In de periode 1914-1920 gingen de meeste kubisten over tot een andere kunstrichting. Bovendien werd door de Eerste Wereldoorlog het onderlinge contact verbroken. Enkelen moesten dienst nemen, anderen vluchtten voor de oorlogshandelingen. Een aantal had door de dienstneming, al of niet vrijwillig, of de lichamelijke gevolgen van de oorlog een onderbreking in de werkzaamheden, waardoor de ontwikkelingsgang gebroken werd.
Bovendien had de scheiding tussen Georges Braque en Pablo Picasso ook invloed op de verdere ontwikkeling. Georges Braque werd door de dienstneming gedwongen op te houden met schilderen, terwijl Pablo Picasso zijn ontwikkeling kon voortzetten.
In de biografieën van de schilders Pablo Picasso, Georges Braque, Juan Gris, Fernand Léger, Francis Picabia, Marcel Duchamp, Robert Delaunay wordt verder ingegaan op de veranderingen rond 1920.
Ook andere kubisten van het eerste uur verlieten tussen 1915 en 1920 de kubistische schildertrant. Na de Eerste Wereldoorlog was er een sterke culturele stroming onder de naam retour à l'ordre, die een meer realistische kunst verlangde.
De schrijver Blaise Cendrars gaf in zijn artikel Pourquoi le 'Cube' s'effrite? (=Waarom brokkelt de 'kubus' af?) in La Rose Rouge van 15 (andere bron: 5) mei 1919 als oorzaak het ontbreken van voldoende vernieuwing en verrassing.
In de Eerste Wereldoorlog probeerde Léonce Rosenberg de kubisten om zich heen te verzamelen, door contracten af te sluiten. In de periode 1914-1918 was Rosenberg vrijwel de enige koper van kubistisch werk. Al kort na de wapenstilstand in november 1918 startte Rosenberg met een reeks tentoonstellingen van kubisten in zijn in april 1918 geopende Galerie de l'Effort Moderne, Rue de la Baume 19 te Parijs. In mei 1921 organiseerde Rosenberg de tentoonstelling Maîtres du cubisme, maar door zijn medewerking als expert aan de verkopen van de geconfisqueerde bezittingen van de kunsthandelaren Kahnweiler en Uhde en de slechte opbrengst keerden de meeste kubisten zich van hem af. Om zijn investering in vele kubistische werken eruit te krijgen probeerde Rosenberg via een vijftal veilingen in Nederland in 1920 en 1921 zijn voorraad kubistische werken te verkopen.
In 1925 werd voor de laatste keer een Section d'Or gehouden. Het was de derde en laatste expositie met werken van hoofdzakelijk kubistische schilders en beeldhouwers.
Na 1925 was het kubisme praktisch totaal uitgeblust. Nog maar enkele schilders, b.v. Juan Gris en een aantal volgers maakten kubistische werken. De anderen waren reeds overgestapt naar een andere schildersrichting. Deze overschakeling was in het algemeen een reactie op het kubisme, die in de Eerste Wereldoorlog zijn aanleiding vond. De oorlog met zijn gruwelijkheden had de kubistische schilders uit hun verdoving wakker geschud.
Over het algemeen had de kubist, een enkele uitzondering daargelaten, de emotie uit zijn werk gebannen. Vanaf 1909 had hij hoofdzakelijk verstandelijk, eigenlijk te verstandelijk, gewerkt. Door deze verstandelijke werkwijze verdrong de kubist geruime tijd opzettelijk het gevoel. Tijdens de oorlog werd de kubist gedwongen aan zijn dagelijks voedsel en het leven te denken. Hierbij kwam ook het gevoel ter sprake. Bovendien werden zijn kunstwerken niet verkocht. De prijs voor de schilderijen der kubisten daalden dan ook verschrikkelijk en gelijk hiermee ook de belangstelling. De schilder ondervond dit vooral in zijn portemonnee, maar ook als miskenning van zijn kunnen. Dit laatste had invloed de gevoelens van de kunstenaar. De schilder werd er zich van bewust, dat de emotie ook een groot aandeel had in de mens. Hierbij kwam nog, dat het verstand de mens instaat had gesteld de oorlogswerktuigen te bedenken en te construeren. Als reactie volgde een vermindering van de verstandelijke uitdrukkingsmiddelen en een toename van de emotionele uitdrukkingsmiddelen. Deze terugkeer tot de min of meer werkelijke wereld had mede het verdwijnen van het kubisme tot gevolg.