In 1941 organiseerde de Duitse ambassadeur in Frankrijk, Otto Abetz (1903-1958), en de beeldhouwer Arno Breker (1900-1991) voor een groep Franse kunstenaars een reis naar Duitsland. Otto Abetz had voor de oorlog als journalist vele reizen naar Frankrijk gemaakt om het nationaalsocialisme uit te dragen en was in juli 1939 Frankrijk uitgezet wegens het vermoeden van financiële steun aan pro-duitse tijdschriften en kranten. In juni 1940 keerde hij terug in Parijs en in augustus werd hij de Duitse ambassadeur in Frankrijk. Otto Abetz organiseerde vanuit de ambassade in de Rue de Lille 78 met steun van de Minister van Buitenlandse zaken, Joachim von Ribbentrop, vanaf midden augustus 1940 de confisquaties van kunst. De werkzaamheden zouden spoedig overvleugeld worden door de ERR. Arno Breker, de favoriete beeldhouwer van Hitler, was al een aantal jaren in Parijs en kende vele kunstenaars.
De voyage d'études (=studiereis) had tot doel om de top van de Franse kunstenaars met eigen ogen te laten zien dat men de kunst een warm hart toedroeg, de Frans-Duitse culturele betrekkingen te herstellen en natuurlijk ook voor propaganda. Soortgelijke rondreizen door Duitsland werden georganiseerd voor acteurs en schrijvers. De beide organisatoren, Abetz en Breker, kenden André Derain. Abetzs vrouw, een française, was bevriend met André Derain. De vrouw van Breker, de griekse Demetra Messala die Breker in zijn Parijse periode had leren kennen en in 1937 met hem getrouwd was, had model gestaan voor Derain. Breker, die in 1924 voor het eerst Parijs bezocht, had vanaf 1927 tot 1934 deel uit gemaakt van de kunstenaars in Montparnasse en geregeld contact gehad met Charles Despiau.
In 1941 vertrok een gezelschap schilders en beeldhouwers vanaf Gare de l'Est naar Duitsland voor een achtdaagse reis. Op nevenstaande foto uit de krant Paris-Soir van 1 november 1941 zien we op de eerste rij van links naar rechts Charles Despiau (1874-1946), Othon Friesz (1879-1949), André Dunoyer de Segonzac, Maurice de Vlaminck, Kees van Dongen en André Derain. Andere deelnemers waren de schilders Raymond Legueult (1898-1971) en Roland Oudot (1897-1891) en de beeldhouwers Paul Belmondo [vader van de filmacteur Jean-Paul Belmondo] (1898-1982), Henri Bouchard (1875-1960), Paul Landowski (1875-1961) en Louis Lejeune (1884-1969). Als tegenprestatie werd de vrijlating van enkele gevangenen beloofd. Bekend is, dat Maurice Denis (1870-1943) en Roger Chapelain-Midy (1904-1992) geweigerd hadden om mee te gaan en dat Aristide Maillol (1861-1944) ziek was voor het vertrek. In Berlijn bezocht de groep het grote atelier van Breker, waar medewerkers beelden maakten voor de gebouwen ontworpen door Albert Speer. Ook de plaatsen Wenen, München, Nürnberg, Dresden en Düsseldorf werden bezocht.
Van de reis werd verslag gegeven in het weekblad Comoedia van 22 en 29 november 1941. Het blad was voor het eerst verschenen op 21 juni 1941 met René Delange als redacteur. Het blad had vooral artikelen op cultureelgebied en weerspiegelende ondanks de Duitse financiële steun volgens sommigen de Franse culturele identiteit. Anderen verdachten het blad van collaboratie. Ieder nummer bevatte artikelen over toneelstukken, films en concerten die bezocht konden worden en aankondigingen van verschijnende boeken. Op één van de laatste bladzijden stonden artikelen van de Duitse autoriteiten over Duitse cultuur of cultuur in andere landen onder de titel Connaître l'Europe. Na de oorlog verdedigde René Delange zich voor de Commission d'épuration (=commissie van zuivering) dat door deze pagina het mogelijk was in de rest van het weekblad een eigen geluid te laten horen. Volgens Kathryn Hamer in haar artikel Cultural (Pre)Occupation: Comoedia and French Identity, 1941-44 verschenen er geen politieke artikelen in het weekblad, dat tot minstens 8 juli 1944 bestond en 159 keer verscheen.
De mening van Derain werd door Laurence Bertrand Dorléac weergegeven in Le voyage en Allemagne in zijn boek André Derain uitgegeven in 1994 te Parijs. Arno Breker schreef zijn mening in Paris, Hitler et moi uitgegeven in 1970 te Parijs. Na de oorlog werd hij als meeloper veroordeeld tot het betalen van 100 mark. In zijn voordeel spraken diverse getuigenissen van hulp bij vrijlating van gevangenen. Otto Abetz werd in juli 1949 wegens zijn betrokkenheid bij de deportaties van joden en dwangarbeiders tot 20 jaar veroordeeld. In april 1954 werd Abetz vrijgelaten. Hij verongelukte met zijn auto op 5 mei 1958.
Volgens de schrijver Alex Danchev in het boek Georges Braque was Abetz getrouwd met de de dochter van de Franse journalist Jean Luchaire, maar dat is denkelijk niet juist. Volgens diverse bronnen was Abetz in 1932 getrouwd en op dat moment was de enige dochter van Luchaire, Corinne (1922-1950), tien jaar.