Zomertentoonstellingen Domburg

Domburg met rechts het tentoonstellingsgebouw

Inleiding.

De badplaats Domburg was tussen 1911 en 1920 een middelpunt van de avant-garde. De schilders Jan Toorop, Piet Mondriaan, Jacoba van Heemskerck, Lodewijk Schelfhout, de schrijvers van Schendel, Roland Holst en Verwey en de Domburgse families Elout en Drabbe ontmoetten elkaar in Domburg. Domburg werd bekend door de arts Johann Georg Mezger (1838-1909), die vanaf 1887 (andere bron: 1874) de maanden augustus en september in Domburg doorbracht en vele belangrijke personen uit Europa ter consult ontving. Zij zochten onderdak in het dorp en velen kwamen de volgende jaren terug voor een badkuur. Domburg groeide uit door de opkomst van de badcultuur. Metzer was in Domburg denkelijk terecht gekomen door zijn tweede huwelijk met de Middelburgse Pieternella Borsius.

Toorop: Generaal Drabbe en zijn dochter Mies, 1898, afm.: 24 x 31 cm

Jan Toorop logeerde in 1898 in het Badhotel van Domburg en het volgend jaar bij de familie Drabbe, die bestond uit de gepensioneerde genie-generaal Johan Drabbe, zijn vrouw Louisa Boogaert en de nog thuiswonende jongste dochter Mies.

Mies, Paul en Fransje Elout, 1905

In 1902 trouwde Mies met Paul Elout, de tweede zoon van een oud-burgemeester van Domburg. In 1903 werd Paul directeur van de Domburgsche Zeebadinrichting en hij zorgde voor allerlei evenementen o.a. in het Badpaviljoen. Deze evenementen en andere voor een badplaats belangrijke gegevens werden tijdens de zomerperiode vanaf juli 1883 op initiatief van de gemeentesecretaris H.M. Kesteloo beschreven in het Domburgsch Badnieuws. Denkelijk was Toorop door de kunstenaar Henry van de Velde (1863-1957), die later voor Helene Kröller-Müller nog een ontwerp voor een museum zou maken, op Domburg opmerkzaam gemaakt.

In het Domburgsch Badnieuws werd ook bijgehouden wie de zomer in Domburg doorbrachten. Zo bracht Jan Toorop in 1904 Otto van Rees mee. Van Rees was vergezeld van de al eerder (1898) in Domburg gewezen Adya Dutilh. Denkelijk ging van Rees op advies van Toorop in oktober 1904 naar Parijs. In september 1908 werd Piet Mondriaan voor het eerst vermeld. In 1909 bracht Mondriaan de zomer en een groot deel van de winter in Domburg door.

Zomertentoonstellingen

Tentoonstellingsgebouw, 1911

In 1910 werd overlegd over een jaarlijkse zomerexpositie. Jan Toorop maakte de plannen en Mies Elout hielp hem. Het Badhotel keurde men af wegens de slechte lichtval in de grote zalen en Toorop maakte daarop een schetsontwerp van een eenvoudig withouten tentoonstellingsgebouwtje. Het tentoonstellingsgebouwtje had een oppervlakte van 60 m2 en kostte f 950,- bij de 'Timmermanswerkplaats Schout'.

1911

Op zaterdag 29 juli 1911 werd de eerste tentoonstelling van 'op Walcheren gevestigde of aanwezige' schilders onder de naam Tentoonstelling van Schilderijen en Teekeningen van Walchersche Schilders, Juli-Augustus '11' geopend. Twaalf schilders, waaronder Mondriaan, Toorop, Charley Toorop, Mies Elout-Drabbe en Jacoba van Heemskerck, lieten tot 21 augustus hun werken zien. Een najaarsstorm op 30 september zorgde ervoor dat het tentoonstellingsgebouwtje beschadigd werd en een steviger fundament moest krijgen. Voor f 466,- werd een fundering gemaakt. Voor meer vastigheid werd een comité opgericht, bestaande uit Jan Toorop, Ferdinand Hart Nibbrig, Jacoba van Heemskerck, Mies Elout-Drabbe en Jan Heyse.

1912

Voorkant catalogus 1912

Aan het begin van de zomer van 1912 werd het tentoonstellingsgebouwtje weer opgebouwd voor de Tentoonstelling van Schilderijen DOMBURG, juli-Augustus 1912, die gehouden werd van 27 juli t/m 26 augustus. Onder de vijftien deelnemers, die 82 werken tentoonstelden, was Lodewijk Schelfhout een nieuwe. In de openingstoespraak zei Jan Toorop over zijn werk: 'Wij hebben verder een nieuwen kunstenaaar onder ons gekregen, die de richting der cubisten vertegenwoordigt en wiens buitengewoon interessante werken van dramatisch-rhytmisch beweeg van complementaire en contrasteerende lijnen sterk spreken, in een volle harmonie van gedempte tonen.' In Onze Kunst schreef Albertine de Haas dat 'cubistische uitingen ... dadelijk belangstelling trekken'. Zij noemde Jacoba van Heemskerck en Lodewijk Schelfhout de pioniers. In de catalogus stonden de prijzen vermeld van 79 werken. Uit recensies bleek dat er minstens 3 extra werken aanwezig waren.

1913

L'Arbre en hiver, afm.: 35,7 x 29,9 cm, 1913

In 1913 kwam o.a. de schilder Peter Alma en de kunsthandelaar Wilhelm Uhde naar Domburg. Mondriaan nam dit jaar niet deel aan de tentoonstelling. Schelfhout liet op de tentoonstelling o.a de ets L'Arbre en hiver uit 1913 zien. Het werk is nu in Museum Boymans-van Beuningen te Rotterdam.

1914

De politieke ontwikkelingen op de Balkan en de dreiging van de Eerste Wereldoorlog zorgden voor minder gasten uit het buitenland, maar Herwarth en Nell Walden brachten wel een bezoek aan Domburg. Mondriaan, die wegens ernstige ziekte van zijn vader op familiebezoek in Nederland was, werd door het uitbreken van de oorlog gedwongen hier te blijven. Hij verbleef in Domburg in het huis van Bine de Sitter, die tijdelijk de zorg voor het huishouden van de pas weduwnaar geworden historicus Johan Huizinga (1872-1945) op zich had genomen. De tentoonstelling bevatte werken van 25 deelnemers, waaronder Kickert, Charley Toorop, van Heemskerck en de in Veere verblijvende Le Fauconnier.

1915

Domburg had door de oorlog een groot aantal Belgische vluchtelingen, die het wegblijven van gasten voor een deel compenseerde. De tentoonstelling werd op 31 juli geopend, maar bevatte geen werken van Jacoba van Heemskerck.

1916

Voor het eerst kregen ook schilders buiten Walcheren op aanraden van Jan Toorop een uitnodiging voor de tentoonstelling. Hierdoor waren werken van Jan Sluijters te zien. Lodewijk Schelfhout had twee werken hangen op de tentoonstelling, nadat hij twee jaar afwezig was geweest.

1917

De tentoonstelling van 1917 liet vele richtingen zien. Aanwezig waren o.a. werken van Peter Alma en Theo van Doesburg.

1918

Voor het eerst werd er geen tentoonstelling georganiseerd.

1919 - 1921

In de jaren 1919, 1920 en 1921 werd steeds een tentoonstelling georganiseerd. In 1920 nam Jacoba van Heemskerck weer deel. Met tien werken had zij de grootste inzending. Door storm en slecht weer in de winter van 1921 op 1922 werd het tentoonstellingsgebouw zwaar beschadigd. De resten werden neergehaald en hiermee kwam een einde aan de jaarlijkse tentoonstellingen, die vooral in de beginjaren 'revolutionaire' luministische en kubistische werken lieten zien.

Zie voor verdere informatie:

Reünie op 't Duin Mondriaan en tijdgenoten in Zeeland ISBN 90-6630-487-1
een uitgave ter gelegenheid van de tentoonstelling in het Zeeuws Museum van 17-9-1994 t/m 15-1-1995.

2010

2010 2010

Op 11 juni 2008 opende minister-president Jan Peter Balkenende het gerestaureerde en herbouwde complex, dat op de plaats staat van het eerste badpaviljoen. Aan de zeezijde is het nevenstaande bord met enkele historische gegevens te lezen.




links, 2010 midden, 2010 rechts, 2010 zijkant, 2010

Het verloren gegane tentoonstellingsgebouw van het begin van de twintigste eeuw is in 1994 herbouwd in het centrum van Domburg en functioneert als het Marie Tak van Poortvliet Museum. Het oorspronkelijke gebouw stond schuin tegenover het Badpaviljoen op het duin.


Laatste wijziging: 150911