walter Mehring, Ivan en Clair Goll (1923), Gomez, Bella Chagall (1923), Joseph Delteil (1923), Michel Seuphor (1924), Jean Cocteau (1924), Herwarth Walden (1923) en mevrouw Heim (1927).

Dankzij de aankopen van de verzamelaar Guggenheim in 1937 en 1938 was Delaunay financieel in staat begin 1939 een z.g. ferme au bois te kopen in Gambais. Hij hield zich vooral bezig met de kleur en beïnvloedde hierin ook de Blaue Reiter groep. Samen met Fernand Léger nam hij deel aan l'Exposition des Arts décoratifs.

Salon des Tuileries, 1938

In 1937 maakte hij grote wandschilderingen voor de wereldtentoonstelling te Parijs, o.a. 'Propeller en ritme'. Ook Sonia Delaunay, Albert Gleizes, Jacques Villon, Georges Valmier en Léopold Survage werkten mee aan de decoraties. Zij en ook André Lhôte maakten op uitnodiging van Othon Friesz tevens de decoraties van de Hall des sculptures du Salon des Tuileries in 1938.

Grafsteen, Gambais

Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verliet Delaunay Parijs voor Mougins. Midden oktober 1941 stortte Delaunay in tijdens een uitstapje naar Châtel-Guyon. Hij werd vervoerd naar het ziekenhuis in Clermont-Fenand. Hier werd hij geopereerd, maar uiteindelijk stierf hij op 25 oktober l941 aan kanker in het ziekenhuis te Montpellier. Delaunay werd begraven in Montpellier, maar na de Tweede Wereldoorlog herbegraven in Gambais.

Delaunay heeft door zijn experimenteren op het gebied van kleur grote betekenis gehad voor de abstracte kunst. Hij correspondeerde o.a. met Kandinsky, Marc, Macke en Klee. Ook was hij een van de oprichters van de Salon des Réalités Nouvelles, die bestemd was voor abstracte schilders.

Tentoonstellingen

Van 4 oktober 1985 t/m 6 januari 1986 werd in Haus der Kunst te München de tentoonstelling Delaunay und Deutschland gehouden om de invloed van Delaunay op Duitse kunstenaars te laten zien ter gelegenheid van zijn honderste geboortedag. Te zien waren 60 werken van Robert en 25 van Sonia Delaunay en ongeveer 130 van Duitse kunstenaars.

In 1997 werd het nieuwe museum Deutsche Guggenheim Berlijn, Unter den Linden 13-15 te Berlijn, geopend met een tentoonstelling van meer dan 30 schilderijen en tekeningen van Robert Delaunay onder de naam: Pariser Visionen: Rober Delaunays Serien. Van 7 november 1997 tot 15 februari 1998 was de tentoonstelling in Berlijn, daarna in het New Yorkse Guggenheim Museum. De werken waren in drie perioden verdeeld: de kerk Saint Séverin (1909-1910), de Eiffeltoren (1911-1912) en de z.g. vensters (1912-1914).

Kies uit nevenstaande knoppen voor werken van Delaunay.