Op 13 februari 1918 deelde de opperbevelhebber van het Duitse leger, Ludendorff, aan Keizer Wilhelm II mede, dat het Duitse leger klaar stond om op te rukken in Frankrijk. Ludendorff wilde de Amerikaanse deelname enigszins voor zijn en hij had legers van het oostelijke front verplaatst naar het westelijke. Dit was mogelijk geworden door het ineen storten van het oostelijk front door de revolutie in Rusland en het op 3 maart getekende vredesverdrag van Brest-Litowsk, dat op 15 maart tijdens het vierde Sovjetcongres zou worden geratificeerd. Op 21 maart 1918 begon de aanval met een artilleriebeschieting van vijf uur over een front van 70 km op van te voren vastgestelde doelen. Om 9.40 begon de aanval van de manschappen onder de naam Keiserschlacht.
Op 23 maart 1918 viel 's morgens om 7:20 uur de eerste granaat op Parijs op de Place de la République. Met een tussenpoze van twintig minuten vielen de volgende granaten van noordoost naar zuidwest: Rue Charles V, Boulevard de Strasbourg en twee in de buurt van Gare de l 'Est. Op de eerste dag vielen 21 granaten in Parijs en 1 op Chatillon. Men dacht eerst aan vliegtuigbommen, maar de regelmaat van de inslagen weersprak dat. Later kwam men er via verkenningen uit een vliegtuig achter, dat de granaten waren afgevuurd uit het gebied rond Crépy-en-Laonnois, ongeveer 10 km westelijk van Laon. De kanonnen, die werden bemand door marinemensen onder leiding van een admiraal, stonden op 120 km van Parijs. Op 25 maart blies het tweede kanon na twee schoten zich op waarbij 5 soldaten werden gedood, maar op 29 maart begon het derde en laatste gemaakte kanon met zijn beschietingen.
De beschietingen waren al veel eerder, n.l. op 29 januari 1916, voorafgegaan door bombardementen uit Duitse Zeppelins.
Begin 1917 had het Duitse leger bij de staalfabriek Krupp aangedrongen op het ontwikkelen van een afstandskanon. Na diverse ontwerpen kwam men onder leiding van Otto von Eberhard tot een samenstelling van een 38-cm-scheepskanon met daarin een aanvullende 21-cm-loop. De kanonloop had een totale lengte van 34 meter. Wegens de lengte moest men op de loop een soort tuigage aanbrengen om het knikken te voorkomen. Het superkanon woog 180 ton en het onderstel, dat bevestigd was op een treinstel, woog 256 ton. Hierdoor was het geschut gebonden aan een plaats vlakbij een spoorlijn, daar een tijdelijke spoorverbinding moest worden aangelegd tussen de bestaande spoorweg en de afvuurplaats. Het superkanon schoot bijna zonder rook een 120 kg zware granaat met 7 kg explosieven met een snelheid van 1645 meter per seconde weg. De granaat kwam via een parabolische baan van 170 seconden ongeveer 40 km hoog en ongeveer 130 km ver. De snelheid van de granaat was ver voorbij de snelheid van het geluid, ongeveer 340 m/s, waardoor de aankomende inslag bijna 'geluidsloos' te wachten stond. De kanonnen beschoten Parijs met 367 granaten. Voor het afschieten gebruikte men een bijna 5 meter lange 'lont' met bijna 200 kg kruit. Na 65 schoten was de loop van binnen versleten en moest worden uitgeboord tot een 24-cm-loop. Hierdoor werd de maximale afstand met ruim 15 km verkleind. Na 130 schoten was de loop aan vervanging toe. In totaal waren zeven of acht 21-cm-lopen voor de drie kanonnen gemaakt.
Daar de kanonnen slechts 16 km achter de frontlijn gecamoufleerd in het bos van Saint-Gobain, vlakbij Crépy-en-Laonnois stonden, was het Franse geschut na de ontdekking in staat het Duitse geschut te beschieten. Hierop werden de kanonen, die tot dan toe 185 granaten hadden afgevuurd, op 1 mei gedemonteerd en verplaatst. Op de tweede locatie, gelegen in het Bois de Corbie bij Beaumont en Beine op ongeveer 110 km van het centrum van Parijs, werd van 27 mei tot 11 juni 104 keer op Parijs geschoten. Na ontdekking door een Brits verkeningsvliegtuig werden de kanonnen opnieuw verplaatst. De kanonen kwamen te staan in het Bois de Bruyère-sur-Fère vlakbij Fère-en-Tardenois op ongeveer 90 km van Parijs. Dit was mogelijk doordat De Duitsers begin juni 1918 de frontlijn over een lengte van 80 km bijna 50 km hadden verlegd richting Parijs.
Op 30 mei stond het Duitse leger op 70 km van Parijs. Wegens de tegenaanval van de geallieerden op 3 juni werd de opmars tot staan gebracht. De kanonnen schoten 14 granaten vanaf Fère-en-Tardenois op 16 en 17 juli, maar werden daarna weer verplaatsten. Vanaf de al eerder gebruikte plaats, Beaumont en Beine, werden op 5 t/m 9 augustus in vier dagen 64 granaten afgevuurd. Aangezien het geallieerde leger, dat eind mei 1918 in de strijd versterkt werd door Amerikaanse soldaten, steeds verder oprukte werd besloten de kanonen te ontmantelen en naar Duitsland terug te brengen. De laatste granaat werd op 9 augustus 1918 om 15:30 afgevuurd.
Van de meer dan 400 afgevuurde granaten troffen 351 granaten Parijs (zie nevenstaande kaart). In Parijs vielen door de beschietingen in totaal 256 doden en ongeveer 620 gewonden. Het grootste aantal doden viel op 29 maart 1918 om 16:27 uur, toen de Eglise St. Gervais tijdens de Goede Vrijdag dienst werd getroffen en het dak instortte. Hierbij vielen 91 doden en 68 gewonden. De kerk ligt achter het Hôtel de Ville.
Na van de eerste schrik bekomen te zijn, ging het gemeentebestuur van Parijs een aantal schuilplaatsen, z.g. abri's, voor de bevolking inrichten en werden zandzakken o.a. rond de Notre Dame gelegd.
Winkels beplakte de ruiten met stroken gompapier om de schade te beperken als de ruiten als gevolg van een granaatinslag kapot gingen, zoals te zien is op nevenstaande foto. De onrust zorgde ervoor dat een groot aantal Parijzenaars de stad verliet. Men schatte 30 tot 50 duizend op het hoogtepunt.
Onder de vluchtelingen waren o.a. Amédée Ozenfant, die samen met Germaine Bongard, de geliefde van Ozenfant op dat moment, en het personeel van Germaines modewinkel Jove, eind maart 1918 naar Bordeaux ging. Andere vluchtelingen waren Juan en Josette Gris, die in april 1918 naar Beaulieu-les-Loches, de geboortestreek van Josette, gingen. Zij kregen daar o.a. gezelschap van de familie Lipchitz, Metzinger en Maria Blanchard.
De kunsthandelaar Ambroise Vollard sloot in verband met de beschietingen van Parijs zijn galerie en bracht zijn voorraad in 71 kratten op 23 juni 1918 onder in Saumur. De kunsthandelaar Léonce Rosenberg, die net begin maart 1918 begonnen was met zijn Galerie de l'Effort Moderne, sloot na de eerste expositie de galerie tot na de wapenstilstand in november 1918. De beeldhouwer Brancusi aanvaardde in juni 1918 een uitnodiging van Odette de Saint-Paul om tijdelijk haar huis in Chausse (Gard) te bewonen en toezicht te houden op een verbouwing. Helaas brak Brancusi zijn scheenbeen op 8 juli waardoor hij 38 dagen in het ziekenhuis te Alès lag en daarna nog 25 dagen in een herstellingsoord.
Ook in het neutrale Nederland werden de mensen op de hoogte gebracht, o.a. door de nevenstaande tekening van P. van der Hem afgedrukt op het voorblad van het bijvoegsel van De Nieuwe Amsterdammer van 6 april 1918.
Zie voor verdere gegevens o.a. het door Marcel Lerecouvreux geschreven artikel Parijs in de vuurlinie in deel 4 van De Eerste Wereldoorlog 14-18. De serie uit 1976 van uitgeverij Amsterdam Boek b.v. stond onder redactie van Dr. R.L. Schuursma.