Na de overname van de macht op 30 januari 1933 door Hitler werd op 30 juni 1933 het Reichsministeriums für Volksaufklärung und Propaganda opgericht. Een direct gevolg was de oprichting van de Reichskulturkammer op 22 september 1933 onder leiding van Joseph Goebbels, waar elke kunstenaar lid van moest worden. Onder leiding van de schilder Adolf Ziegler, die voorzitter was van de Reichskammer van de beeldende kunst en geholpen door een aantal kunsthistorici waaronder Klaus Graf von Baudissin, de directeur van het Folkwang Museum in Essen, begon men met het verzamelen van werken uit musea en privé collecties, die volgens hen niet de Duitse Cultuur weergaven.
De publieke mening werd beïnvloed met tentoonstellingen. In 1933 werd in Karlsruhe een z.g. Schandausstellung gehouden van 'officiële' kunstwerken uit Duitse musea, die tussen 1918 en 1933 waren aangekocht. Hieronder waren vooral werken van de leden van Die Brücke en Der Blaue Reiter. Elk werk was voorzien van de prijs die het museum betaald had. Men wilde het publiek, dat het economisch zeer moeilijk had, laten zien hoe het belastinggeld gebruikt was. Een soortgelijke tentoonstelling werd daarna in Stuttgart georganiseerd met werken van Marc Chagall, Max Beckmann en Otto Dix. Hierna volgden o.a. nog Dresden, Nürenberg, Dessau, Dresden en Mannheim. Gelijktijdig werden meer dan twintig museumdirecteuren en assistenten van museum, die in de afgelopen jaren deze kunstwerken hadden gekocht, ontslagen. Ook docenten aan kunstacademies, die de avant-garde steunden, werden ontslagen. Slachtoffers waren o.a. Willi Baumeister, Max Beckmann, Otto Dix, Paul Klee, Oskar Moll, Heinrich Campendonck, Ernst Ludwig Kirchner, Oskar, Kokoschka, Max Liebermann en Ludwig Mies van der Rohe.
De afwijzing van dadaïsme, futurisme en kubisme begon al eerder. In het boek Mein Kampf van Adolf Hitler uit 1924 waren deze stromingen de symptomen van de degeneratie van de maatschappij. In mei 1928 werd door Alfred Rosenberg de Nationalsozialistische Gesellschaft für deutsche Kultur opgericht, waarvan de naam op 19 december werd veranderd in Kampfbund für deutsche Kultur en die directer ageerde tegen de moderne kunst. Op 6 juni 1934 ging de Kampfbund op in de NS-Kulturgemeinde.
Op de partijdag 1934 in Nürnberg zei Hitler Das Kunst- und Kulturgestotter von Kubisten, Futuristen und Dadaisten ist weder rassisch begründet noch völkisch erträglich. Op de rijkspartijdag 1935 hield Hitler een rede waarin hij de mening van het nationaalsocialisme op de kunst weergaf.
Fest stand der Entschlusz, die dadaistisch-kubistischen und futuristischen Erlebnis- und Sachlichkeitsschwätzer unter keinen Umständen an unserer kulturellen Neugeburt teilnehmen zu lassen. Dies wird die wirkungsvollste Folgerung aus der Erkenntnis der Art des hinter uns liegenden kulturzerfalls sein. Nein, hier gibt es nur zwei Möglichkeiten: entweder diese 'sogenannten Künstler' sehen die Dinge wirklich so und glauben daher an das, was die darstellen, dann wäre nur zu untersuchen, ob ihre Augenfehler entwederauf mechanische Weise oder durch Vererbung zustande gekommen sind. Im einen Fall tief bedauerlich für diese Unglücklichen, im zweiten wichtig für das Reichsinnenministerium, das sich dann mit der Frage zu beschäftigen hätte, weinigstens eine weitere Vererbung derartiger grauenhafter Sehstöringen zu unterbinden. Oder aber sie glauben selbst nicht an die Wirklichkeit solcher Eindrücke, sondern sie bemühen sich aus anderen Gründen, die Nation mit diesem Humbug zu belästigen, dann fällt so ein Vergehen in das Gebiet der Strafrechtsplege.
Het gevolg was het wegstoppen van de moderne kunst in de depots van de musea. Op 5 juni 1937 schreef Goebbels voor het eerst het idee op in zijn dagboek om een tentoonstelling Kunst der Verfallszeit te houden. Hij besprak het idee met Hitler en na diens instemming gaf Goebbels een kleine commissie opdracht de werken te verzamelen voor de Verfallskunst-Ausstellung. Vanaf juni 1937 begon het leeghalen van musea met het oog op een te houden propagandistische tentoonstelling, de z.g. tentoonstelling Entartete Kunst (=ontaarde kunst). Gebruik werd gemaakt van een door schilder Wolfgang Willrich (1897-1948) en tekenleraar Walter Hansen aangeleverde lijst. Naar schatting werden ruim 5000 schilderijen, beeldhouwwerken en grafische werken in beslaggenomen uit 32 musea. De meeste werken, n.l. 1273, werden gehaald uit het Folkwang Museum te Essen, daarna volgde de Kunsthalle te Berlijn met 1252 en het Staatsmuseum te Berlijn met 1152. Ook de musea te Dresden, Düsseldorf, Hannover en Chemnitz werden leeggehaald. Adolf Ziegler zei bij zijn aanstelling als organisator van de tentoonstelling In Durchführung meines Auftrages, alle Dokumente des Kunstniedergangs und der Kunstentartung zusammenzutragen, habe ich fast sämtliche deutschen Museen besucht... Die hier gezeigten Produkte sind allerdings nur ein Teil - es hätten Eisenbahnzüge nicht gereicht, um die deutschen Museen von diesem Schund auszuräumen. Das wird noch zu geschehen haben, und zwar in aller Kürze.
De kunstenaars die het meest te lijden hadden van de verwijdering waren van Joodse afkomst en/of vertegenwoordigers van het Expressionisme. Zij waren in de Duitse musea zeer sterk vertegenwoordigd. Van Emiel Nolde werden meer dan duizend werken verwijderd, van Erich Heckel 729 en van Karl Schmidt-Rottluff 608.
Op 19 juli 1937 werd in het oude galeriegebouw van de Hofgartenarkade in München met een deel van de werken een expositie onder dezelfde naam gehouden. Het vijfkoppige organisatiecomité stond onder leiding van Adolf Ziegler, die bij de opening zei: Sie sehen um uns herum diese Ausgeburten des Wahnsinns, der Frechheit, des Nichtkönnertums und der Entartung. De tentoonstelling was gratis toegankelijk, maar voor de jeugd verboden. Twee andere comitéleden waren Klaus Graf Baudissen en Wolfgang Willrich. Willrich had de term Ertartung (=ontaarding) al op 12 april 1913 in een zitting van het Pruisische Huis van Afgevaardigden (te vergelijken met onze Tweede Kamer) gebruikt om zijn ongenoegen te tonen over de Sonderbundtentoonstelling te Keulen. De eerste schrijver die het woord gebruikte in verband met kunst was Max Nordau in zijn novelle Entartung uit 1893. Op de nevenstaande foto zien we het schilderij Composition van Mondriaan, dat in 1929 door het Landesmuseum Hannover voor 420 mark was gekocht.
De tentoonstelling Entartete Kunst werd een dag later geopend dan een grote tentoonstelling van 'gewenste' Duitse kunst Großen Deutschen Kunstausstellung in het Haus der Deutschen Kunst. Meer dan twee miljoen bezoekers kwamen kijken naar de Entartete Kunst, waaronder Hitler en Goebbels, in München. De officiële expositie in München trok slechts ruim zeshonderdduizend bezoekers.
Op de tentoonstelling verdeeld over zeven zalen op twee verdiepingen hingen o.a. twee werken van Piet Mondriaan. Daarnaast vele werken van kunstenaars die eerder in Der Sturm hadden gestaan, b.v. Marc Chagall, Max Ernst, Ernst Ludwig Kirchner, Wassily Kandinsky, Oskar Schlemmer, Lyonel Feininger, El Lissitzky, Max Beckmann, Friedrich Vordemberge-Gildewart, Paul Klee, Emil Nolde. Van Ernst Ludwig Kirchner werden 32 van de 639 in beslaggenomen werken getoond. In totaal werden ongeveer 650 werken van 112 kunstenaars tentoongesteld. De catalogus Entartete Kunst kostte slecht 30 Pfenning.
De tentoonstelling werd in de periode februari 1938 - april 1941 in een gewijzigde vorm ook gehouden in Berlijn, Leipzig, Düsseldorf, Hamburg, Frankfurt am Main, Wenen, Salzburg, Stettin en Halle en trok nogmaals een miljoen bezoekers. In Hamburg werd de tentoonstelling van 11 november t/m 31 december 1938 in het Ausstellungshaus der Schul:verwaltung, Spitalerstrasze 6, gehouden. Op de nevenstaande reclameposter van deze tentoonstelling zien we het karakteristieke hoofd van de kunsthandelaar Alfred Flechtheim.
Na een bespreking van de tentoonstelling in de Deutsche Allgemeinde Zeitung van 20 juli 1937 volgde een door Bruno Erich Werner (1896-1964) opsommingslijst van de 'deelnemende' kunstenaars. Het gevolg was, dat vanaf augustus 1937 deze lijst diende als uitgangspunt voor een tweede zuivering. Niet het werk maar de naam van de kunstenaar werd de reden van het in beslag nemen. Op 31 mei 1938 werd een wet van kracht, die de inbeslag genomen werken tot staats eigendom verklaarde. Uitgezonderd werden werken, die eigendom waren van buitenlanders. Het aantal in beslag genomen werken kwam door deze tweede zuivering op 12.890.
In Hannover werd op 10 augustus 1937 het Abstracte Kabinett in het Provinzial-Museum, dat sinds 1933 Landesmuseum heette, afgebroken door de opvolger van Dr. Alexander Dorner. Dorner, die de kunstenaar El Lissitzky (1890-1941) in 1926 de opdracht voor het Abstracte Kabinett had gegeven en abstracte kunst had aangekocht, kreeg per 1 februari 1937 officieel ontslag, nadat hij beschuldigd werd van erheblicher Dienstvergehen (=ernstig wangedrag). Dorner werd opgevolgd door zijn medewerker Ferdinand Stuttmann (1897-1968), die tot 1962 directeur van het museum bleef.
Vele kunstenaars, die als ertartet bestempeld werden, ontvluchtten Duitsland tussen 1933 en de Tweede Wereldoorlog. Van Oskar Kokoschka, die in 1938 uiteindelijk in Londen zich vestigde, werden 417 kunstwerken uit de officiële verzamelingen verwijderd. Lyonel Feininger vertrok op 11 juli 1937 naar de Verenigde Staten. Anderen waren buitenlanders, zoals b.v. Edvard Munch.
Behalve het verwijderen van de kunstwerken uit musea, b.v. van Franz Marc (1880-1016), kregen vele kunstenaars een z.g. Berufsverbot, waardoor zij niet meer als kunstenaar mochten werken. Dit overkwam o.a. Willi Baumeister, Erich Buchholz, Walter Dexel, Conrad Felixmüller, Otto Freundlich, Paul Fuhrmann, Erich Heckel, Rudolf Jahns, Edmund Kesting, César Klein, Ludwig Meidner, Moritz Melzer, Emil Nolde, Max Pechstein, Karl Schmidt-Rottluff, Kurt Schwitters (emigreerde in 1937 naar Noorwegen), Georg Tappert, William Wauer. Ook kwam het voor dat slechts een deel van de werken als entartet werd bestempeld en/of in beslag werd genomen. Dit overkwam b.v. Heinrich Campendonk, Carl Mense, Georg Schrimpf. Sommigen hadden al of niet tijdelijk een expositieverbod, b.v. Hans Jaenisch, Georg Muche, Oskar Nerlinger.
Het nevenstaande schilderij Saint-Séverin no 3 uit 1909 en nu te zien in het Solomon R. Guggenheim Museum te New York werd op 28 augustus 1937 tijdens de tweede zuiveringcampagne als Entartete kunst in beslag genomen en naar Berlijn afgevoerd. De kunsthistoricus G.F. Hartlaub, die van 1923 tot 1933 directeur was van de Mannheimer Kunsthalle, had het werk in 1927 voor het museum gekocht. Hiermee was het schilderij het eerste werk van Delaunay, dat door een offcieel museum werd aangekocht. Delaunay bracht het schilderij volgens een brief van Delaunay aan Hartlaub, zelf naar Mannheim in juli 1927 en herstelde daar de schade die door oprollen in het verleden was ontstaan. Het werk was door Herwarth Walden tussen 1921 en 1924 een tiental keren tentoongesteld en daarna opgerold om lange tijd te bewaren.
Dankzij een schenking van de Londense kunsthandelaar Harry Fischer aan het Victoria and Albert Museum te Londen in 1997 is een complete lijst van ruim 30.000 werken uit Duitse museum verwijderde kunstwerken bekend. Hij bezat het tweede deel van de lijst. De eerste helft van de lijst, die alfabetisch was gerangschikt op plaatsnaam, van Aachen tot Greifswald was al eerder gevonden. Op de lijst staan de oorspronkelijke plaats, de naam van de eigenaar en soms ook de geschatte waarde. Bovendien werd elk werk gefotografeerd.
Van 1 mei t/m 31 december 2005 was in Tate Modern te Londen de tentoonstelling Degenerate Art, die aandacht schonk aan de verboden kunst uit 1937. Eerder, n.l. in 1962, was er al de tentoonstelling Entartete Kunst in München om de ingrijpende gebeurtenis op kunstgebied na 25 jaar te herdenken.
Van 20 juni t/m 30 december 2007 werd in het Sprengel Museum te Hannover de tentoonstelling 1937. Auf Spurensuche - Zur Erinnerung an die Aktion 'Entartete Kunst' gehouden. Van negentien kunstenaars, n.l. Max Beckmann (2), Fritz Burger-Mühlfeld, Walter Dexel, Otto Dix (4), Max Ernst (2), Otto Gleichmann, Wassily Kandinsky, Ernst Ludwig Kirchner, Paul Klee, Oskar Kokoschka, El Lissizky, August Macke, Franz Marc, Piet Mondriaan, Otto Müller, Emil Nolde, Oskar Schlemmer en Kurt Schwitters, waren schilderijen te zien, die ook in 1937 te zien waren geweest.
In 1938 stelde Goebbels de Kommision zur Verwertung der Produkte entartete Kunst in om buitenlandse deviezen te verkrijgen. Hiervoor werden vier kunsthandelaren gebruikt, n.l. Ferdinand Möller uit Berlijn, Hildebrand Gurlitt uit Hamburg, Karl Buchholz uit Berlijn en Bernhard A. Boehmer uit Güstrow. Uit het contract van 5 mei 1939 met Karl Buchholz bleek, dat de kunsthandelaar 25% van de opbrengst verdiende. Ondanks Dr. Franz Hoffmann, een lid van de commissie, die minstens in twee brieven aan Goebbels toestemming vroeg om over te gaan tot verbranding van de kunstwerken, die nog in het Berlijnse depot lagen, werden niet alle in beslaggenomen werken vernietigd. Volgens een andere bron haalde Hoffmann Hitler over om Goebbels tegen te houden en door verkoop van de schilderijen en beeldhouwwerken deviezen te verkrijgen. De verkoopopdracht kreeg de Zwitserse galeriehouder Theodor Fischer (1878-1957) in Luzern. Hij stelde 125 schilderijen en beeldhouwwerken tentoon in het Zunfthaus z. Meise te Zürich van 17 t/m 27 mei 1939 en daarna van 30 mei t/m 29 juni in de Galerie Fischer te Luzern.
Zelfs in de Verenigde Staten werd geadverteerd, gezien het nevenstaande deel van een advertentie in Art News van 29 april 1939. In de advertentie werden de namen vermeld van Braque, Chagall, Derain, Ensor, Gaugain, van Gogh, Laurencin, Modigliani, Matisse, Pascin, Picasso, Vlaminck, Marc, Nolde, Klee, Hofer, Rohlfs, Dix, Kokoschka, Beckmann, Pechstein, Kirchner, Hecke, Grosz, Schmidt-Rottl, Müller, Moderson, Macke, Corinth, Liebermann, Amiet, Baraud, Feininger, Levy, Lehmbruck, Mataré, Marcks, Archipenko en Barlach. Uitsluitend bij de naam van Gogh stond tussen haakjes Self-portrait. Juist dat schilderij is te zien op de bijgaande foto van de veiling. Op 30 juni 1939 werd een deel van de Entartete Kunst verkocht tijdens een veiling Gemälde und Plastiken moderner Meister aus Deutschen Museen in Grand Hotel National te Luzern. Het zelfportret van van Gogh, dat afkomstig was uit het museum van München, bracht met 175.000 Zwitserse Francs het meeste op. De opbrengst van de veiling was 570.940 Zwitserse Francs en 28 werken waren niet verkocht, waarvan enkele nog privé werden verkocht. Hierdoor bleven deze werken in ieder geval gespaard voor vernietiging. Dat gebeurde wel met 1004 schilderijen en 3825 grafische werken, die door de Berlijnse Brandweer op 20 maart 1939 via een enorme brandstapel werden verbrand. Dat was ook het geval met werken van Paul Klee, Max Ernst, Fernand Léger, Pablo Picasso en Miró die op 27 maart 1943 openbaar werden verbrand in Parijs.
De veiling werd volgens de schrijver van Adrichem o.a. bijgewoond door de kunstverzamelaar P.A. Regnault, de schilder Quirijn van Tiel en de directeur van het Haags Gemeentemuseum, H.E. van Gelderen. Zij kochten niets. De resultaten van de veiling werden beschreven door S. Barron in het artikel The Galerie Fischer Auction in de catalogus van de tentoonstelling Degenerate Art. The fate of the avant-garde in nazi-Germany (ISBN: 0-8109-3653-4), die van 17 februari t/m 12 mei 1991 werd gehouden in het Los Angeles County Museum of Art en van 22 juni t/m 8 september 1991 in het Art Institute of Chicago.