De rol van Zwitserse kunsthandelaren bij de Franse kunstroof

Een aantal Zwitserse kunsthandelaren speelde een dubieuse rol tijdens de Tweede Wereldoorlog. Gesterkt door de Zwitserse wet, dat volgens artikel 934 van het Zivilgesetzbuch uit 1912 de eigenaar slechts vijf jaar een gestolen kunstvoorwerp op kan eisen van een eigenaar die het kunstwerk op goed vertrouwen heeft gekocht, werden vele werken op de Parijse kunstmarkt gekocht. Oude Nederlandse en Duitse meesters werden geëxporteerd en werken van de laat negentiende en twintigste eeuw geïmporteerd. Op deze manier kwam bv. de in Genéve wonende Duitse kunsthandelaar Hans Wendland in het bezit van 24 impressionistische schilderijen uit de collectie van Paul Rosenberg. Aangezien de schilderijen geruild waren voor een Rembrandt en twee Belgische wandkleden bestemd voor de Reichsmarschall Hermann Göring (1893-1946) kreeg Wendland het voor elkaar om de schilderijen via de diplomatieke post in Zwitserland in april 1942 te laten bezorgen. Een andere voorbeeld was het hieronderstaande schilderij appel van Picasso uit de Rosenberg collectie dat via een uitwisseling van schilderijen bij Dr. Alexander von Frey in Luzern terecht kwam. Het schilderij Stilleven met grapefruits en perzikken van Braque uit de Alphonse Kann collectie en het schilderij Portret van mevrouw Rosenberg en haar dochter van Picasso uit de Rosenberg collectie kwamen via Gustav Rochlitz bij Wendland.

Pomme; afm.: 21,5 x 26,6 cm Even geduld, de kaart wordt ingelezen uit de database NARA

Op 6 november 2007 werd bij veilinghuis Christie's te New York het nevenstaande schilderij Appel van Picasso uit 1918 verkocht voor $ 825.000. Het schilderij was door Paul Rosenberg direct van Picasso gekocht. De website van Christie's vermeldt uitsluitend, dat het daarna in een privécollectie terecht kwam en niets over een eventuele confiscatie. Denkelijk was dit het hierboven genoemde werk, daar behalve de titel, het jaartal ook de afmetingen 22 cm bij 27 cm overeenkomen. Het schilderij werd geconfisqueerd in Libourne op 5 september 1941 en op 14 mei 1942 in het Jeu de Paume te Parijs opgeslagen. Op 30 juli 1942 werd het schilderij geïnventariseerd en bij ruil 16 uitgewisseld tussen ERR en Alexander von Frey op 14 mei 1942. Samen met twee andere 'moderne' schilderijen werd het schilderij geruild voor twee 'oude meesters'. Von Frey verkocht het schilderij aan de fotograaf Franz Faber, die het doorverkocht aan Marta Bolli-Heeb. In mei 1945 verkocht zij het schiderij voor 2000 Zwitserse francs aan de galeriehouder Toni Aktuaryus, die het vijf dagen later voor 3200 Zwitserse francs verkocht aan Berta Coninx. Berta Girardet was een dochter van een Duitse krantenuitgever, die in Zürich de krant Tages-Anzeiger sinds 1893 uitgaf. In 1905 trouwde zij met de redacteur Otto Coninx, die door zijn schoonvader aangesteld werd bij de Tages-Anzeiger in Zürich. Later werd Coninx de belangrijkste eigenaar van de uitgeverij.

Nadat het Duitse leger bij Stalingrad eind 1942 tot staan was gebracht begonnen de geallieerden na te denken over de tijd na de oorlog. Op 5 januari 1943 werd in Londen de z.g. London Deklaration uitgegeven, waarin geregeld werd hoe te handelen met de roof in de bezette gebieden. Een formele waarschuwing werd gegeven aan iedereen en in het bijzonder aan de personen in neutrale landen. De tekst luidde: Accordingly, the Governments making this Declaration and the French National Committee reserve all their rights to declare invalid any transfers of, or dealings with, property, rights and interests of any description whatsoever which are, or have been, situated in the territories which have come under the occupation or control, direct of indirect of the Governments with which they are at war, or which belong, or have belonged to persons (including juridical persons) resident in such territories, This warning applies whether such transfers of dealings have taken the form of open looting or plunder, or of transactions apparently legal in form, even when they purport to be voluntarily effected. Kort samengevat: alle overdrachten van goederen, rechten en belangen onder welke benaming dan ook werden ongeldig verklaard als deze de indruk van plundering hadden.

In de Zwitserse kranten werd ruim aandacht besteed aan deze verklaring. Ook de kunsthandel in Zwitserland reageerde hierop. De kunsthandelaar Theodor Fischer beklaagde zich bij Walter Hofer, dat hij zijn impressionistische schilderijen slecht kon verkopen. Ondertussen probeerde Fischer de Amerikaanse ambassade, waar hij in de herfst van 1942 voor het eerst was uitgenodigd voor een gesprek, met uitvluchten en leugens te overtuigen dat hij niets te maken had met het wegwerken van geconfisqueerde schilderijen. Het ondertekenen van een verklaring hierover liet hij uiteindelijk achterwege. Ook de Britse ambassade oefende begin 1944 druk op Fischer uit en vroegen een lijst van alle door Hofer geleverde impressionisten. Hij leverde een lijst aan, die hij steeds verder moest uitbreiden en aanvullen.

De Zwitserse regering kondigde in mei 1944 een strengere invoercontrolle voor kunstwerken aan, die uiteindelijk in een regeling werd vastgelegd op 11 januari 1945. De importeur kon o.a. verplicht worden de namen van vorige eigenaren te melden. Helaas een papieren regeling, daar de illegale import buiten schot bleef.

Raubgut-Prozessen

De geallieerden probeerden Zwitserland, ondanks hun wet, te bewegen een speciale organisatie op te richten om de gestolen kunstwerken aan de rechtmatige eigenaar terug te bezorgen. De Zwitserse afwijzing brachten de geallieerden ertoe om Douglas Cooper in Zwitserland op onderzoek te sturen en een rapport te laten schrijven. Cooper maakte deel uit van de groep Monuments, Fine Arts & Archives (=MFAA), die tot taak had alle gestolen kunstwerken en verzamelingen uit Duitse musea en bezette landen op te sporen en voor schade, diefstal en ontvreemding te beschermen en de teruggave van gestolen werken in de bevrijde gebieden. In februari en maart 1945 reisde Cooper door Zwitserland en bezocht hij ongeveer dertig kunsthandelaren en -verzamelaars. In deze periode was Cooper in staat om van 75 geconfisqueerde werken de oorlogsgeschiedenis te achterhalen. Hieronder waren werken uit de kubstverzameling van Kann en van Rosenberg, die in de Jeu de Paume waren geïnventariseerd. Onder de negentien Zwitserse eigenaren, die uit acht verschillende verzamelingen werken hadden, waren de Fischer galerie, die voor de oorlog mee had gewerkt aan de verkoop van ontaarde kunst, en Hans Wendland. Wendland had op de een of andere manier met 57 van de 75 schilderijen te maken gehad. Cooper ontdekte dat minstens 16 Zwitserse kunsthandelaren betrokken waren geweest met de handel in de geconfisqueerde kunstwerken en vele kunstwerken zonder sporen na te laten de Zwitserse grens waren gepasseerd. Het verzoek van de geallieerden aan de Zwitserse overheid om de werken in bewaring te nemen en de werkzaamheden van de genoemde kunsthandelaren te bevriezen werden alleen afgedaan met het onderbrengen van enkele werken in het Kunstmuseum Bern. De grootste koper van geconfisqueerde kunstwerken was Emil G. Bührle, die rijk geworden was aan het leveren van wapens gemaakt in zijn wapenfabriek Oerlikon Bührle & Company aan Duitsland in de vooroorlogse jaren. In de oorlogsjaren kocht Bührle minstens dertien geconfisqueerde werken, o.a. bij de Fischer galerie, die gesteund door de Zwitserse wet nog steeds behoren tot de Bührle Foundation in Zürich. In Bührles verzameling waren impressionistische werken uit de Alphonse Kann en de Paul Rosenberg collecties.

Op 20 augustus 1945 legde de Zwitserse regering beslag op de door Cooper genoemde kunstwerken, maar de oorspronkelijke eigenaar moest zichzelf melden op grond van artikelen van het Zivilgesetzbuch. Pas na buitenlandse druk besloot de Zwitserse regering begin november, dat de door Cooper genoemde kunstwerken moesten worden ingeleverd bij het Kunstmuseum Bern. Uiteindelijk besloot de Bundesrat op 10 december 1945 tot het z.g. Raubgut-Beschluss. Op grond van dit besluit moest men ook de teruggeëiste kunstwerken teruggeven als men deze werken in goedvertrouwen gekocht had. Het besluit, dat op 15 januari 1946 door het parlement werd goedgekeurd, bleef tot eind 1947 van kracht. De uitvoering van het besluit lag bij de Schweizerische Verrechnungsstelle (=SVST), die zijn eerste pijl op het duo Fischer-Wendland richtte. In juli 1946 doorzocht SVST de bezittingen van Fischer, maar vonden niets meer, daar Fischer na zijn contact met de Amerikaanse en Britse Ambassade alle papieren had vernietigd of ergens anders had ondergebracht.

De processen bestonden uit twee verschillende delen. De eerste reeks was voor het vaststellen van de rechtmatige eigenaar en het toewijzen van het kunstwerk. De tweede reeks ging over de schadeloosstelling van de koper indien hij bij de koop van 'goede trouw' was geweest. Op 3 juni 1948 vond het eerste proces plaats, waarbij Paul Rosenberg zevenendertig schilderijen eiste van Fischer, Trüssel, Bührle, Coninx, Alois Miedl, Henri-Louis Mermod en Pierre Dubied. De eis werd door het gerecht toegekend en de gedaagden moesten de schilderijen afstaan en de gerechtskosten betalen. Daarna werden processen gevoerd door Alexandrine Caroline de Rothschild, Levy de Benzion, Alfred Lindon en op 7 juli 1949 door Alphonse Kann, die 15 schilderijen van Fischer, Bührle en Galerie Neupert met succes terugeiste. Twaalf van deze vijftien schilderijen maakten op 22 oktober 1941 deel uit van de ruil tussen Hofer en Fischer.

In totaal werden 71 schilderijen teruggegeven aan de vroegere eigenaar met een geschatte waarde van rond de 2,5 miljoen Zwitserse francs. Hoeveel schilderijen b.v. Fischer en Wendland nog buiten deze bekende schilderijen nog bezaten of hadden verhandeld bleef onbekend. De schrijver Buomberger schatte het aantal op 200 inclusief de 57 werken uit de groep van 77.

The Lost Museum, 1997

Ondanks dat op 22 februari 1946 het wettelijk verplicht werd om kunstwerken met dubieuse herkomst aan te geven kwam geen enkel werk boven water. De SVST nam practisch geen initiatieve om deze kunstwerken op te sporen. Hoofddoel van de SVST was het registreren en liquideren van Duitse vermogens. De bankkluizen bleven gesloten. In de Verenigde Staten doken later diverse schilderijen op, die via de route Zwitserland, Spanje of Portugal en Zuid-Amerika het land waren ingekomen. De belangstelling voor het onderwerp vervaagde en de druk van de geallieerden op Zwitserland verdween onder de naderende Koude Oorlog. Pas door het in 1997 uitgekomen boek The Lost Museum met de ondertitel The Nazi conspiracy to steal the world's greatest works of art (ISBN: 0-465-04194-9) van Hector Feliciano kwam het onderwerp volop in de belangstelling. De lijst van opgeëiste schilderijen en aan de erfgenamen toegekende schilderijen groeit gestaag. In vele landen zijn bij musea alle kunstwerken met dubieuse eigendom in de periode 1933-1945 op een lijst gezet en soms via internet te bekijken.

Bronnen en verdere informatie.

  • OSS (USS Office of Strategic Services) Art Looting Investigation Unit (ALIU) Reports 1945-1946 and ALIU Red Flag Names List and Index. Het verslag is te lezen via een webpagina. te lezen.
    o.a. ALIU Detailed Interrogation Report: Hans WENDLAND, 18 September 1946.
  • Thomas Buomberger: Raubkunst-Kunstraub: Die Schweiz und der Handel mit gestohlenen Kulturgütern zur Zeit des Zweiten Weltkriegs, Zürich 1998, ISBN: 3-280-02807-8.
  • In het boek The Lost Museum met de ondertitel The Nazi conspiracy to steal the world's greatest works of art (ISBN: 0-465-04194-9) uit 1997 beschrijft Hector Feliciano de gebeurtenissen rond de roof van de kunstbezittingen van de vijf Parijse joodse families, n.l. Rothschild, Paul Rosenberg, Bernheim-Jeune, David-Weill en Schlosse.
  • Zie o.a. de Engelstalige website www.lootedart.com.

  • Fluchtgut – Raubgut, 2001Op 18 oktober 2010 startte de organisatie Claims Conference een website waarop men de geroofde kunstwerken, die via het Parijse gebouw Jeu de Paume al of niet naar Duitsland waren verzonden, kan opzoeken.
  • Het door Esther Tisa Francini, Anja Heuss en Georg Kreis geschreven boek Fluchtgut - Raubgut met als ondertitel Der Transfer von Kulturgütern in und über die Schweiz 1933–1945 und die Frage der Restitution, 2001, ISBN: 978-3-0340-0601-9
  • Het door Lynn H. Nicholas geschreven boek The Rape of Europa: The Fate of Europe's Treasures in the Third Reich and the Second World War, New York 1994 (ISBN: 0-679-40069-9).
Laatste wijziging: 260811