In 1867 was aan de Rue de Ravignan in de Parijse wijk Montmartre, thans Place Emile-Goudeau, een groot houten fabriekshal gebouwd door de 'mécanicien-serrurier' (=slotenmaker?) François-Sébastien Maillard. [Een andere bron: een pianofabriek] Montmartre was toen nog een gedeeltelijk bebouwde heuvel aan de rand van Parijs. Op de plaats stond rond 1860 een uitspanning genaamd Poirier-sans-Pareil. De op de top van de heuvel beeldbepalende Sacré Coeur werd pas in 1919 ingewijd.
Op 19 juni 1889 werd toestemming gevraagd om ateliers voor kunstenaars in het gebouw te maken. De architect Paul Vasseur maakte een ontwerp en op 1 juli 1889 werd het plan goedgekeurd. In 1900 was in het gebouw een groot aantal ateliers ondergebracht.
Je kwam op het hoogste niveau binnen (foto links) en via allerlei doorgangen en trappen kon je langs de heuvel naar beneden en bij de afzonderlijke ateliers (30) komen. In het hele gebouw was maar één toilet.
In totaal waren vier niveaus aanwezig (foto rechts), waarvan drie aan de achterkant. 's Zomers was het er zeer warm en 's winters vaak zeer koud. Verlichting kwam van kaarsen en/of petroleumlampen. Elektriciteit was in het begin van de twintigste eeuw nog niet aanwezig. Pas na 1920 kregen gewone huizen geleidelijk elektriciteit.
De naam Le Bateau-Lavoir is denkelijk door de dichter Max Jacob, die zelf in 1911 een ruimte huurde, gegeven wegens de overeenkomst met de in de Seine liggende wasserijboten. Daarvoor was het gebouw bekend onder de naam Maison du Trappeur.
In 1892 was de schilder Maxime Maufra de eerste huurder uit de kunstwereld. Na hem kwamen steeds meer kunstenaars, zowel schilders, beeldhouwers als schrijvers, die een atelier huurden:
november 1905 - februari 1907 | |
1911-1916 | |
1907-1922 | |
1909-1930 | |
Max Jacob | 1911 |
1914 | |
april 1904-1909/1912 | |
november 1904-voorjaar 1905 | |
Pierre Reverdy (dichter) | 1/4/1912-15/2/1913 |
André Salmon (dichter) | 1908-14/7/1909 |
Jacques Vaillant | 1908-1909 |
Volgens de schrijver Jean-Paul Crespelle in zijn boek La vie quotidienne à Montmartre au temps de Picasso 1900-1910 (1978, ISBN: 2010053222) betaalde Picasso 15 francs per maand en was de huur die Gris in 1918 betaalde 35 francs. Juan Gris nam eind 1906 het atelier over van Kees van Dongen. De schilder Jacques Vaillant was bevriend met Georges Braque. Zij hadden samen lessen gevolgd op de Académie Humbert en samen de zomer van 1904 doorgebracht in Bretagne.
Door de aanwezigheid van vele kunstenaars kwamen ook andere kunstenaars, o.a. Henri Matisse, Braque, André Derain, Raoul Dufy, Marie Laurencin, Henri Laurens, Utrillo, Jacques Lipchitz, Marie Blanchard, Jean Metzinger, Louis Marcoussis, Modigliani, de Vlaminck, naar het gebouw maar ook schrijvers als Guillaume Apollinaire, Maurice Raynal, Gertrude Stein, Roland Dorgelès en de kunsthandelaren Ambroise Vollard, Clovis Sagot, Daniel-Henry Kahnweiler en Berthe Weill. Na de Eerste Wereldoorlog verlieten de schilders het Bateau-Lavoir en Montmartre. De wijk Montparnasse aan de andere kant van de Seine werd het kunstenaarscentrum.
De schrijver Roland Dorgelès (1885-1973) schreef over het leven in Le Bateau-Lavoir en Montmartre het boekje Au beau temps de la butte, dat in 1949 in een oplage van 100 exemplaren verscheen. Kees van Dongen leverde 20 illustraties. Er is ook een editie uit 1963.
Na een gesprek met Picasso beloofde de toenmalige Minister van Culturele Zaken Le Bateau-Lavoir op de monumentenlijst te plaatsen. Op 1 december 1969 werd Le Bateau-Lavoir inderdaad op de lijst geplaatst, maar op 12 mei 1970 ging Le Bateau-Lavoir echter in vlammen op.
Eind 1975 begin 1976 werd in Musée Jacquemart-André, Boulevard Haussmann 158 te Parijs, de tentoonstelling Le Bateau-Lavoir berceau de l'art moderne gehouden. Bij de tentoonstelling verscheen het boek La Grande Aventure du Bateau-Lavoir van Janine Warnod.
Bij de brand in 1970 ging niet alles in vlammen op. Het gedeelte aan de voorkant in de Rue de Ravignan bleef gespaard en in ere gehouden. In mei 2008 was de voorkant in goede conditie zoals u op bovenstaande foto kunt zien. Zoals gebruikelijk in Frankrijk staat er bij het gebouw een toeristisch schild met informatie. Bovendien heeft men in het nevenstaande gebouw op nummer 11 in de etalage voor de toerist extra informatie, die afkomstig is uit het hierboven genoemde boek van Janine Warnod.
De Nederlandse schilder Kees van Dongen verbleef vanaf 1949 geregeld in zijn villa Bateau-Lavoir in Monaco. Vanaf 1959 woonde het echtpaar uitsluitend in deze villa te Monaco. Zijn weduwe Marie-Claire Huguen verwijderde de naam daar zij niet steeds door kunstliefhebbers aangesproken wilde worden.