Op 10 februari 1913 verscheen het eerste nummer van het tijdschrift Montjoie!, dat opgericht was door Italiaanse dichter Ricciotto Canudo. Van het tijdschrift dat volgens Canudo la seule Gazette d'Art d'avant-garde, qui, par sa collaboration littéraire, artistique et musicale et par sa défense intransigeante des vrais intérêts de l'Art, par ses larges 'affirmations' comme par ses justes 'demolitions', donne l'idée précise de tendances de l'énergie de toute un génération d'artistes en pleine et vigoureuse éclosion (=het enige kunstblad van de avant-garde) verschenen tot juni 1914 dertien nummers.
In het eerste en tweede nummer, dat op 25 februari verscheen, stond het door Gleizes geschreven artikel Cubisme et la tradition, waarin Gleizes de invloed van de Italiaanse Renassance op de Franse kunst beschreef. In het derde nummer, 14 maart 1913, stond een artikel van Guillaume Apollinaire over Picasso. Apollinaire besprak o.a. het z.g. faux bois, het geschilderde hout. Picasso had dit geleerd van Braque, die het tijdens zijn opleiding tot decoratieschilder in Le Havre had geleerd.
In het eerste nummer van 1914 stond een artikel van Maurice Raynal over het op 17 maart 1913 verschenen boek Méditations esthétiques. Les Peintres Cubistes van Guillaume Apollinaire. Het tijdschrift schonk aandacht aan gedichten, proza, artikelen over kunst, literatuur en geschiedenis. Medewerkers waren o.a. André Salmon, Igor Stravinsky, Erik Satie, Fernand Léger, Guillaume Apollinaire, Blaise Cendrars, Raoul Dufy, Stefan Zweig, Robert Delaunay, Max Jacob, Emile Verhaeren.
Nummer 7 had als datum 16 mei 1913. In de nummers van 29 mei (nr. 8), 14 en 29 juni 1913 (nr. 9-10) stond in drie afleveringen het artikel Les Origines de la Peinture et sa Valeur Représentative van Léger. Het was een voordracht van Léger over het werk van Cézanne, die hij had gegeven op 5 mei 1913 op de Académie Vasilieff.
Het derde nummer van de tweede jaargang, 18 maart 1914, was geheel gewijd aan de Salon des Indépendants. Bij het artikel van André Salmon stond o.a. het nevenstaande schilderij L'Hommage à Blériot van Robert Delaunay uit 1914, dat in 1962 eigendom werd van het Kunstmuseum te Bazel. In deze uitgave stonden ook afbeeldingen van Marc Chagall, Alice BaillyJacques Villon, Sonia Delaunay, André Lhote, Roger de la Fresnaye, Moise Kisling (1891-1953), Ossip Zadkine, Valentine de Saint-Point, Joseph Csáky en Lucien Laforge (1889-1952).
Het laatste nummer van Montjoie! was nummer 4-6, april-juni 1914, van de tweede jaargang. Het tijdschrift stopte aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog.
Volgens de filmcriticus Giuseppe Lo Duca in het tijdschrift Cinema, 10 januari 1942, werd er door het tijdschrift Montjoie! ook avonden georganiseerd in een oude graanschuur in de Chaussé d'Antin 38 te Parijs. Op zo'n avond, Lundis de Montjoie!, had hij Picasso, Ravel, Dufy, d'Annunzio, Zweig, Romain Rolland, Cendrars, Lhote en Apollinaire daar ontmoet.
Ricciotto Canudo werd in Gioia del Colle (Zuid-Italië) op 2 januari 1877 (andere bron: 1879) geboren en kwam in 1902 naar Parijs. Hier ontmoette hij in 1903 Valentine de Saint-Point (werkelijke naam Anna Jeanne Valentine Marianne Vercell, 1875-1953), die na het overlijden van haar eerste man, Florian Perrenot, sinds 20 juni 1900 getrouwd was met Charles Dumont. Op 20 januari 1904 werd de scheiding uitgesproken en leefden Valentine en Canudo tot het begin van de Eerste Wereldoorlog samen. Zij waren goede vrienden van Apollinaire, die Canudo in 1902 had ontmoet bij de avonden georganiseerd door het tijdschrift La Plume. Canudo was redacteur van dit tijdschrift. Apollinaire schreef in het nummer van 15 mei 1905 van het tijdschrift een artikel over Picasso. Canudo is mede bekend geworden door zijn inspanningen om film als kunst te zien. Op 25 oktober 1911 verscheen van Canudo het artikel La Naissance d'un sixième art - Essai sur le cinématographe. Hij noemde de film de zesde kunst en publiceerde in 1914 in Le Figaro een artikel genaamd Manifeste de l'art cérébriste.
Volgens de autobiografie van Gino Severini was Canudo in Parijs bekend geworden door een aantal lezingen over Dante. Severini beschreef ook de spraakmakende voordracht van Valentine de Saint-Point over lust in de Salle Gaveau in de Rue La Boétie 45-47 in Parijs.
Op 29 juli 1914 riep Canudo samen met de dichter Blaise Cendrars, pseudoniem voor Frédéric Sauser (1887-1961), de buitenlanders in Frankrijk aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog op om voor Frankrijk te gaan vechten in een artikel met als titel Appel aux étrangers vivants en France. De oproep werd herhaald in vele andere kranten.
Canudo deed zijn oproep eer aan door zelf in dienst te gaan en te vechten in Macedonië. Saint-Point ging werken bij het Rode-Kruis en was secretaresse voor Rodin. In 1916 ging zij via Spanje naar New York in verband met een theateruitvoering. Canudo raakte gewond aan zijn voorhoofd tijdens de oorlog. Tijdens Picasso's bezoek aan Rome in verband met de voorbereidingen voor Parade ontmoette Canudo diverse malen Picasso. Op nevenstaande foto, genomen op 27 februari 1917, staan Picasso, Canudo en Natalja Gontscharowa. Canudo, die legerofficier was bij de Zouaven, was denkelijk op verlof en vertrok begin april 1917 naar Saloniki (=Thessaloniki), Griekenland. In 1918 tekende Picasso een portret van Canudo. In 1921 werkte Canudo mee aan het ballet Skating Ring à Tabarin dat 12 keer werd uitgevoerd door Ballets Suédois van Rolf de Maré. De choreografie was van Jean Börlin, het decor was gemaakt door Léger en de muziek was van Honegger. Canudo overleed op 10 november 1923 in Parijs.
Van 25 t/m 27 november 1977 werd een internationaal congres gehouden ter gelegenheid van de honderste geboortedag van Canudo door het Instituto di Linqua e Letteratura Francese de l'université de Bari en de gemeente Gioia del Colle.