De naam Les Demoiselles d'Avignon is pas later aan het schilderij gegeven. Bij het maken van de voorstudies e.d. had Picasso nog geen naam voor het werk. Het verwees naar de Carrer d'Avinyó (=Avignonstraat) in Barcelona. Een andere visie is, dat het doek zo genoemd werd, daar de uitgebeelde meisjes van lichte zeden hun werkterrein hadden in de Rue d'Avignon. De drie linkse dames zijn door Iberische sculpturen beïnvloed terwijl de twee rechtse figuren door negerplastiek beïnvloed zijn. De eerste bekende naam was Le Bordel d'Avignon, maar op voorstel van André Salmon werd volgens Picasso de naam Les Demoiselles d'Avignon. Dit kwam voort uit de vraag van toekomstige koper Jacques Doucet, die niet graag een schilderij met de naam Bordeel in Avignon in zijn huis wilde ophangen.
Het schilderij is ook onder de titel Le Bordel Philosophique besproken door André Salmon in zijn boek La Jeune Peinture Française dat in november 1912 verscheen bij Société des Trente te Parijs.
Het schilderij Les Demoiselles d'Avignon is door Pablo Picasso afgemaakt eind juni of begin juli 1907 in zijn atelier in Le Bateau-Lavoir. Hij begon in de winter van 1906-1907 met de schetsen voor een groot schilderij. Op de schetsen stonden eerst zeven personen, n.l. vijf vrouwen en twee mannen, maar later (april) slechts zes. Uiteindelijk werden het 5 vrouwen en had het de afmetingen 2,42 m bij 2,33 m. Het schilderij bleef in het bezit van Picasso totdat hij het verkocht aan couturier Jacques Doucet.

In 1914 sprak Doucet via de tussenkomst van Henri-Pierre Roché voor het eerst met Picasso over Picasso's werk en ideeën in zijn atelier in de Rue Schoelcher. Tijdens de tentoonstelling L'Art Moderne en France in Salon d'Antin in juli 1916 zag Doucet het schilderij Les Demoiselles d'Avignon. André Breton, die vanaf juni-juli 1921 adviseur was, probeerde Doucet in 1923 tot de aankoop aan te sporen.
In Le Cri de Paris werd op 23 juli 1916 aangegeven dat Picasso voor 20.000 francs het schilderij niet wilde verkopen. In de volgende jaren had Doucet regelmatig contact met Picasso. Volgens Breton kocht Doucet Les Demoiselles d'Avignon voor 25.000 francs op afbetaling, n.l. elke maand 2000 francs totdat het totale bedrag was betaald. In de aantekeningen van Picasso stond echter op 20 februari 1924 het bedrag 30.000 francs. Picasso vond de prijs zo laag, dat hij Doucet niet het schilderij Three Dancers wilde verkopen. Op 17 april 1924 werd Les Demoiselles d'Avignon door Doucet opgehaald.
Op 1 augustus 1928 verhuisde de familie Doucet naar Rue Saint-James 33, waar het schilderij in het trappenhuis kwam te hangen. In dit huis zag de volgende eigenaar, Germain Seligmann het schilderij. Ook A. Conger Goodyear, de president van het Museum of Modern Art te New York vanaf 3 oktober 1929, zag bij Doucet op 31 augustus 1929 Les Demoiselles d'Avignon.
Na de plotselinge dood van Doucet op 30 oktober 1929 bleef het schilderij in het bezit van mevrouw Doucet tot 5 of 15 september 1937. Voor 150.000 francs werd het schilderij verkocht aan Jacques Seligmann and Co. Deze firma had de Galerie Jacques Seligmann et Fils in Parijs en de de Galerie Jacques Seligmann and Co in New York. Op 9 oktober 1937 verliet het schilderij Frankrijk aan boord van het schip Normandie uit Le Havre.
In november 1937 was het schilderij Les Demoiselles d'Avignon in de New Yorkse vestiging van Jacques Seligmann & Co op de East Fifty-first street 3. Van 1 tot 29 november werd daar de tentoonstelling 'Twenty Years in the Evolution of Picasso, 1903-1923' gehouden. Op 6 december 1937 kocht The Museum of Modern Art het schilderij voor 28.000 dollars, maar door het ontbreken van het benodigde kapitaal werd het schilderij op 24 april 1939 pas overgedragen. Het Museum of Modern Art bezat geen geld voor het aankopen van kunstwerken. Dankzij twee onbekende schenkers van 5.000 dollars en de door de schenkster Lillie P. Bliss toegestane verkoop van Le Champ de course van Degas met een opbrengst van 18.000 dollars.
Picasso schilderde Les Demoiselles d'Avignon in zijn atelier in de Bateau-Lavoir in 1907. Het naamloze schilderij werd daar zowel door vele personen uit de kunstenaarskring rond Picasso als door journalisten en andere kunstenaars gezien. In september 1909 verhuisde Picasso naar de Boulevard de Clichy 11 te Parijs. Ook daar was het schilderij zichtbaar. In augustus 1911 betrok Picasso weer een atelier in Bateau-Lavoir, maar bleef op de Boulevard de Clichy wonen. Het is onbekend op welk adres het schilderij daarna was. In de herfst van 1913 verhuisde Picasso naar Rue Schoelcher 5b. Daar was het schilderij weer volgens velen aanwezig.

Van 16 tot 31 juli 1916 organiseerde André Salmon in de Salon d'Antin de tentoonstelling L'Art Moderne en France. Hier werd voor het eerst het schilderij onder de naam Les Demoiselles d'Avignon tentoongesteld. Salon d'Antin was gelegen aan de Avenue d'Antin 26 (nu Avenue Franklin-Roosevelt) en was van de couturier Paul Poiret. Hij had aan zijn vriend Barbazanges vanaf 1911 een ruimte verhuurd voor een galerie voor moderne kunst. Deze galerie had behalve aan de Rue d'Antin ook een ingang aan de Rue du Faubourg Saint-Honoré 109. Het is niet helemaal zeker of de eerste koper van Les Demoiselles d'Avignon, Jacques Doucet, het schilderij op deze tentoonstelling heeft gezien. In oktober 1916 verhuisde Picasso naar Rue Victor-Hugo 22 te Montrouge, een voorstad aan de zuidkant van Parijs.
Van 23 januari tot 15 februari 1918 werd in de galerie Paul Guillaume, Rue du Faubourg Saint-Honoré 108, een tentoonstelling gehouden van 12 werken van Matisse en 16 werken van Picasso. Denkelijk was Les Demoiselles d'Avignon onder de naam Tableau hier aanwezig.
Picasso verhuisde eind december 1918 van Montrouge naar Rue La Boétie 23b. Vanuit dit huis verkocht Picasso Les Demoiselles d'Avignon op 20 februari 1920 aan Jacques Doucet voor 25.000 francs. Daar Doucet het schilderij op afbetaling kocht werd het schilderij pas na betaling van de laatste termijn op 17 april 1924 vervoerd naar Charles Chapuis, Rue Crétet 4, voor een lijst. Daarna ging het schilderij naar Jacques Doucets woning aan de Avenue du Bois 46 te Neuilly sur Seine. In augustus 1928 verhuisde Doucet naar Rue Saint-James 33. Het schilderij was niet gesigneerd door Picasso, ondanks dat Doucet erom had gevraagd. Gebruikelijk was dat Picasso een werk pas signeerde als hij met het werk klaar was. Ook werken waarvan hij dacht ze weg te schenken, signeerde hij vaak niet. Dit was ook de reden die Picasso opgaf aan Doucet. De prijs voor het werk was in de ogen van Picasso te laag en hij vond dat hij het werk had geschonken aan Doucet.
Ook na de dood van Jacques Doucet op 30 oktober 1929 bleef het schilderij hangen in de Rue Saint-James 33. Op 5 september 1937 verkocht mevrouw Doucet aan de Jacques Seligmann gallery Les Demoiselles d'Avignon voor een 150.000 francs en werd het schilderij op 9 oktober 1937 met het schip Normandie via Le Havre naar New York verscheept.
Van 1 t/m 20 november 1937 was Les Demoiselles d'Avignon te zien op de tentoonstelling Twenty Years in de Evolution of Picasso, 1903-1923 gehouden bij Jacques Seligmann & Co., Inc., East Fifty-first Sreet 3 te New York. Na de verkoop op 6 december 1937 aan het Museum of Modern Art te New York bleef het schilderij in verband met de betaling tot 24 april 1939 bij Seligmann.
Op 8 mei 1939 werd het Museum of Modern Art in een nieuw gebouw aan de West 53 street 11 te New York gevestigd. Bij de opening op 10 mei was het schilderij Les Demoiselles d'Avignon de blikvanger van de tentoonstelling Art in Our Time.
Van 15 november 1939 t/m 7 januari 1940 maakte Les Demoiselles d'Avignon deel uit van de door Alfred Barr georganiseerde overzichttentoonstelling Picasso: Forty Years of His Art. Herhaaldelijk was daarna Les Demoiselles d'Avignon het middelpunt van een tentoonstelling in het Museum of Modern Art.
Dankzij het uitlenen van zes Picasso's, waaronder het kubistische werken Vrouw met een mandolien uit 1910, Man met viool uit 1912 en Hoofd uit 1913, door Roland Penrose aan Alfred Barr voor de hierboven genoemde tentoonstelling Picasso: Forty Years of His Art kreeg Penrose als tegenprestatie Les Demoiselles d'Avignon voor de door hem georganiseerde expositie 40,000 Years of Modern Art: A Comparison of Primitive and Modern. Deze expositie werd door het Institute of Contemporary Arts gehouden in de Academy Cinema in de Oxford Street te Londen van 20 december 1948 t/m 29 januari 1949.
20 december 1948 - 29 januari 1949 | 40,000 Years of Modern Art | Institute of Contemporary Arts, Londen |
januari 1953 | Cubisme 1907 | Musée National d'Art Moderne, Parijs |
| 19 oktober 1954 - 6 februari 1955 | Twenty-fifth Anniversary Exhibition: Paintings from the Museum Collection | . |
15 maart - 24 april 1955 | Picasso: Twelve Masterworks | . |
22 mei - 8 september 1957 | Picasso: Seventy-fifth Anniversary Exhibition | Museum of Modern Art, New York |
14 mei - 18 september 1962 | Picasso in The Museum of Modern Art: Eightieth Birthday Exhibition - The Museum Collection, Present and Future. | Museum of Modern Art, New York |
november 1966 - februari 1967 | Hommage à Pablo Picasso | Grand Palais en Petit-Palais, Parijs |
7 april - 7 juni 1971 | The Cubist Epoch | Museum of Modern Art, New York |
25 januari - 2 april 1972 | Picasso in the Collection of The Museum of Modern Art | Museum of Modern Art, New York |
16 mei - 30 september 1980 | Pablo Picasso: A Retrospective | Museum of Modern Art, New York |
24 september 1989 - 16 januari 1990 | Picasso and Braque: Pioneering Cubism | Museum of Modern Art, New York |
23 - 31 januari 1993 | Matisse, Picasso and Les Demoiselles d'Avignon | . |
In 1910 werd in het mei-nummer van de Architectural Record de eerste foto van Les Demoiselles d'Avignon onder de naam Studie afgedrukt bij het artikel The Wild Men of Paris van de Amerikaanse journalist Gelett Burgess, die het werk van Picasso probeerde in te delen. Burgess kwam begin 1908 naar Parijs om een artikel te schrijven over het artistieke leven in Parijs. Hij sprak o.a. met Braque, Derain, Matisse en Picasso. Hij fotografeerde tevens werken van deze schilders. De laatste foto's in Picasso's atelier nam Burgess eind juli 1908, vlak voordat hij uit Parijs vertrok. Burgess was een kennis van de familie Stein en een vriend van Alice Toklas, de latere partner van Gertrude Stein.
Denkelijk stond er ook een afbeelding van Les Demoiselles d'Avignon bij het artikel l'Histoire Anecdotique de Cubisme van de dichter André Salmon in 1912. Op 15 juli 1925 verscheen het vierde nummer van La Révolution Surréaliste, een blad dat André Breton had opgericht in december 1924. Hierin stond opnieuw Les Demoiselles d'Avignon afgebeeld.