Na het onder de voet lopen van de diverse Europese landen door het duitse leger begon een systematische kunstroof van werken uit musea en van joodse verzamelaars en kunsthandelaren. Aangezien de Nazi's geen belangstelling hadden voor kubistische kunst, de werken behoorden tot de Entartete Kunst (=ontaarde kunst), en er niet veel waren opgenomen in de collecties van de musea werden er weinig kubistische werken uit Franse musea geroofd. De werken, die men door confisquatie van joodse eigendommen in handen kreeg, werden soms geruild of verkocht.
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939 voelde Frankrijk zich veilig achter de Maginotlinie, maar in 1940 trokken de meeste Duitse soldaten er omheen en op 14 juni 1940 stond het Duitse leger in Parijs. Tot augustus 1944 zou 1/3 van het particuliere kunstbezit verdwijnen naar Duitsland en voor een belangrijk deel niet terugkeren. In Frankrijk waren na de val drie organisaties voor de kunstroof actief, n.l. de Kunstschutz, die onder de Wehrmacht viel, de Duitse ambassade in Parijs, die onder het ministerie van Buitenlandse Zaken viel, en de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg für die Besetzten Gebiete, meestal afgekort met ERR en viel onder de Nazipartij-ideoloog Alfred Rosenberg. Hij was op 5 juli 1940 door Hitler persoonlijk belast met het in beslag nemen van kunstschatten in de bezette gebieden. De ERR was tot 1 maart 1941 in Parijs gevestigd en daarna in Berlijn. Tussen april 1941 en juli 1944 reden 29 treinen met in beslaggenomen kunstwerken vanuit Parijs naar Duitsland, waar de ERR in Schloss Neuschwanstein gelegen in Zuid Beieren tegen de Oostenrijkse grens een centraal magazijn had gevestigd.
Onder invloed van Hermann Göring, de opperbevelhebber van de duitse luchtmacht, zag de ERR spoedig kans de andere twee organisaties aan zich te onderwerpen. Göring, maar ook Hitler, had hierdoor een eerste keus uit de in beslag genomen kunstschatten. De in beslag genomen kunstwerken werden in Frankrijk verzameld in het gebouw Jeu de Paume, een gebouw aan de Place de la Concorde en gelegen in de Jardin des Tuileries te Parijs. Hier werden de werken gecatalogiseerd, een waarde gegeven, gefotografeerd, van een stempel voorzien en klaar gemaakt voor het vervoer naar Duitsland. De belangrijkste geachte werken werden gereserveerd voor een nieuw museum voor Europese kunst in de Oostenrijkse plaats Linz. Daarna kwamen de verzamelingen van Hitler, Göring, von Ribbentrop, andere hogere Nazi-partijleden en partijgebouwen in aanmerking. In juni 1939 gaf Hitler aan Dr. Hans Posse, directeur van het Dresden Museum, opdracht de werken voor het museum in Linz te verzamelen. Met een budget van 10 miljoen Duitse marken kon hij aan het werk. Bovendien mocht hij vrij kiezen uit de geconfisqueerde werken. Binnen een jaar had Posse 465 schilderijen verzameld in de kelder van het z.g. Führerbau te München. Posse bezocht geregeld de bezette gebieden en aan het eind van 1944 had hij ruim 8000 werken verzameld.
In de bezette gebieden werd ook met behulp van de door de kunsthistoricus Otto Kümmel (1874–1952), die sinds 1934 directeur was van de Duitse rijksmusea, opgestelde lijst van tussen 1500 en 1930 uit Duitsland of van Duitse eigenaren verdwenen kunstwerken en -voorwerpen naar kunst gezocht. Op de lijst stonden ongeveer 1800 werken die in Frankijk zich zouden bevinden, waarvan 359 in een museum of openbaar gebouw. Indien het kunstwerk niet werd gevonden zou ter compensatie Franse kunst worden genomen. Napoleon had b.v. uit Kassel in 1807 299 schilderijen, waaronder 16 Rembrandts, meegenomen. In de lijst van Kümmel stonden ook de kunstwerken, die aan het begin van de Eerste Wereldoorlog geconfisqueerd waren van Duitse staatsburgers, zoals Wilhelm Uhde, Daniel-Henry Kahnweiler en de kunsthandelaar Hans Wendland, en soms behoorden tot de ontaarde kunst.
Op 30 juni 1940 werd door generaal Wilhelm Keitel de dienstorder getekend, dat de militaire commandant van Parijs alle kunstobjecten en historische papieren die eigendom waren van de Franse Staat en joden in zekerheid en onder toezicht van de Duitse ambassade moesten worden gesteld. Op 1 juli 1940 gaf de Duitse ambassadeur Otto Abetz de militaire commandant van Parijs de opdracht tot het uitvoeren van het bevel. Op 4 juli stuurde Abetz aan lieutenant-kolonel Speidel een lijst met vijftien belangrijke kunsthandels, die met spoed moesten worden geconfisqueerd. Op de lijst stonden o.a. Alphonse Kann, Rosenberg, Bernheim, Wildenstein en Seligmann.
De Kunstschutz werd op 11 mei 1940 ingesteld en stond onder leiding van Franz Graf Wolff-Metternich, een voormalige kunsthistoricus van de universiteit van Keulen. Deze organisatie moest vooral gebouwen met een historische waarde en musea beschermen tegen een militaire ingebruik neming. In juli 1942 werd Wolff-Metternich vervanger door zijn plaatsvervanger Dr. Hans von Tieschowitz. Beide organisaties werden spoedig tegengewerkt en onder invloed gebracht van de ERR. Ook in het door het Gouvernement de Vichy bestuurde zuidelijk deel van Frankrijk werd de Service de Contrôle des Administrateurs Provisoires (=SCAP), die de joodse bezittingen moest confisqueren, spoedig door de ERR overschaduwd.
De ERR werkte vanuit Hôtel Commodore, Boulevard Haussmann 12, allereerst aan het confisqueren van bibliotheken en archieven van joden en vrijmetselaars maar vanaf oktober 1940 ook van kunst. In oktober 1940 overviel de ERR de opslagplaats van de vervoersmaatschappij Schenker, die voor de ambassade het vervoer van de inbeslag genomen kunstwerken naar Duitsland zou regelen. De ERR legde beslag op ongeveer 200 klaarstaande kratten met kunstwerken. De macht van de ERR werd nog vergroot door de macht van Göring, die direct contact had met de directeur van de ERR in Parijs, Baron Kurt von Behr. Göring kon via de ERR ook zijn eigen verzameling uitbreidde. Hij bezocht tussen 3 november 1940 en 27 november 1942 meer dan twintig keer de zalen van de opslagplaats Jeu de Paume. De kunsthistoricus Dr. Bruno Lohse, kunsthandelaar Walter Andreas Hofer en Jacques Beltrand deden de voorkeuze voor Göring. Göring betaalde op rekening de kunstwerken en kwam zo gratis aan meer dan duizend kunstwerken voor zijn kunstverzameling in Carinhall, zijn buitenverblijf ongeveer 50 km boven Berlijn en genoemd naar zijn in 1931 overleden vrouw Carin von Fock.
De Franse nationale museumadministratie onder leiding van J. Jaujard kreeg op 31 oktober 1940 tijdens een bijeenkomst met Baron von Behr en Dr. Bunjes toestemming om in de opslagplaats Jeu de Paume een eigen inventaris te maken van de geconfisqueerde werken naast de Duitse inventarisatie, maar in de praktijk werd het niet toegestaan. Dankzij Rose Valland, die voor de oorlog curator was van het in de Jeu de Paume gevestigde museum voor buitenlandse hedendaagse kunst en werkzaam bleef in de Jeu de Paume, bleef de Franse overheid op de hoogte. Valland slaagde erin de gegevens te kopiëren. De werken van Picasso, Léger, Chagall, Ernst, die de Duitsers 'ontaard' noemden werden verzameld in de salle des martyrs. Op nevenstaande foto is in het midden het schilderij Femme en rouge et vert van Léger uit 1914 afkomstig van Léonce Rosenberg te zien. De werken zouden verkocht of geruild worden voor gewenste werken. De hoeveelheid geconfisqueerde kunst was zo groot, dat zestig werknemers bezig waren met het catalogiseren en waarde bepalen. Vanaf februari 1941 begon men de werken met de trein naar Duitsland over te brengen. In maart ging een nieuw transport met o.a. werken uit de Bernheim-Jeune en de Alphonse Kann collectie naar slot Neuschwanstein in Füssen. In de lente van 1941 was het meeste werk in de Jeu de Paume gedaan, maar in 1943 werd b.v. de grote Schloss collectie nog afgehandeld. Op 27 mei 1943 werd in de tuin van Jeu de Paume ongeveer 6000 werken, waaronder van Ernst, La Fresnaye, Klee, Léger, Masson, Miró, Picabia en Picasso, verbrand.
In totaal gingen volgens het eindrapport van de ERR tussen april 1941 en juli 1944 negenentwintig grote transporten vanuit Frankrijk naar Duitsland. De 21.000 voorwerpen, waaronder 10.000 schilderijen, tekeningen en gravures, waren afkomstig uit 203 verschillende collecties. De laatste maanden voor de bevrijding van Parijs waren vele medewerkers van de ERR naar het front gestuurd en kwam het inventariseren in de knel.
In februari 1944 werden de bombardementen op Duitsland zodanig, dat Hitler opdracht gaf om de belangrijkste kunstwerken op te slaan in de zoutmijnen bij Steinberg in Oostenrijk. Tussen februari 1944 en maart 1945 werden duizenden werken uit zes ERR-verzamelpunten naar de zoutmijnen gebracht.
Voor de werken, waarin de Duitse bezetter geen belangstelling had, werden tussen februari 1941 en november 1943 28 ruilbijeenkomsten georganiseerd. De ruilbijeenkomsten waren voor het verkrijgen van werken voor Göring, Hitler, Ribbentrop en Bormann. De Duitse kunsthandelaar Gustav Rochlitz, die in 1933 vanuit Zürich naar Parijs was gekomen, had een galerie in de Rue Rivoli 222. Hij organiseerde 18 ruilbijeenkomsten, waarbij hij 82 schilderijen verkreeg. Door zijn samenwerking met de ERR kon Rochlitz vrij door geheel Frankrijk reizen. In ruil voor twee schilderijen voor Göring ontving Rochlitz in februari 1941 tijdens de eerste bijeenkomst elf schilderijen, waaronder het schilderij Nature morte aux fruits van Braque uit de collectie Kann en twee van Picasso, waaronder la Mère et l'Enfant uit 1918, uit de collectie Paul Rosenberg. Bij een ruil op 2 februari 1942 kreeg Rochlitz o.a. het nevenstaande schilderij Femme en rouge et vert van Léger uit 1914, afkomstig van Léonce Rosenberg, een stilleven van Picasso en een werk van Braque uit de collectie Kann in handen.
Dankzij Douglas Cooper, die het Britse onderzoek naar de confisquaties leidde en na de oorlog bij de transportmaatschappij Schenker de administratiepapieren ontdekte, kreeg men vele gegevens over Duitse kopers, waaronder musea. Ook toeval speelde een rol bij het terugvinden van de gestolen kunstwerken. Op 27 augustus 1944 moest de lieutenant Alexandre Rosenberg, de zoon van Paul Rosenberg, een trein, die klaar stond voor Duitsland, in beslag nemen bij Aulnay-sous-Bois, die volgens een spoorwegwerker vol stond met kunst. Rosenberg doorzocht de trein en vond tussen honderden werken schilderijen van Picasso (64 stuks), Braque (29), Dufy (24), de Vlaminck (11) en Laurencin (ruim 50), die van zijn vader waren. In deze trein waren vijf wagons gevuld met 148 kratten met kunstwerken afkomstig uit het haastig verlaten Jeu de Paume. Op 1 augustus 1944 was, in verband met de dreigende komst van de geallieerde legers, de werken waaronder de ontaarde kunst naar de trein gebracht, maar door diverse 'problemen' opgehouden. In 1964 verscheen de film The Train van John Frankenheimer, die de gebeurtenissen geromantiseerd liet zien.
Enkele weken na de bevrijding van Parijs werd op 24 november 1944 de Commission de Récupération Artistique (CRA) opgericht en stond onder leiding van Albert Henreaux, de vice-president van de Conseil des Musées nationaux. De opdracht was een lijst van gestolen kunstvoorwerpen op te stellen en de claims van de rechtmatige eigenaren moest afhandelen. Een belangrijke medewerkster was Rose Valland (1898-1980), die de gang van zaken in de Jeu de Paume goed wist en lijsten had bijgehouden. Van mei 1945 tot maart 1953 verbleef zij in Duitsland en Oostenrijk om de geroofde kunstwerken te achterhalen. De Amerikaanse en Britse legers richtten de organisatie Monuments, Fine Arts & Archives Officers (MFA&A. Officers) op. Terwijl de Amerikaanse tak de slachtoffers in kaart bracht, ging de Britse tak vooral op onderzoek uit. In Duitsland werden een aantal Collecting Points (=verzamelpunten) ingericht, waarvan die in het Führerbau en in de Verwaltunsbau, het voormalige hoofdkwartier van de Nazipartij, te München de belangrijkste waren. Hoofd in München was de lieutenant Craig H. Smith, die eind mei 1945 startte met de werkzamheden.
In 1961 verscheen in Parijs het boek Le Front de L'Art Défense des collections françaises 1939-1945, geschreven door Rose Valland. Wetenswaardigheden over haar kunt u vinden op www.rosevalland.eu.
Na de oorlog werden meer dan 61.000 kunstwerken teruggebracht naar Frankrijk, waarvan ruim 45.000 aan de rechtmatige eigenaar werden teruggegeven. In de zomer van 1946 werd de eerste expositie Les chefs-d'oeuvre des collections privées françaises retrouvés en Allemagne par la Commission de récupération artistique et les services alliés in het Orangerie Museum. Bij het opheffen van de CRA in 1949 werden uit de 15.000 niet geclaimde kunstwerken, de belangrijkste 2000 geselecteerd en ondergebracht in de Franse nationale musea, zonder dat moeite gedaan werd om de regelmatige eigenaar te vinden. Deze 'ongeclaimde' werken werden op 30 september 1949 via een decreet aan de musea als détenteurs précaires (=precario houders) in bruikleen gegeven en behoren tot het z.g. Musées Nationaux Récupération (MNR).
Door publicaties, o.a. van de schrijver Hector Feliciano over de MNR in het tijdschrift Beaux Arts in april 1996 en een intervieuw in de krant Le Monde waarin hij stelde dat in meer dan veertig jaar weinig onderzoek was gedaan naar de eigenaren, kwam de directrice van de direction des musées de France (=centrale directie van de nationale musea), Françoise Cachin, met de belofte dat er een geïllustreerde MNR-catalogus en een internet site zou worden samengesteld. Ook zou een internationaal symposium gehouden worden in het najaar van 1996 over het onderwerp.
Op 17 november 1996 werd in het amphithéâtre Rohan de l'école du L'ouvre het aangekondigd symposium Pillages et restitutions : le destin des oeuvres d'art sorties de France pendant la seconde guerre mondiale gehouden. Het adres van de website van de MNR is: www.culture.gouv.fr/documentation/mnr/pres.htm. In november 1996 werd door het MNR een online lijst gepubliceerd. Van 9 t/m 21 april 1997 werd in het Centre Georges-Pompidou de tentoonstelling Présentation des oeuvres récupérées après la Seconde guerre mondiale et confiées à la garde du musée national d'Art moderne gehouden waarin de werken, die bij het Musée National d'Art Moderne waren ondergebracht, te zien waren. In 1997 stelde de Franse Minister-President Alain Juppé de commissie Mattéoli in om de problemen met de restitutie van de ongeveer 2000 overgebleven Joodse eigendommen te bestuderen. In 2004 verscheen een catalogus met daarin de schilderijen die bij het MNR waren ondergebracht.
Een aantal Zwitserse kunsthandelaren speelden een dubieuse rol tijdens de Tweede Wereldoorlog. Gesterkt door de Zwitserse wet, dat na vijf jaar een gestolen kunstvoorwerp wettelijk eigendom werd als dat verkregen was op goed vertrouwen, werden vele werken op de Parijse kunstmarkt gekocht. Oude Nederlandse en Duitse meesters werden geexporteerd en werken van de laat negentiende en twintigste eeuw geïmporteerd. Op deze manier kwam b.v. de in Genéve wonende Duitse kunsthandelaar Hans Wendland in het bezit van 24 impressionistische schilderijen uit de collectie van Paul Rosenberg. Aangezien de schilderijen in ruil waren voor een Rembrandt en twee Belgische wandkleden bestemd voor Göring kreeg Wendland het voor elkaar om de schilderijen via diplomatieke post in april 1942 te laten bezorgen. Andere voorbeelden zijn b.v. het schilderij appel van Picasso uit de Rosenberg collectie dat via een uitwisseling van schilderijen bij Dr. Alexander von Frey in Lucerne terecht kwam en Stilleven met grapefruits en perzikken van Braque uit de Kann collectie en het schilderij Portret van mevrouw Rosenberg en haar dochter van Picasso uit de Rosenberg collectie bij Rochlitz of Wendland.
De geallieerden probeerden Zwitserland, ondanks hun wet, te bewegen een speciale organisatie op te richten om de gestolen kunstwerken aan de rechtmatige eigenaar terug te bezorgen. De Zwitserse afwijzigheid brachten de geallieerden ertoe om Douglas Cooper in Zwitserland op onderzoek te sturen en een rapport te laten schrijven. Binnen een aantal weken was Cooper in staat om van 75 geconfisqueerde werken de oorlogsgeschiedenis te achterhalen. Hieronder waren werken uit de Alphonse Kann en Paul Rosenberg collecties, die in de Jeu de Paume waren geïnventariseerd. Onder de negentien Zwitserse eigenaren waren de Fischer galerie, die voor de oorlog mee had gewerkt aan de verkoop van ontaarde kunst, en Hans Wendland. Cooper ontdekte dat minstens 16 Zwitserse kunsthandelaren betrokken waren geweest met de handel in de geconfisqueerde kunstwerken en vele kunstwerken ook sporen na te laten de Zwitserse grens waren gepasseerd. Het verzoek van de geallieerden aan de Zwitserse overheid om de werken in bewaring te nemen en de werkzaamheden van de genoemde kunsthandelaren te bevriezen werden alleen afgedaan met het onderbrengen van enkele werken in het Kunstmuseum Bern. De grootste koper van geconfisqueerde kunstwerken was Emil G. Bührle, die rijk geworden was aan het leveren wapens, gemaakt in zijn wapenfabriek Oerlikon Bührle & Company, aan Duitsland in de vooroorlogse jaren. In de oorlogsjaren kocht hij minstens dertien geconfisqueerde werken o.a. bij de Fischer galerie, die gesteund door de Zwitserse wet nog steeds behoren tot de Bührle Foundation in Zürich. In Bührles verzameling waren impressionistische werken uit de Alphonse Kann en de Paul Rosenberg collecties.
Na de val van de Berlijnse muur in 1989 en het uiteenvallen van de Sovjet Unie werden ook meer gegevens uit de Russische archieven en musea bekend. Geconfisqueerde werken van o.a. Kann en Rosenberg waren door het Rode leger in beslag genomen in het laatst geopende ERR-verzamelpunt in het kasteel Nikolsburg in het Tsjechische Sudetenland. Bij de verovering door het Rode leger was wel een deel verbrand, maar aan de Westerse mogelijkheden werd doorgegeven dat het hele kasteel in april 1945 door brand was verwoest. Bij een onderzoek in 1961 door een Franse commissie zeiden ooggetuigen, dat een deel van de opgeslagen werken voor het einde van de oorlog gehaast en onvoldoende gedocumenteerd naar Oostenrijk was overgebracht. De Oostenrijkse overheid bewaarde meer dan 3000 niet opgeëiste kunstvoorwerpen na de oorlog in het Mauerbach klooster. In oktober 1996 werden de werken geveild bij Christie's en het grootste deel van de opbrengst ging naar joodse organisaties en andere slachtoffers van de Nazi's. In Moskou kwamen documenten uit de galerie van Paul Rosenberg boven water, die door de ERR waren geconfisqueerd.
Van 19 februari t/m 2 juni 2008 werd in het Israel Museum te Jerusalem de tentoonstelling Looking for Owners: Custody, Research, and Restitution of Art Stolen in France during World War II gehouden. Uit de collectie van het Musées Nationaux Récupération werden 53 schilderijen getoond.
In het boek The Lost Museum met de ondertitel The Nazi conspiracy to steal the world's greatest works of art (ISBN: 0-465-04194-9) uit 1997 beschrijft Hector Feliciano de gebeurtenissen rond de roof van de kunstbezittingen van de vijf Parijse joodse families, n.l. Rothschild, Paul Rosenberg, Bernheim-Jeune, David-Weill en Schlosse.
Zie o.a. de Engelstalige website www.lootedart.com.