Het schilderij De stad Parijs is diverse malen door Robert Delaunay geschilderd. De eerste versie schilderde Delaunay in 15 dagen. Begin februari 1912 kwam hij terug uit Laon, waar hij enige tijd had doorgebracht om samen met de landschapschilder Robert Lotiron, die hij uit zijn militaire dienst kende, te schilderen. In Parijs moest Delaunay zijn tentoonstelling in de Galerie Barbazanges voorbereiden, maar hij wilde ook meedoen met de Salon des Indépendants, die startte op 12 maart 1912. De afmetingen zijn 267 bij 406 cm. Het schilderij was op de Salon een succes en zou daarna worden tentoongesteld op de Armory Show in New York. Het schilderij werd naar New York verscheept, maar moest i.v.m. zijn grote afmetingen worden opgerold. Toen het schilderij bij het tentoonstellingsgebouw arriveerde besloot Arthur B. Davis het doek niet op te hangen. Het doek zou door zijn afmetingen de andere werken te veel overheersen. Het schilderij bleef in New York en ging niet mee naar de tentoonstellingen in Chicago en Boston. Gelijk met de andere schilderijen uit Europa werd het opgerolde doek terug naar Europa, maar raakte helaas onderweg licht beschadigd. Na een lange correspondentie werd op 5 november 1913 een bedrag van $ 61,79 door de Association betaald. Pas in 1936 was het voor het publiek weer zichtbaar, daar het door Jean Cassou werd aangekocht voor het Musée d'Art Moderne de la Ville de Paris. Hierdoor is het niet de mijlpaal in Delaunays schilderkunst geworden.

Het schilderij geeft het klassieke thema 'de drie gratiën' weer. Delaunay had een briefkaart uit Pompeii met de drie gratiën in zijn bezit. Rechtsonder is een deel van een schip getekend, dat zo is overgenomen van het schilderij Zelfportret met landschap van Henri Rousseau uit 1890. Ook op het schilderij is een uitwerking van de Eiffeltoren aanwezig. Het overnemen van een deel van Rousseaus schilderij moet gezien worden als een hommage aan deze schilder. Delaunay was een grote bewonderaar van Rousseau (1844-1910). Delaunay schilderde in 1914 nog een portret van Henri Rousseau Le Douanier.
Voor de salon van Jean en Annette Coutrot maakte Delaunay een kopie van De stad Parijs in de vorm van een wandschildering, waarbij de hoofden duidelijk portretten zijn. De afmetingen zijn 234 bij 294 cm. Het belangrijkste verschil is de rechterkant van het schilderij; de huizenrand ontbreekt. Jean Coutrot (1895-1941) was een Franse ingenieur, die in september 1915 gewond raakte aan het front bij Craonne, waardoor hij zijn rechter been verloor. Hij trouwde in 1917 met Annette Gaut. Haar familie was eigenaar van de papierfabriek Gaut-Blancan & Cie . Het echtpaar was bevriend met o.a. de schilders Delaunay, Braque, Picasso en Lhote. Coutrot hield zich vooral bezig met de organisatie van werkzaamheden. In 1936 stichtte Coutrot het Centre d'Ètudes des problèmes humains. Op 19 mei 1941 pleegde Coutrot zelfmoord.
In het Toledo Museum of Art in de Amerikaanse staat Ohio is een derde versie van Ville de Paris uit 1912 aanwezig met de afmetingen 119,5 cm bij 172,2 cm.
Op 15 maart 1914 verscheen in het door Henri Desgranges opgerichte krant Comoedia het nevenstaande artikel Du cubisme et autres synthèses van Marc Vromont. Behalve La Ville de Paris werd ook Hommage à Blériot afgebeeld. Het eerste nummer van Comoedia verscheen op 1 oktober 1907 onder de leiding van Gaston de Pawlowski (1874-1933). Elk nummer bevatte minimaal 4 bladzijden met illustraties. Wegens de Eerste Wereldoorlog verscheen de krant niet tussen 6 augustus 1914 en 1 oktober 1919. Op 1 januari 1937 verscheen het laatste nummer. René Delange gaf tijdens de Tweede Wereldoorlog van 21 juni 1941 t/m 5 augustus 1944 wekelijks onder Duits 'toezicht' een gelijkluidend tijdschrift uit. Er verschenen in totaal 161 nummers van Comoedia. Ook in de jaren vijftig verscheen onder dezelfde naam een tijdschrift. Naast de krant verscheen van 15 december 1908 t/m 15 september 1910 onder leiding van Maurice de Brunhoff Comoedia illustré als een maandelijkse bijlage bij de krant.