Mona Lisa en kubisten.

Mona Lisa

Vanaf 6 april 2005 is de Mona Lisa te zien in het speciaal voor de Mona Lisa voor ongeveer 4,8 miljoen Euro gerenoveerde Salle des Etats in het Louvre te Parijs. Dankzij het Japanse Televisiestation NTN, die het geld beschikbaar stelde, is dit in de afgelopen vier jaar tot stand gekomen. Denkelijk bezoeken ongeveer vijf miljoen mensen het komend jaar de Mona Lisa.

Het door Leonardo da Vinci (1452-1519) in 1503-1506 geschilderde portret van de vrouw van Francesco del Giocondo, genoemd La Gioconda, heeft ook verschillende verbindingen met schilders die bekend zijn via het kubisme. De eerste verbinding was echter de 'woordvoerder' van het kubisme, Guillaume Apollinaire.

L'Affaire des Statuettes

Apollinaire met handboei (in cirkel), sept 1911

Op 7 september 1911 werd Apollinaire betrokken in het onderzoek naar de diefstal van de Mona Lisa op 21 augustus 1911. De inspecteur Robert van de Sûreté kwam met een huiszoekingsbevel naar Apollinaire en na afloop werd Apollinaire voor ondervraging meegenomen naar de Santé. Apollinaire had op 24 augustus 1911 een artikel in L'Intransigeant gepubliceerd, waarin de beveiliging van het Louvre als onvoldoende werd beschreven. Apollinaire werd ondervraagd door de juge d'instruction Drioux en 's avonds naar de gevangenis gebracht. Picasso werd 's morgens om zeven uur op 8 september door de politie thuis opgehaald om voor een onderzoeksrechter te verschijnen. Tot verbijstering van Apollinaire ontkende Picasso hem ooit te hebben gezien, maar dit werd door Fernande, de vriendin van Picasso, in haar boek ontkend. Het was het begin van de verwijdering tussen Apollinaire en Picasso. Op 10 september publiceerde Paris-Journal een oproep tot vrijlating. Ondertekenaars waren o.a. de schrijvers André Salmon, Cremnitz, Ricciotto Canudo, Max Jacob en Louis Vauxcelles en de schilders Robert Delaunay en Fernand Léger, benadrukten dat een journalist zijn bronnen moest beschermen. Pas op 12 september (andere bron: 13 sept.) werd Apollinaire, die werd bijgestaan door zijn vriend, de advocaat José Théry, en de advocaat Arthur Fraysse, voorlopig vrijgelaten. Op 19 januari 1912 was Apollinaire geen verdachte meer en werd hij officieel van vervolging ontslagen.

Iberisch hoofd, 5-3de eeuw voor Chr. Vrouwenhoofd, 5-3de eeuw voor Chr.

Beiden waren bij de diefstal betrokken geraakt door de Belg Géry Piéret, die enige tijd als secretaris voor Apollinaire werkte. Volgens de geliefde van Apollinaire, Marie Laurencin, vroeg Piéret aan haar: 'Ik ga naar het Louvre, heb je iets nodig?'. Laurencin dacht op dat moment dat hij het had over het warenhuis Magasin du Louvre en niet over het museum. Piéret verkocht één van de gestolen beeldjes (in het Frans: statuettes) voor 50 FF aan Picasso en gaf het andere cadeau (rechts). Een derde op 7 mei 1911 gestolen Iberisch beeldje kwam bij Apollinaire in huis, toen Piéret tijdelijk bij Apollinaire woonde. In april 1910 was Piéret uit de Verenigde Staten teruggekeerd in Parijs en had op 10 mei 1911 een slaapplaats gekregen bij Apollinaire in Auteuil.

Nadat de krant Paris-Journal 50.000 francs had uitgeloofd voor de tip die de Mona Lisa zou terugbrengen en op 29 augustus 1911 een artikel had gepubliceerd over de diefstal van de beeldjes, waarvan de krant op de hoogte was gebracht door Piéret. Piéret kreeg 250 FF voor het derde beeldje en een interview. Op 3 september vertrok Piéret met de trein en financiële hulp van Apollinaire naar Marseille. Apollinaire zond een alarmerend bericht naar Picasso, die op dat moment in Céret verbleef. Picasso kwam met Fernande naar Parijs. Volgens Fernande besloten Apollinaire en Picasso de beeldjes in de Seine te gaan gooien, maar daar zij dachten gevolgd te worden hadden zij het niet gedaan. De volgende dag, 5 september, bracht Apollinaire de beeldjes naar Paris-Journal. Na de publicatie stond de volgende dag de politie op de stoep bij Apollinaires appartement in de Rue Gros met de al eerder beschreven gevolgen. Door de hele affaire liep ook de relatie tussen Apollinaire en Laurencin op de klippen. In 1912 verliet Laurencin definitief Apollinaire. Apollinaire schreef over zijn verblijf in de gevangenis zes gedichten onder de verzamelnaam A la Santé. Hij werd in januari 1912 vrijgesproken. In mei 1912 werd Piéret bij verstek veroordeeld tot tien jaar gevangenis, maar het vonnis zou nooit worden uitgevoerd.

Vincenzo Perugia

De Mona Lisa kwam 27 maanden later weer boven water, toen Vincenzo Perugia, een oud-werknemer van het Louvre, het werk in december 1913 probeerde te verkopen aan het Uffizi museum te Florence voor honderdduizend dollars via de antiekhandelaar Alfredo Geri. Perugia vond dat het werk in Italië thuis hoorde. Een andere bron (De Dordtenaar 5-4-2005) geeft een antiquair en een prijs van 500.000 Lire aan.

boek, 2009

Precies vijftig jaar later werd op 21 augustus 1961 het schilderij Portret van de Duke of Wellington van de Spaanse schilder Goya uit 1812 met een waarde van ongeveer $ 392.000 uit de National Gallery te Londen gestolen. In 2009 verscheen het door R.A. Scotti geschreven boek Vanished Smile: The Mysterious Theft of Mona Lisa (ISBN: 9780307265807) waarin de bovenstaande geschiedenis uitvoerig werd beschreven.

Op de Franstalige website Crimino corpus staat de webpagina Le poète incarcéré: reconstitution met de beschrijving van de gebeurtenissen van 7 t/m 12 september 1911.

Marcel Duchamp

LHOOQ, Duchamp 1919

In 1919-1930 tekende Marcel Duchamp een snor en baard op een reproductie van de Mona Lisa en gaf het als titel L.H.O.O.Q., de fonetische schrijfwijze voor de Franse titel La Joconde als men het netjes wil omschrijven. Volgens Duchamp was het Elle a chaud au cul (=Zij is heet aan de kont). Het was een z.g. ready-made uit Duchamps dadaïstische periode. Duchamp vond dat kunst te duur en te elitair was geworden. De bewerkte reproductie stond op de omslag van het maartnummer in 1920 van het dadaïstische blad 391. Zijn vriend Picabia gaf dit blad vanaf 1916 uit, allereerst vier nummers in Barcelona en daarna in Parijs. Op het moment van verschijnen was Duchamp al terug naar New York. Hij was van juli 1919 tot januari 1920 in Parijs geweest. Later maakte Duchamp een andere ready-made van een reproductie van de Mona Lisa. Hij veranderde er niets aan, maar schreef onder het portret Rasée (=geschoren).


Fernand Léger

La joconde aux clefs, Léger, afm.: 91 x 72 cmLéger voor het ingelijste schilderij

Rond 1920 veranderden de schilderijen van Fernand Léger. De drukke schilderijen met cirkeldelen e.d. werden schilderijen met enkele figuren. Kenmerkend was zijn nevenstaande schilderij met een afbeelding van de Mona Lisa: La Joconde aux clefs (=Mona Lisa met de sleutels) uit 1930, dat te zien is in Musée National Fernand Léger te Biot, Zuid-Frankrijk.




Kazimir Malevich

Gedeeltelijke duisternis. Compositie met Mona Lisa, Malevich, 1914, afm.: 62 x 49,5 cm

Malevich maakte in 1914 een schilderij met collage. Een van de dingen die hij erop plakte was een reproductie van de Mona Lisa. Malevich schilderde het werk in de periode nadat het originele schilderij van Leonardo da Vinci na de diefstal was teruggevonden. Met de titel reageerde Malevich op de gebeurtenissen. De tekst onder de beschadigde reproductie luidde Woning te huur. Samen met de rode kruizen gaf het uiting aan Malevichs afkeer voor de 'oude' kunst. Het schilderij is nu te bewonderen in het Russisch Staatsmuseum te Sint Petersburg.




Salvador Dalí

Mona Lisa, Dalí, 1954

Dalí is niet bekend geworden door zijn kubistische werken, maar ook hij heeft in navolging van Marcel Duchamp een eigen versie van de Mona Lisa in 1954 vervaardigd. Dalí zei tijdens een interview Ik ben een groot bewonderaar van Duchamp, die toevallig de man is die die beroemde verandering op het gezicht van de Gioconda heeft aangebracht. Hij gaf haar een hele kleine snor, die echter al Dalíaans was.

fam Duchamp en Dali, 1958

Dalí was bevriend met Duchamp en vanaf 1958 brachten zij de 's zomers bij elkaar in de buurt door en maakten zij gezamenlijke uitstapjes. Marcel Duchamp was in 1954 getrouwd met Teeny Sattler en het echtpaar bracht vanaf 1958 jaarlijks de zomer door in Parijs en het Spaanse Cadaqués. Salvador en Gala Dalí, die woonden in het nabij gelegen Port Lligat, trokken met de familie Duchamp op. De nevenstaande foto is genomen op een gemeenschappelijke wandeling rond Cadaqués in augustus 1958.

In 1963 schreef Dalí een artikel voor Art News waarin hij een theorie beschreef waarom de Mona Lisa geweld en verschillende soorten agressie opriep, zoals Duchamps L.H.O.O.Q.. In het novembernummer van 1992 is het opnieuw afgedrukt wegens het negentigjarig bestaan van Art News.


Jean Metzinger

Theetijd

Op de Salon des Indépendants van 1911 hing het nevenstaande schilderij Le Goûter (= theetijd) van Jean Metzinger dat in Paris Journal van 30 oktober 1911 de Mona Lisa van het kubisme werd genoemd. De schrijver van het artikel was André Salmon, die onder het pseudoniem La Palette bijna dagelijks de rubriek Le Courrier des Arts verzorgde.

Laatste wijziging: 081011