Rusland was aan het begin van de twintigste eeuw een feodale staat onder tsaar Nicolaas II (1894-1917). Deze regeerde vanuit de hoofdstad Sint Petersburg. De grenzen van Rusland waren totaal anders, daar het Congres van Wenen (september 1814-juni 1815), dat de afsluiting vormde van de oorlogen die Napoleon voerde, voor een nieuwe staatkundige indeling van Europa had gezorgd. Door een tik op nevenstaande kaart ziet u de westerse grens van Rusland.
In 1809 stond Karel XIII, koning van Zweden, Finland aan Rusland af. Finland had tot Nicolaas II tsaar werd een grote mate van zelfstandigheid, maar vanaf 1894 werd het geld- tol- en postsysteen van Rusland ook in Finland ingevoerd. Met de benoeming in 1898 van Nikolay Bobrikov werd de russificering van Finland vergroot. Het eigen Finse leger werd afgeschaft en de Finnen moesten dienst nemen in het Russische leger. Op 15 juni 1910 bepaalde het Russische parlement, de Doema, dat alle Finse wetten door de Doema moesten worden goedgekeurd. De zelfstandigheid van Finland was daarmee min of meer voorbij. Pas op 3 maart 1918 tijdens de Vrede van Brest-Litowsk werd Finland een zelfstandige Republiek.
Tsaar Alexander I van Rusland (1801-1825) kreeg in 1815 officieel het gebied van Polen, dat Rusland zich bij de Derde Poolse Deling had toegeëeigend. (Bij de Eerste Poolse Deling in 1772 had Rusland het gebied ten oosten van de Duna en de Dnjepr ingenomen. Bij de Tweede Poolse Deling in 1793 bezette Rusland Litouwen, Wolhynië en Podolië. Bij de Derde Poolse Deling in 1795, waarbij Polen totaal verdeeld werd, vergrootte ook Rusland zijn bezit.) Rusland kreeg het grootste deel van het hertogdom Warschau als koninkrijk Polen. Een opstand in Polen in 1830-1831 had tot gevolg dat Polen onder tsaar Nicolaas I (1825-1855) een Russische provincie werd. Oostenrijk bezette in de zomer van 1915 grote delen van Polen. Op 5 november 1916 riepen Duitsland en Oostenrijk Polen uit tot een erfelijk, constitutionele monarchie. Op 30 maart 1917 bevestigde het nieuwe Russische bewind, dat met de februarirevolutie van 1917 aan de macht was gekomen, de Poolse onafhankelijkheid. Op 11 november 1918, de wapenstilstandsdag van de Eerste Wereldoorlog, werd Polen een zelfstandige republiek onder Józef Pilsudski. In het verdrag van Versailles werden de westgrenzen van Polen vastgelegd. De oostgrenzen werden met Rusland uitgevochten en pas op 18 maart 1921 bij het verdrag van Riga geregeld. De noordgrens met Litouwen werd door tussenkomst van de Volkenbond vastgesteld. De zuidgrens werd hoofdzakelijk bepaald door de Volkenbond op de conventie van 15 mei 1922. De nieuwe grenzen hielden in dat 2,5 miljoen Polen buiten en meer dan 10 miljoen niet-Polen binnen de nieuwe nationale grenzen woonden.
In februari 1904 viel Japan onverwachts Rusland in Mandsjoerije aan en in de volgende schermutselingen werd Rusland verslagen. Hierbij werd zowel de Pacifische als de Baltische vloot van Rusland verwoest. Rusland en Japan maakten aanspraken op Mandsjoerije en Korea. De onvrede in Rusland was algemeen, zowel onder de hogere klassen als onder de arbeiders en boeren. Op 9 januari 1905 wilde pater Gapon vergezeld van een grote groep arbeiders een petitie aanbieden aan de tsaar in het Winterpaleis in Sint Petersburg waarin betere arbeidsvoorwaarden en politieke rechten werden gevraagd. De paleiswacht raakte in paniek en opende het vuur op de menigte. De ruim honderd doden werden duizenden in de geruchten en stakingen en boerenopstanden volgden op vele plaatsen. De stakingen werden georganiseerd door sovjets, stakingscomités. Nicolaas II deed in een manifest eind oktober 1905 toezeggingen om de politiestaat te ontmantelen en richtte de Doema, een vertegenwoordigende nationale vergadering, op. In december 1905 was de tsaar pas in staat om een algemene staking in Sint Petersburg te onderdrukken.
Op 3 december werden de leiders, waaronder Leon Trotski (1879-1940), gearresteerd. Na de berechting werden de leiders naar Siberië gedeporteerd. In de periode tot de Eerste Wereldoorlog werden o.a. landbouwhervormingen doorgevoerd. Het overschot aan boeren kwam beschikbaar voor de industrie. De relatieve agrarische welvaart creëerde een binnenlandse markt voor de nieuwe industriële produkten. Dit zorgde tevens voor een trek van het platteland naar de steden. Het massale analfabetisme, de slechte huisvesting in de steden en het uitblijven van de toegezegde vrijheden zorgden voor blijvende sociale onrust.
Na de nederlaag tegen Japan richtte Nicolaas II zich op de Balkan en gaf hij opdracht om de land- en de zeemacht te moderniseren. Rusland werd bij de Eerste Wereldoorlog betrokken door de banden met Servië, het land dat verantwoordelijk werd gehouden voor de moord op de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand op 28 juni 1914. Op 28 juli verklaarde Oostenrijk de oorlog aan Servië, waarop Nicolaas II van Rusland een algemene mobilisatie afkondigde. Op 1 augustus verklaarde Duitsland de oorlog aan Rusland en op 3 augustus aan Frankrijk. Rusland trok Duitsland en Oostenrijk binnen, maar in mei 1915 stortte het Russische front in en ging het Russische leger zich terugtrekken. Volgens Duitse en Oostenrijkse bronnen werden meer dan een miljoen Russen krijgsgevangen gemaakt. Miljoenen vluchtelingen trokken uit de gevechtszone naar de overvolle steden. De arbeidsonlusten namen sterk toe. Stakende arbeiders werden automatisch naar het front gestuurd - uiteraard in de hoop dat ze zouden sneuvelen - maar de overlevenden vergrootten het aantal agitatoren aan het front, die steeds meer steun kregen van de massa's van soldaten.
Tijdens de oorlog werd de naam van de hoofdstad Sint Petersburg vervangen door Petrograd. Men vond de oorspronkelijke naam te Duits. In de hoofdstad werkte 1/3 deel van de werknemers in staatsdienst. Door de oorlogsactiviteiten werd de industriële ontwikkeling versneld, mede doordat de regering veel geld uitgaf. Het aantal werknemers bij het spoor, in de mijnbouw, olie-industrie en de bouw nam tussen de 30% en 140% toe. Al deze werknemers kwamen van het platteland, 4,5 miljoen boeren trokken tussen 1914 en 1917 naar de steden. Het benodigde geld werd door de staat gedrukt en zorgde voor een geweldige inflatie. Speculanten gingen landbouwoogsten vasthouden, waardoor de voedselaanvoer na november 1916 sterk terugliep.
In het voorjaar van 1917 kwamen de boeren-soldaten in verzet tegen de leefomstandigheden en de wijze van oorlogsvoering. De rantsoenen werden steeds minder en op een gegeven moment kregen de soldaten papiergeld om zelf eten te kopen, dat door de inflatie onbetaalbaar was geworden. Vooral in de grote garnizoenssteden, zoals Petrograd, was de situatie kritiek. Rond half februari 1917 was de voedselvoorraad in Petrograd zo klein, dat het gerucht ging dat er hongersnood zou uitbreken. Op 19 en 21 februari braken hongeroproeren uit. De regering kondigde vaste broodprijzen af, maar de bakkers in Petrograd begonnen hun brood op onregelmatige tijden te verkopen. Eindeloze rijen en plunderingen waren het gevolg. Op 24 februari begon de staking van de textielarbeidsters in de Petrogradse wijk Vyborg. Anderen sloten zich erbij aan en de rellen en plunderingen konden door de kleine politie-eenheden niet worden beëindigd. Een poging om troepen tegen de stakers in te zetten mislukte, omdat alleen de officieren bereid waren op de stakers te schieten. Na verschillende botsingen keerden de soldaten zich tegen de officieren.
Op 27 februari 1917 werden het Voorlopig Comité van de Doema en de Sovjet van Petrograd uitgeroepen. Men sloot een tijdelijke overeenkomst om een voorlopige regering te vormen. Op 1 maart ging de tsaar, die zich in Pskov bevond, akkoord met de vorming van een 'regering van nationaal vertrouwen', die niet aan de tsaar maar aan de Doema verantwoordig zou moeten afleggen. Op 2 maart werd Tsaar Nicolaas II door generaal Roeski op aandrang van Rodzianko, de voorzitter van de Doema, en generaals van het noordelijke front min of meer gedwongen af te treden ten gunste van zijn zoon onder het regentschap van Nicolaas' broer Michael. Michael weigerde echter.
De mensjewieken en sociaalrevolutionairen (de partij van de gematigde socialisten en de boeren) gaven de macht over aan de kapitalisten. Zelfs de leiders van de bolsjewieken in Petrograd, Stalin en Kamenev, gaven 'kritische steun' aan de kapitalistische 'voorlopige regering'. De 'Voorlopige regering' liet alle politieke gevangen vrij en de na het buitenland gevluchte revolutionairen mochten terugkeren naar Rusland. Lenin, die in ballingschap in Zwitserland leefde, en Trotski in New York begrepen de betekenis van de gebeurtenissen in februari beter: als het begin van niet alleen de Russische, maar ook de internationale revolutie. Lenin keerde op 4 april 1917 terug in Petrograd en haalde in zijn beroemde 'april-stellingen' hard uit en betoogde, dat de arbeiders geen vertrouwen moesten stellen in de 'Voorlopige regering'. In de eerste fase van de revolutie volgden de massa's de weg van de minste weerstand en gaven steun aan de mensjewieken en sociaalrevolutionairen.
In de volgende maanden veranderde de situatie. In april raakten de arbeiders in Petrograd al teleurgesteld in de 'Voorlopige regering' vanwege de voortzetting van de oorlog, maar de raden van arbeiders, soldaten en boeren, de sovjets, die de arbeiders zelf al improviserend hadden opgezet, steunden de voortzetting van de oorlog. De nationale conferentie van sovjets in april, waar de mensjewieken en sociaalrevolutionairen de meerderheid hadden, weigerde om de invoering van de achturendag te bekrachtigen. Gaandeweg kwam er verandering in de samenstelling van de sovjets, maar zelfs deze uiterst democratische organen van arbeidersmacht bleven steeds iets achterlopen op de ontwikkeling van de arbeidersklasse. In juli demonstreerde de arbeidersklasse van Petrograd gewapenderhand samen met soldaten voor het ontslag van de tien kapitalistische ministers in de coalitieregering: 'Nee tegen het oorlogsoffensief' en 'alle macht aan de sovjets', waarin de bolsjewieken een groeiende invloed hadden. De bolsjewieken waren geen voorstander van een gewapend optreden tegen de regering in juli, want de arbeiders van Petrograd stonden al wel klaar om de regering omver te werpen, maar de rest van het land, vooral de boeren en de soldaten aan het front, had tijd nodig om de coalitie van mensjewieken en sociaalrevolutionairen te doorzien. De massa's konden dit alleen leren door hun eigen bittere ervaring. Toch stelden de bolsjewieken zich aan het hoofd van de demonstraties om een wanordelijke nederlaag te voorkomen. Dit leidde tot een reactie, met onderdrukking van de bolsjewieken en de arrestatie van een aantal leiders, waaronder Trotski. Lenin was gedwongen ondergronds te gaan. Maar toen de contrarevolutie in de persoon van generaal Kornilov probeerde een coup te plegen in augustus, werd deze verslagen door de arbeidersklasse, waarbij de bolsjewieken voorop liepen. Zij namen de verdediging op zich van Petrograd en beschermden zo ook de machteloze regering, die nog een aantal van hun leiders gevangen hield. De bolsjewieken wonnen enorm aan steun en gezag. De troepen van Kornilov weigerden om in actie te komen in Petrograd toen de werkelijke situatie aan ze werd uitgelegd door de afgevaardigden en agitatoren van de sovjets. De spoorwegarbeiders stuurden het leger van Kornilov letterlijk het bos in door de wissels tijdig om te gooien.
Het congres der Sovjets nam in oktober 1917 de macht in handen in Petrograd. Enkele dagen later gebeurde hetzelfde in Moskou en de rest van het land. De sovjets, bestaande uit de gekozen afgevaardigden van arbeiders, soldaten en boeren, vormden al lange tijd een dubbelmacht naast de voorlopige regering van Kerenski (ook geschreven: Kerensky). De macht werd hun aangereikt door het revolutionair militair comité, een samenwerking tussen de bolsjewieken - die de meerderheid van de arbeiders vertegenwoordigden - en de linkse sociaalrevolutionairen, de partij van de boeren, wat onder leiding van Lenin en Trotski de revolutie doorvoerde. Op het Tweede Al-Russische Congres van Sovjets grepen Trotski en Lenin de macht, na het bekend worden van de val van de 'Voorlopige Regering' en het verlaten van het congres door de sociaal-revolutionairen en de mensjevieken, die niet aan een gewapende samenzwering wilden deelnemen. Er kwam een zuiver bolsjevistisch kabinet. De oktoberrevolutie is in Petrograd zonder noemenswaardig bloedvergieten tot stand gekomen: verreweg de meeste regimenten stonden aan de kant van de bolsjewieken of stelden zich neutraal op. In Moskou werd enige tijd gevochten, maar op 3 november 1917 capituleerde de gemeenteraad en hun militaire steun. Diverse stakingen in Petrograd konden worden tegengehouden. In de volgende maanden probeerden de bolsjewieken het hele land onder controle te krijgen.
Op 3 maart 1918 werd vrede met Duitsland gesloten, maar in mei 1918 brak de burgeroorlog uit, die tot november 1920 zou duren.
Uitgebreide informatie:
John Bradley, De Russische Revolutie, Alphen aan den Rijn, 1989, ISBN: 9061134005.