Na het onder de voet lopen van de diverse Europese landen door het Duitse leger begon een systematische kunstroof van werken uit musea en van joodse verzamelaars en kunsthandelaren. Aangezien de Nazi's geen belangstelling hadden voor kubistische kunst, de werken behoorden tot de Entartete Kunst (=ontaarde kunst), en er niet veel waren opgenomen in de collecties van de musea werden er weinig kubistische werken uit Franse musea geroofd. De werken, die men door confiscatie van joodse eigendommen in handen kreeg, werden soms geruild of verkocht.
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939 voelde Frankrijk zich veilig achter de Maginotlinie, maar in mei 1940 trokken de meeste Duitse soldaten er omheen en op 14 juni 1940 stond het Duitse leger in Parijs. Op 30 juni 1940 gaf Hitler het bevel om kunstwerken van de Franse Staat en van joden in verzekering te nemen totdat in vredesonderhandelingen waarvoor zij als onderpand dienden werd afgesproken wat ermee zou gebeuren. Dezelfde dag werd het bevel doorgegeven aan 'Wehrmacht'-generaal Wilhelm Keitel, de militairecommandant van Parijs, generaal von Boeckelberg, en via het ministerie van buitenlandse zaken de Duitse ambassadeur Otto Abetz. Hierdoor werden in Frankrijk de volgende drie organisaties voor de kunstroof actief:
De Duitse ambassade in Parijs, die onder het ministerie van Buitenlandse Zaken van Joachim von Ribbentrop (1893-1946) viel. De Duitse ambassadeur Otto Abetz (1903-1958) begon direct op 1 juli met de uitvoering van de kunstroof. Hij vorderde vervoer bij de Wehrmacht en de geconfisqueerde kunstwerken werden opgeslagen in twee bijgebouwen vande ambassade in de Rue de Lille. Op 4 juli stuurde Abetz aan lieutenant-kolonel Speidel een lijst met vijftien belangrijke kunsthandels, die met spoed moesten worden geconfisqueerd. Op de lijst stonden o.a. Alphonse Kann, Rosenberg, Bernheim, Wildenstein en Seligmann. Op 30 oktober 1940 werden 450 kisten van de Rue de Lille overgebracht naar de Jeu de Paume en kwamen zij onder beheer van de ERR. Veertien werken bleven in de ambassade, een twintigtal ging naar het ministerie van Buitenlandse Zaken in Berlijn en 26 Entartete werken werden apart gehouden voor een eventuele uitwisseling.
De Kunstschutz, die op 11 mei 1940 was opgericht en onder de Wehrmacht viel, werd geleid door de kunsthistoricus Graf Franz-Wolff Metternich (1893-1978). Metternich kwam al snel in conflict met de anderen wegens zijn opvatting, dat volgens internationaal recht, de z.g. Haagse Conventie van 18 oktober 1907, gewerkt moest worden. Kunstschutz moest vooral gebouwen met een historische waarde en musea beschermen tegen een militaire ingebruik neming. In juni 1942 werd Metternich met verlof gestuurd en vervangen door zijn plaatsvervanger Dr. Bernhard von Tieschowitz (1902-1968). In oktober 1943 werd Metternich ontslagen.
De Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg für die Besetzten Gebiete, meestal afgekort met ERR. De leiding in Berlijn had tot april 1941 Georg Ebert en daarna Gerhard Utikal. De bezette landen waren in een aantal groepen verdeeld en Frankrijk viel onder de Einsatzstabe Westen. Kurt von Behr, die tevens hoofd was van het Duitse Rode Kruis, leidde de ERR in Parijs vanaf de herfst van 1940. Hij was eerst plaatsvervanger en vanaf begin 1942 officieel de leider. Tevens was von Behr het hoofd van de afdeling 'beeldende kunst', die werkte vanuit een gebouw aan de Avenue d'Iéna te Parijs. Begin 1943 gaf von Behr de leiding over en werd Bruno Lohse (1911-2007) hoofd van de afdeling 'beeldende kunst'.
Tot augustus 1944 zou 1/3 van het particuliere kunstbezit verdwijnen naar Duitsland en voor een belangrijk deel niet terugkeren.
De Nazipartij-ideoloog Alfred Rosenberg (1893-1946) was op 5 juli 1940 door Hitler persoonlijk belast met het in beslag nemen van joodse archieven en bibliotheken in de bezette gebieden, maar in september 1940 werden ook joodse galerieën geplunderd. In oktober 1940 werd Abetz gekortwiekt door de ERR. De ERR legde bij het transportbedrijf Schenker beslag op 200 kisten van de ambassade, die met kunstvoorwerpen klaar stonden voor Duitsland. De ERR was tot 1 maart 1941 in Parijs gevestigd en daarna in Berlijn. Tussen april 1941 en juli 1944 reden 29 treinen met 4174 kisten met in beslaggenomen kunstobjecten vanuit Parijs naar Duitsland, waar de ERR in Schloss Neuschwanstein gelegen in Zuid Beieren tegen de Oostenrijkse grens een centraal magazijn had gevestigd. Daarnaast had de ERR nog vijf andere grote opslagplaatsen.
Onder invloed van Hermann Göring, de opperbevelhebber van de Duitse luchtmacht, zag de ERR spoedig kans de andere twee organisaties aan zich te onderwerpen. Göring, maar ook Hitler, had hierdoor een eerste keus uit de in beslag genomen kunstschatten. De in beslag genomen kunstwerken werden in Frankrijk allereerst verzameld in drie zalen in het Louvre. Daar de hoeveelheid geconfisqueerde kunstwerk snel toenam zorgde ruimtegebrek ervoor dat het gebouw Jeu de Paume, een gebouw aan de Place de la Concorde en gelegen in de Jardin des Tuileries te Parijs op aandringen van Jacques Jaujard in gebruik werd genomen per 1 november 1940. Jacques Jaujard (1895-1967), de directeur van de Franse nationale musea, was van mening, dat alles op één plaats beter in de gaten gehouden kon worden. In de Jeu de Paume werden de werken gecatalogiseerd, een waarde gegeven, gefotografeerd, van een stempel voorzien en klaar gemaakt voor het vervoer naar Duitsland. De belangrijkste geachte werken werden gereserveerd voor een nieuw museum voor Europese kunst, het z.g. Führermuseum, in de Oostenrijkse plaats Linz. Voor het Führermuseum was een aparte organisatie ingesteld, die de naam Sonderauftrag Linz droeg. Na het museum kwamen de verzamelingen van Hitler, Göring, von Ribbentrop, andere hogere Nazi-partijleden en partijgebouwen in aanmerking.
In juni 1939 gaf Hitler aan Dr. Hans Posse (1879-1942), die sinds 1910 directeur was van het Dresden Gemäldegalerie, opdracht de werken voor het Führermuseum te verzamelen. Met een budget van 10 miljoen Duitse marken kon hij aan het werk. Bovendien mocht hij vrij kiezen uit de geconfisqueerde werken. Binnen een jaar had Posse 465 schilderijen verzameld in de kelder van het z.g. Führerbau te München. Posse bezocht geregeld de bezette gebieden en na zijn dood in 1942 zette Hermann Voss (1884-1969) het werk voort. Aan het eind van 1944 waren door Posse en Voss ruim 8000 werken verzameld.
In de bezette gebieden werd ook met behulp van de door de kunsthistoricus Dr. Otto Kümmel (1874-1952), die sinds 1934 directeur was van de Duitse rijksmusea in Berlijn, opgestelde lijst van tussen 1500 en 1930 uit Duitsland of van Duitse eigenaren verdwenen kunstwerken en -voorwerpen naar kunst gezocht. Kümmel had op 19 augustus 1940 van de minister van Volksvoorlichting en Propoganda, Joseph Goebbels, de opdracht gekregen en op 8 september 1940 overlegde hij een voorlopige lijst. Op 20 januari 1941 was de lijst, bestaande uit 319 bladzijden gereed. Op de lijst stonden ongeveer 1800 werken die zich in Frankijk zouden bevinden, waarvan 359 in een museum of openbaar gebouw. Indien het kunstwerk niet werd gevonden zou ter compensatie Franse kunst worden genomen. Napoleon had bv. uit Kassel in 1807 299 schilderijen, waaronder 16 Rembrandts, meegenomen. In de lijst van Kümmel stonden ook de kunstwerken, die aan het begin van de Eerste Wereldoorlog geconfisqueerd waren van Duitse staatsburgers, zoals Wilhelm Uhde, Daniel-Henry Kahnweiler en de kunsthandelaar Hans Wendland. Een Amerikaanse soldaat vond op 8 mei 1945 in Berchtesgaden het exemplaar van Hitler, dat zich nu bevindt in de Library of Congress in Washington.
Ook in het door het Gouvernement de Vichy bestuurde zuidelijk deel van Frankrijk werd de Service de Contrôle des Administrateurs Provisoires (=SCAP), die de joodse bezittingen moest confisqueren, spoedig door de ERR overschaduwd.
De ERR werkte vanuit Hôtel Commodore, Boulevard Haussmann 12, allereerst aan het confisqueren van bibliotheken en archieven van joden en vrijmetselaars maar vanaf oktober 1940 ook van kunst. In oktober 1940 overviel de ERR de opslagplaats van de transportmaatschappij Schenker & Co, die voor de ambassade het vervoer van de inbeslag genomen kunstwerken naar Duitsland regelde. De ERR legde beslag op ongeveer 200 klaarstaande kratten met kunstwerken. De macht van de ERR werd nog vergroot door de macht van Göring, die direct contact had met de directeur van de ERR in Parijs, Baron Kurt von Behr. Göring kon via de ERR ook zijn eigen verzameling uitbreiden. Hij bezocht volgens het Consolidated Interrogation Report no. 1 gedateerd 15 August 1945 tussen 3 november 1940 en 27 november 1942 meer dan twintig keer de zalen van de opslagplaats Jeu de Paume. De kunsthistoricus Dr. Bruno Lohse, kunsthandelaar Walter Andreas Hofer en de Franse kunstenaar Jacques Beltrand deden de voorkeuze voor Göring. Op nevenstaande foto genomen bij de Jeu de Paume zien we de belangrijkste hoofdpersonen. Van links naar rechts: Bruno Lohse, Walter Andreas Hofer, onbekend, Göring, onbekend en Kurt von Behr. Göring betaalde op rekening de kunstwerken en kwam zo gratis aan meer dan duizend kunstwerken voor zijn kunstverzameling in Carinhall, zijn buitenverblijf ongeveer 50 km boven Berlijn en genoemd naar zijn in 1931 overleden vrouw Carin von Fock.
De Franse nationale museumadministratie onder leiding van Jacques Jaujard kreeg op 31 oktober 1940 tijdens een bijeenkomst met Baron von Behr en Dr. Hermann Bunjes toestemming om in de opslagplaats Jeu de Paume een eigen inventaris te maken van de geconfisqueerde werken naast de Duitse inventarisatie, maar in de praktijk werd het niet toegestaan. Dankzij Rose Valland, die voor de oorlog curator was van het in de Jeu de Paume gevestigde museum voor buitenlandse hedendaagse kunst en werkzaam bleef in de Jeu de Paume, bleef de Franse overheid op de hoogte. Valland slaagde erin de gegevens te kopiëren. De werken van Picasso, Léger, Chagall, Ernst, die de Duitsers 'ontaard' noemden werden verzameld in de Salle des Martyrs, die zich bevond op de eerste verdieping aan het einde van het gebouw. De toegang was door een gordijn afgesloten van de rest.
Van deze Salle des Martyrs zijn twee foto's zeer bekend. Ze zijn te vinden op de webpagina van de Musées Nationaux Récupération. Na het opvragen van de foto kunt u door op het schilderij te tikken informatie over het schilderij lezen. Hiernaast staan van elke foto een uitsnede. Op de linker foto hangt naast het gordijn aan de rechterkant bovenaan het kubistische schilderij L'homme à la guitare van Georges Braque uit 1914. Het schilderij was geconfisqueerd bij de verzamelaar Alphonse Kann. Op de rechter foto is in het midden het schilderij Femme en rouge et vert van Fernand Léger uit 1914 afkomstig van Léonce Rosenberg te zien.
Een deel van de Entartete werken zouden verkocht of geruild worden voor gewenste werken. De hoeveelheid geconfisqueerde kunst was zo groot, dat zestig werknemers bezig waren met het catalogiseren en waarde bepalen. Vanaf februari 1941 begon men de kunstwerken met de trein naar Duitsland over te brengen. Op 15 maart 1941 ging een nieuw transport met o.a. werken uit de Bernheim-Jeune en de Alphonse Kann collectie naar slot Neuschwanstein in Füssen. In de lente van 1941 was het meeste werk in de Jeu de Paume gedaan, maar in 1943 werd bv. de grote Schloss collectie nog afgehandeld. Op 27 mei 1943 werd in de tuin van Jeu de Paume ruim 500 werken, waaronder van Ernst, La Fresnaye, Klee, Léger, Masson, Miró, Picabia en Picasso, verbrand.
In een brief van 21 april 1943 kreeg Alfred Rosenberg van Martin Bormann, de secretaris van Hitler, de opdracht alle kunstvoorwerpen over te dragen aan de experts van de Führerbau in München. Hiermee kwam een eind aan de ERR. Volgens het (eind)rapport Bericht über die Tätigkeiten des ERR geschreven door Robert Scholz gingen van maart 1941 t/m juli 1944 in totaal negenentwintig grote transporten met in totaal 137 wagons vanuit Frankrijk naar Duitsland. De 21.000 voorwerpen, waaronder 10.000 schilderijen, tekeningen en gravures, waren afkomstig uit 203 verschillende collecties. De laatste maanden voor de bevrijding van Parijs waren vele medewerkers van de ERR naar het front gestuurd en kwam het inventariseren in de knel.
In februari 1944 werden de bombardementen op Duitsland zodanig, dat Hitler opdracht gaf om de belangrijkste kunstwerken op te slaan in de zoutmijnen bij Altaussee in Oostenrijk. Tussen februari 1944 en maart 1945 werden duizenden werken uit zes ERR-verzamelpunten naar de zoutmijnen gebracht.
Voor de werken, waarin de Duitse bezetter geen belangstelling had, werden tussen februari 1941 en november 1943 28 ruilbijeenkomsten georganiseerd. De ruilbijeenkomsten waren voor het verkrijgen van werken voor Göring, Hitler, Ribbentrop en Bormann. De Duitse kunsthandelaar Gustav Rochlitz, die in 1933 vanuit Zürich naar Parijs was gekomen organiseerde 18 van de 28 ruilbijeenkomsten, waarbij hij 82 schilderijen verkreeg. Door zijn samenwerking met de ERR kon Rochlitz vrij door geheel Frankrijk reizen. In ruil voor twee schilderijen voor Göring ontving Rochlitz op 3 maart 1941 tijdens de eerste bijeenkomst elf schilderijen, waaronder het schilderij Nature morte aux fruits van Braque uit de collectie Kann en twee van Picasso, waaronder la Mère et l'Enfant uit 1918, uit de collectie Paul Rosenberg. Bij een ruil op 2 februari 1942 kreeg Rochlitz o.a. het nevenstaande schilderij Femme en rouge et vert van Léger uit 1914, afkomstig van Léonce Rosenberg, een stilleven van Picasso en een werk van Braque uit de collectie Kann in handen.
Dankzij Douglas Cooper, die het Britse onderzoek naar de confiscaties leidde en na de oorlog bij de transportmaatschappij Schenker de administratiepapieren ontdekte, kreeg men vele gegevens over Duitse kopers, waaronder musea. Ook toeval speelde een rol bij het terugvinden van de gestolen kunstwerken. Op 27 augustus 1944 moest de luitenant Alexandre Rosenberg, de zoon van Paul Rosenberg, een trein, die klaar stond voor Nikolsburg (nu de Tsjechische plaats Mikulov gelegen bij de grens met Slowakije en Oostenrijk), in beslag nemen bij Aulnay-sous-Bois, die volgens een spoorwegwerker vol stond met kunst. Rosenberg doorzocht de trein en vond tussen honderden werken schilderijen van Picasso (64 stuks), Braque (29), Dufy (24), de Vlaminck (11) en Laurencin (ruim 50), die van zijn vader waren. In deze trein waren vijf wagons gevuld met 148 kratten met kunstwerken afkomstig uit het haastig verlaten Jeu de Paume. Op 1 augustus 1944 waren in verband met de dreigende komst van de geallieerde legers 148 kisten, waarin ook werken met de aanduiding ontaarde kunst, onder leiding van Kurt von Behr in vrachtwagens geladen en naar een trein bij het station van de Parijse voorstad Aubervilliers gebracht. Vandaar zou de trein (nr. 40044) naar Vöcklabruck en Nikolsburg vertrekken, maar werd opgehouden door het laden van 56 wagons met meubels e.d. die door de afdeling M-Aktion van de ERR uit huizen van joden waren gehaald. Op 10 augustus was de trein geladen, maar door een staking van het spoorwegpersoneel kon deze niet vertrekken. Na de tweedaagse staking werd voorrang gegeven aan personenvervoer. Toen de trein uiteindelijk vertrok legde hij door z.g. technische problemen slechts de korte afstand tot Le Bourget af. Ondertussen had de Resistance, die via Valland en Jaujard was ingeseind, kans gezien om op een belangrijk spoorwegknooppunt twee lokomotieven te laten ontsporen. De trein bleef in de buurt van Parijs en werd door een eenheid van generaal Leclerc van het Franse bevrijdingsleger, waar Alexandre Rosenberg deel van uit maakte, in beslag genomen. Zesendertig kisten werden de volgende dag naar het Louvre overgebracht, daar in de voorgaande nacht twee wagons waren opengebroken en doorzocht. De rest volgde ongeveer twee maanden later op 17 oktober. In 1964 verscheen de film The Train van John Frankenheimer, die de gebeurtenissen zeer geromantiseerd liet zien.
Enkele weken na de bevrijding van Parijs kwam op 29 september 1944 onder leiding van Albert Henreaux, de vice-president van de Conseil des Musées nationaux, een groep museum directieleden bijeen. De groep noemde zich Commission de Récupération Artistique (=CRA) had als doel een lijst van gestolen kunstvoorwerpen op te stellen en de claims van de rechtmatige eigenaren af te handelen. Op 24 november 1944 werd deze commissie door de Franse overheid officieel geïnstalleerd. Een belangrijke medewerkster was Rose Valland (1898-1980), die de gang van zaken in de Jeu de Paume goed wist en lijsten had bijgehouden. Van mei 1945 tot maart 1953 verbleef zij in Duitsland en Oostenrijk om de geroofde kunstwerken te achterhalen. De Amerikaanse en Britse legers richtten de organisatie Monuments, Fine Arts & Archives Officers (MFA&A. Officers) op. Terwijl de Amerikaanse tak de slachtoffers in kaart bracht, ging de Britse tak vooral op onderzoek uit. In Duitsland werden een aantal Collecting Points (=verzamelpunten) ingericht, waarvan die in het Führerbau en in de Verwaltunsbau, het voormalige hoofdkwartier van de Nazipartij, te München de belangrijkste waren. Hoofd in München was de lieutenant Craig H. Smith, die eind mei 1945 startte met de werkzaamheden. In 1951 werd het Central Collecting Point in München gesloten. De gemaakte foto's en kaarten van de kunstwerken zijn ondergebracht bij NARA (=National Archives and Records Administration) in Washington.
In 1961 verscheen in Parijs het boek Le Front de L'Art Défense des collections françaises 1939-1945, geschreven door Rose Valland. Wetenswaardigheden over haar kunt u vinden op www.rosevalland.eu. Op 27 april 2005 werd aan de zijmuur van Jeu de Paume een gedenkplaat onthuld. Eind november 2011 was de tekst nauwelijks meer te lezen.
Van 3 december 2009 t/m 2 mei 2010 werd in het museum Centre d'Histoire de la Résistance et de la Déportation te Lyon de tentoonstelling La dame du jeu de Paume, Rose Valland sur le front de d'art met medewerking van de Association La Mémoire de Rose Valland gehouden. Via de website van het museum is een uitgebreid persbericht in verband met de tentoonstelling te lezen.
Na de oorlog werden meer dan 61.000 kunstwerken teruggebracht naar Frankrijk, waarvan ruim 45.000 aan de rechtmatige eigenaar werden teruggegeven. In de zomer van 1946 werd de eerste expositie Les chefs-d'oeuvre des collections privées françaises retrouvés en Allemagne par la Commission de récupération artistique et les services alliés in het Orangerie Museum. Bij het opheffen van de CRA in 1949 werden uit de 15.000 niet geclaimde kunstwerken, de belangrijkste 2000 geselecteerd en ondergebracht in de Franse nationale musea, zonder dat moeite gedaan werd om de regelmatige eigenaar te vinden. Deze 'ongeclaimde' werken werden op 30 september 1949 via een decreet aan de musea als détenteurs précaires (=precario houders) in bruikleen gegeven en behoren tot het z.g. Musées Nationaux Récupération (MNR).
Door publicaties, o.a. van de schrijver Hector Feliciano over de MNR in het tijdschrift Beaux Arts in april 1996 en een interview in de krant Le Monde waarin hij stelde dat in meer dan veertig jaar weinig onderzoek was gedaan naar de eigenaren, kwam de directrice van de direction des musées de France (=centrale directie van de nationale musea), Françoise Cachin, met de belofte dat er een geïllustreerde MNR-catalogus en een internet site zou worden samengesteld. Ook zou een internationaal symposium gehouden worden in het najaar van 1996 over het onderwerp.
Op 17 november 1996 werd in het amphithéâtre Rohan de l'école du L'ouvre het aangekondigd symposium Pillages et restitutions : le destin des oeuvres d'art sorties de France pendant la seconde guerre mondiale gehouden. Het adres van de website van de MNR is: www.culture.gouv.fr/documentation/mnr/pres.htm. In november 1996 werd door het MNR een online lijst gepubliceerd. Van 9 t/m 21 april 1997 werd in het Centre Georges-Pompidou de tentoonstelling Présentation des oeuvres récupérées après la Seconde guerre mondiale et confiées à la garde du musée national d'Art moderne gehouden waarin de werken, die bij het Musée National d'Art Moderne waren ondergebracht, te zien waren. In 1997 stelde de Franse Minister-President Alain Juppé de commissie Mattéoli in om de problemen met de restitutie van de ongeveer 2000 overgebleven Joodse eigendommen te bestuderen. In 2004 verscheen een catalogus met daarin de schilderijen die bij het MNR waren ondergebracht.
Na de val van de Berlijnse muur in 1989 en het uiteenvallen van de Sovjet Unie werden ook meer gegevens uit de Russische archieven en musea bekend. Geconfisqueerde werken van o.a. Kann en Rosenberg waren door het Rode leger in beslag genomen in het laatst geopende ERR-verzamelpunt in het kasteel Nikolsburg in het Tsjechische Sudetenland. Bij de verovering door het Rode leger was wel een deel verbrand, maar aan de Westerse mogelijkheden werd doorgegeven dat het hele kasteel in april 1945 door brand was verwoest. Bij een onderzoek in 1961 door een Franse commissie zeiden ooggetuigen, dat een deel van de opgeslagen werken voor het einde van de oorlog gehaast en onvoldoende gedocumenteerd naar Oostenrijk was overgebracht. De Oostenrijkse overheid bewaarde meer dan 3000 niet opgeëiste kunstvoorwerpen na de oorlog in het Mauerbach klooster. In oktober 1996 werden de werken geveild bij Christie's en het grootste deel van de opbrengst ging naar joodse organisaties en andere slachtoffers van de Nazi's. In Moskou kwamen documenten uit de galerie van Paul Rosenberg boven water, die door de ERR waren geconfisqueerd.
Een geheim verslag van de U.S Art Looting Investigation Unit over de door de Nazi's geconfisqueerde kunstwerken tussen 1939 en 1945 werd pas in 1998 openbaar gemaakt en overgedragen aan het World Jewish Congress. De Franse krant Le Monde publiceerde een samenvatting.
Van 19 februari t/m 2 juni 2008 werd in het Israel Museum te Jerusalem de tentoonstelling Looking for Owners: Custody, Research, and Restitution of Art Stolen in France during World War II gehouden. Uit de collectie van het Musées Nationaux Récupération werden 53 schilderijen getoond.
In het boek The Lost Museum met de ondertitel The Nazi conspiracy to steal the world's greatest works of art (ISBN: 0-465-04194-9) uit 1997 beschrijft Hector Feliciano de gebeurtenissen rond de roof van de kunstbezittingen van de vijf Parijse joodse families, n.l. Rothschild, Paul Rosenberg, Bernheim-Jeune, David-Weill en Schlosse.
Zie o.a. de Engelstalige website www.lootedart.com.
Op 18 oktober 2010 startte de organisatie Claims Conference een website waarop men de geroofde kunstwerken, die via het Parijse gebouw Jeu de Paume al of niet naar Duitsland waren verzonden, kan opzoeken.
Het door Thomas Buomberger geschreven boek Raubkunst - Kunstraub met als ondertitel Die Schweiz und der Handel mit gestohlenen Kulturgütern zur Zeit des Zweiten Weltkriegs, Zürich 1998, ISBN: 3-280-02807-8. Het Zwitserse Bundesamt für Kultur (BAK) en de Nationalen Informationsstelle für Kulturgüter-Erhaltung (=NIKE) vroegen Buomberger een wetenschappelijke studie te maken van de rol van de Zwitserse kunsthandel in de periode ±1930-±1955.