Tsjechisch kubisme.

Opmerking
We spreken nu van Tsjechische kunstenaars, maar aan het begin van de 20ste eeuw bestond Tsjechië nog niet. Bohemen, het noordelijke deel, en Moravië, het zuidelijke deel van het huidige Tsjechië, was een deel van het grote Oostenrijkse-Hongaarse rijk. Pas na de Eerste Wereldoorlog werd op 28 oktober 1918 de Republiek Tsjechoslowakije uitgeroepen, dat bestond uit Bohemen, Moravië, Slowakije en Roethenië, dat na de Tweede Wereldoorlog door de Sovjet-Unie werd geannexeerd. Op 17 juli 1992 verklaarde Slowakije zich soeverein, daar men er niet in slaagde de republiek om te zetten in een federatie. Na het aannemen van een eigen grondwet op 3 september 1992 werd op 1 januari 1993 de splitsing tussen Slowakije en Tsjechië officieel.

Rond de eeuwwisseling van 19e naar de 20e eeuw kwamen verschillende Tsjechische kunstenaars in contact met de internationale stromingen. Hiervoor was vooral de in 1887 opgerichte Spolek výtvarných umelcú Mánes (=kunstenaarsvereniging Mánes), bestaande uit schilders, beeldhouwers en schrijvers, verantwoordelijk. De vereniging, genoemd naar de naturalistisch schilder Josef Mánes (1820-1871), gaf het blad Volné smery (=Vrije tendensen) uit en organiseerde tentoonstellingen te vergelijken met de 'Salon d'Automne' in Parijs. In 1902 was Auguste Rodin en in 1905 Edvard Munch de hoofdfiguur. In 1907 maakte Tsjechië op de Mánestentoonstelling kennis met de werken van de Franse impressionisten en post-impressionisten. Er waren werken te zien van Cézanne, Gauguin en Rodin. Vorm en kleur werden op een andere manier bekeken.

In 1907 werd de groep OSMA (=acht) gevormd die allereerst het fauvisme en expressionisme bewonderde, maar later het kubisme introduceerde. Deze groep werd opgericht door Buhumil Kubista, Emil Filla, Arnost Procházka, Otokar Kubin, Max Horb (-1908), Vilem Nowak (1886-1977), Bedrich Feigl en Emil-Artur Pittermann-Longen. De eerste vier waren etnische Tsjechen, de vier laatsten etnische Duitsers. De samenwerking van de twee etnische groepen was opvallend, daar de algemene tendens juist separatie was. Op 18 april 1907 opende de eerste tentoonstelling van Osma in de Králodvorská te Praag. Op de tweede tentoonstelling, gehouden in juni/juli 1908 in de Praagse galerie Topic, waren in plaats van Horb, die enkele maanden daarvoor was overleden, en van Kubin, die in Parijs verbleef, werken aanwezig van Vincenc Benes en Linka Scheithauerová, de latere vrouw van Procházka. Vooral door Frantisek Kupka, die sinds 1895 in Parijs verbleef, hadden de Tsjechische kunstenaars een directe verbinding met het kubisme als zij in Parijs op bezoek kwamen. Kupka woonde in Puteaux naast Jacques Villon en verbleef in de kring van gebroeders Duchamp.

Derain: Les Baigneurs (1908-1909)

In 1909 gingen OSMA en Mánes samen en in februari 1910 werd een tentoonstelling georganiseerd waarop een selectie van de Salon onder de naam Salon Parisien des Indépendants, waarin vele fauvistische schilderijen, werd getoond. Deze tentoonstelling was samengesteld door Kubista en door de kunsthistoricus en -criticus Antonin Matajcek, die de nieuwe Praagse stroming onder woorden bracht. Op de tentoonstelling was het nevenstaande schilderij Les Baigneurs van André Derain uit 1908-1909 te zien, waarvoor Filla een succesvolle campagne organiseerde onder de kunstenaars om 800 kronen te verzamelen voor de aankoop van het schilderij door de stad Praag. (Het schilderij is nog steeds te zien in de Národní Galerie te Praag.) Filla schreef in het tijdschrift Volné Smery (=Vrije richtingen) van de kunstenaarsvereniging Mánes onder de titel Over de verdienste van het neoprimitivisme, dat geïllustreerd was met reproducties van werken van Picasso. In 1913 stond in Volné Smery een lang artikel, genaamd Kubistická Technika, van Jean Metzinger dat in het Tsjechisch was vertaald.

1-1-1911; de groep van beeldende kunstenaars, boven van links naar rechts: Benes, Gutfreund, Josef Capek, Chochol, Karel Capek; midden lr: Gocár, Dvorák, Hofman, Janák; onder lr: Langer, Thon, Filla

In 1911 verlieten Filla en Procházka de in hun ogen conservatieve groep Mánes en stichtten zij Skupina výtvarných umelcu, UVS, de groep van beeldende kunstenaars. Op nevenstaande foto, genomen op 1 januari 1911, staan op de bovenstaande rij van links naar rechts: Vincenc Benes, de beeldhouwer Otto Gutfreund, Josef Capek, de architect Josef Chochol en de schrijver Karel Capek. Op de middelste rij van links naar rechts de architect Josef Gocar, Dvorák, Vlastislav Hofman (1884-1964) en Pavel Janák. Op de onderste rij staan Frantisek Langer, Thon en Emil Filla. Várclav Spála werd in de loop van 1911 pas lid. Zij organiseerden in Praag tentoonstellingen, o.a. in januari-februari 1912, oktober 1912, mei-juni 1913 en febrari-maart 1914, waarop behalve hun eigen werken ook Duitse expressionisten, Franse kubisten en Italiaanse futuristen te zien waren.

De eerste tentoonstelling, genaamd I. vystave Skupiny výtvarných umelcu (=1ste tentoonstelling van de groep van beeldende kunstenaars) werd gehouden van 5 januari t/m 1 maart 1912 in Obecny dum (=gemeentehuis) te Praag met de periode 1910-1912 als onderwerp. De tweede tentoonstelling werd gehouden van 28 september tot eind oktober 1912 en waar de samenhang tussen het Tsjechische kubisme en het Duitse expressionisme werd getoond.

3de Skupina, 1913 Tête de femme, 1909

Voor de tentoonstelling van mei-juni 1913, de derde, leende de kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler 31 werken uit, waaronder werken van Picasso, Braque en Gris. Ook Derain en Soffici waren aanwezig. Op nevenstaande foto, genomen op de derde expositie, zien we op de voorgrond het nevenstaande Vrouwenhoofd van Picasso uit 1909. Kramár had dit beeld op 26 mei 1911 bij Vollard gekocht. Voor de zesde tentoonstelling in februari en maart 1914 selecteerde Alexandre Mercereau werken van Delaunay, Villon, de La Fresnaye, Friesz, Gleizes, Metzinger, Lhote, Marcoussis, Mondriaan, Rivera en Duchamp-Villon, waardoor voor het eerst in Praag een groot overzicht van de kubistische beweging te zien was. Picasso, Braque en Gris waren in 1914 niet te zien. De groep organiseerde ook exposities in München en Berlijn.

In de herfst van 1911 gaf de groep voor het eerst het tijdschrift Umélecký mesicnik (=Artistiek Maandblad) uit. In dit tijdschrift stond b.v. spoedig na het verschijnen in Parijs in 1912 een vertaling van het boek Du Cubisme van Gleizes en Metzinger. In juli 1914 besteedde een geheel nummer aandacht aan de Franse kunst, met afbeeldingen van werken van Cézanne, Derain, Picasso, Braque en Tsjechische kubisten.

Door de Eerste Wereldoorlog waren vele Tsjechische kunstenaars in militaire dienst, b.v. Procházka, Kubista, Spála. Ook waren enkele niet in Tsjechië, b.v. Gutfreund, Kubin en Filla. Hierdoor was overleg moeilijk, de financiën een probleem en het organiseren van exposities bijna onmogelijk. Skupina werd in 1917 ontbonden.

De aandacht voor het Tsjechische kubisme werd vergroot door de tentoonstelling 1909-1925, Kubismus in Prag, gehouden van 28 september t/m 20 november 1991 bij de Kunstverein für die Rheinlande und Westfalen te Düsseldorf. Dit kwam mede doordat de catalogus (ISBN: 3775703373) een internationale vakprijs van de ASDA (=Association de Soutier et de Diffusion d’Art) won.

Zie voor informatie:
Tschechischer Kubismus 1912-1916 Czech Cubism uit 2001, dat uitgegeven is door Rupertinum Museum für moderne Kunst te Salzburg ter gelegenheid van de tentoonstelling van 21 juli t/m 7 oktober 2001.

Vincence Kramár

Vincence Kramár

Een andere mogelijkheid om in Praag kubistische werken te zien was de particuliere verzameling met kubistische werken van de kunsthistoricus Dr. Vincence Kramár. Kramár was gespecialiseerd in de Boheemse Gotiek, maar hield zich steeds meer bezig met de avant-garde kunst. Tot 1914 kocht hij via Kahnweiler vele werken van Braque, Picasso, Derain. Kramár bezocht diverse keren Parijs, waar hij o.a. Picasso ontmoette. In 1919 werd Krámar directeur van de Galerij van de Vereniging van Vaderlandse Vrienden van de Kunsten in Bohemen. In 1923 maakte hij met Emil Filla een reis naar Parijs om Franse kunst te kopen. De aangekochte werken werden de kern van de huidige collectie van de Národní Galerie in Praag. Behalve van Kahnweiler en Vollard kocht Kramár ook van Clovis Sagot.

In Praag ontwikkelde zich het kubisme in

Tentoonstellingen

In diverse tentoonstellingen is de periode rond 1900 onder de aandacht van het Nederlandse museumpubliek gebracht.

10 januari - 3 maart 1968Het Cubisme te Praag en de verzameling KramárMuseum Boymans - van Beuningen, Rotterdam
12 september - 15 november 1987Tsjechisch KubismeKoninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen
Drents Museum 15 november 2005 - 26 februari 2006Praagse schilderkunst 1890-1939.
Van symbolisme tot abstractie
Drents Museum, Assen

Twee vrouwen Negerkoning

Helaas waren op de laatst genoemde tentoonstelling slechts twee duidelijk kubistische schilderijen te zien, n.l. het nevenstaande (links) schilderij Twee vrouwen van Emil Filla uit 1912-1914 en het nevenstaande (rechts) schilderij Negerkoning van Josef Capek uit 1920. Daarnaast waren nog enkele werken met een kubistische invloed te zien.

Laatste wijziging: 211209