Schrijvers willen graag grote groepen mensen indelen in hapklare brokken en ook bij het kubisme hebben schrijvers verschillende indelingen beschreven. Hieronder een aantal voorbeelden.
Diverse schrijvers splitsen de kubisten in twee groepen afhankelijk van de wijze van exposeren:
De twee groepen stonden niet vijandig tegenover elkaar. Dit bleek o.a. uit het door Picasso in 1912 geschreven nevenstaande lijstje voor Walter Kuhn, die bezig was met het verzamelen van kunstwerken voor de Armory Show. Op de lijst staan van boven naar beneden de namen van Juan Gris, Metzinger, Gleizes, Léger, Duchamp, Delaunay, Le Fauconnier, Marie Laurencin, de la Fresnaye en Braque.
De kunstenaars van de groep Salonkubisten ontmoetten elkaar zeer geregeld. Op zondag was een bijeenkomst bij Jacques Villon in de Parijse voorstad Puteaux, Rue Lemaïtre 7. Deze groep werd de Puteauxgroep genoemd. (Nu staat het winkelcentra La Défense op deze plek.) Volgens de schrijver Pierre Cabanne in L'Epopée du Cubisme bestond de groep uit de gebroeders Duchamp, Kupka, Tobeen, Gleizes, Metzinger, Picabia, La Fresnaye, Le Fauconnier, Léger, André Mare, Georges Ribemont-Desaignes en de critici Guillaume Apollinaire, Roger Allard, Napoléon Roinard, Olivier-Hourcade, André Salmon en Maurice Raynal. Op maandag werd door Albert Gleizes open huis gehouden in de Parijse voorstad Courbevoie en op dinsdag kwamen velen bijeen in het Parijse café Closerie des Lilas in Montparnasse. Behalve de al genoemde schilders en schrijvers maakte ook Alexandre Mercereau deel uit van de groep. Rond 1910 nam de Parijse wijk Montparnasse de plaats van Montmartre in als de kunstenaarswijk.
De bovenstaande groepen werden ook wel de kubisten van
genoemd. Conrad Kickert omschreef de bovenstaande groepen in zijn bijdrage Oorzaak en begin van het cubisme aan de overzichtstentoonstelling van Henri le Fauconnier in 1959 in o.a. het Stedelijk Museum te Amsterdam met
De plaats van samenkomst was voor Kickert zo te zien het uitgangspunt.
Begin 1911 ontstond er een zekere concurrentiestrijd tussen deze twee groepen. Mede dankzij het feit dat enkele leden van de Montparnasse groep in de plaatsingscommissie van de Salon des Indépendants werden gekozen konden zij de inrichting van de tentoonstelling bepalen. De tentoonstelling van hun werken in zaal 41 zorgde voor internationale bekendheid. Op deze tentoonstelling bleek de groep Puteaux wel al verbindingen te hebben met de groep Closerie des Lilas, maar van samensmelting was nog geen sprake.
De kunsthistoricus Douglas Cooper gaf liever de voorkeur aan authentic, essential of true cubism, (=zuiver) van Braque, Picasso, Gris en Léger en derivative cubism (=afgeleid/ niet oorspronkelijk) van de rest. Deze laatste groep verdeelde hij in drie subgroepen, n.l.
Cooper volgde daarmee min of meer de kunsthandelaar Kahnweiler, die de vier vertegenwoordigers van het zuivere kubisme onder contract had. Kahnweiler was met zijn boek Der Weg zum Kubismus een van de personen, die het kubisme een nadrukkelijk gezicht gaf.
De Amerikaanse kunsthistoricus Daniel Robbins gaf de latere door Albert Gleizes ontwikkelde vorm de naam Epic Cubism. Rond 1920 had Gleizes een meer abstracte vormgeving ontwikkeld, die ook door Mainie Jellett werd gevolgd.
Het is ook mogelijk het kubisme in te delen naar landen.
Zie voor een indeling van de kubisten en de volgers de webpagina: Overzicht naar belangrijkheid.