André Salmon, André Tudesq (1883-1925), René Dalize (1879-1917), André Billy (1882-1971) en Guillaume Apollinaire richtten in het Café de Flore op 19 februari 1912 het literaire tijdschrift Les Soirées de Paris op. Apollinaire en Dalize, het schrijverspseudoniem van René Dupuy, kenden elkaar al vanaf de schooltijd in Monaco. Het tijdschrift Les Soirées de Paris werd uitgegeven van februari 1912 tot juli/augustus 1914. Er verschenen in totaal 27 nummers. Het aantal abonnees was ongeveer 40. Apollinaire leverde in eerste instantie gedichten en artikelen over kunst. Zo stond in het eerste nummer Du Sujet dans la peinture moderne. Het administratieadres van het tijdschrift was Rue Jacob 9 te Parijs. In mei 1912 nam Charles Perrès de taak van Salmon over. Charles Perrès was het schrijverspseudoniem van Gustave Podevin (1884-1974), die in het voorjaar van 1913 voor twee internationale rugbywedstrijden van het Franse team uitkwam.
In november 1913 namen Apollinaire en Serge Férat, onder de naam Jean Cérusse, de directie van het tijdschrift over van André Billy, toen Serge Férat en de baronnes Hélène d'Oettingen voor de uitgave van het blad gingen zorgen. Op een oud voorblad schreef Apollinaire de inhoud van het novembernummer. Als redactieadres had het tijdschrift vanaf november 1913 het oude atelier van Férat op Boulevard Raspail 278 te Parijs. Hier kwamen schrijvers en schilders, die min of meer geregeld aan Les Soirées de Paris meewerkten, regelmatig bijeen. Behalve de schrijvers Apollinaire, Max Jacob, Blaise Cendrars, Dalize en Maurice Raynal waren dat de schilders en beeldhouwers Alexander Archipenko, de Chirico, Fernand Léger, Kisling, Amedeo Modigliani, Francis Picabia, Pablo Picasso, Gino Severini, Ardengo Soffici en Ossip Zadkine. De drukkosten waren in 1913 325 FF voor 1000 exemplaren, die ook een weg vonden naar verzamelaars, o.a. Jacques Doucet, Alphonse Kann, André Level, Gottlieb Reber en Sergej Stschukin. Na vijf maanden niet verschenen te zijn kwam in november 1913 nummer 18 uit. Vanaf dit nummer werd meer ruimte besteed aan de avant-garde kunst. Dankzij de financiële bijdrage van Férat en d'Oettingen was het mogelijk illustraties af te laten drukken. Maurice Raynal schreef regelmatig een column over films, die in Parijs te zien waren.
In nummer 18 van 15 november 1913 stonden vijf foto's van kunstwerken van Picasso, n.l. het bovenstaande schilderij Soirées de Paris uit de herfst van 1912 en vier constructies 'gitaren', die gemaakt waren van hout, houtbord, papier en draad. De zwartwit foto's waren in opdracht van Kahnweiler gemaakt door (Emile?) Délétang in Picasso's nieuwe atelier in de Rue Schoelcher 5bis. De vier constructies waren Gitaar, Gitaar en fles, Gitaar en fles en Gitaar en fles Bass . De vierde afbeelding laat het nevenstaande ruimtelijke werk Gitaar zien, dat nu tot de collectie van het Museum of Modern Art te New York behoort. De getoonde combinatie op de foto is niet bewaard gebleven.
In nummer 19 stonden zes zwart-wit afbeeldingen van werken, die te zien waren op de Salon d'Automne van 1913. de nevenstaande kubistische tekening En Canot van Jean Metzinger, dat een voorstudie was voor een schilderij op de Salon d'Automne van 1913. Van Albert Gleizes was het nevenstaande schilderij Les bateaux de pêche in zwart-wit afgebeeld. Het schilderij werd getoond op de Salon d'Automne van 1913. In het januarinummer van 1914, dat als thema had Douanier Rousseau, werd door Maurice Raynal uitvoerig stilgestaan bij het feestelijke banket dat gehouden werd voor de schilder Rousseau in november 1908 bij Picasso in Le Bateau Lavoir.
In nummer 22 van 15 maart 1914 stonden twee gekleurde reproducties van werken van Picabia, n.l. van nevenstaande (links) Udnie (jeune fille américaine) en van Edtaonisl (ecclésiastique). Daarnaast waren zwart-wit afbeeldingen van vier werken van Picabia afgedrukt: Danseuse étoile sur un transatlantique, het nevenstaande (rechts) Catch as Catch Can, het nevenstaande (rechts) Chanson nègre en Culture physique. Denkelijk waren de gekleurde afbeeldingen mogelijk gemaakt door een finaciële bijdrage van Picabia.
In nummer 23 van 15 april 1914 stonden zwart-wit afbeeldingen van de onderstaande acht werken van Georges Braque, die alle in bezit waren van Kahnweiler.
| kunstwerk | titel | jaar | nu te zien in |
![]() | Vrouw met gitaar | 1913 | Musée National d'Art Moderne, Parijs |
![]() | Glazen en flessen | 1913 | Verzameling Eichholz |
![]() | Schaakbord | 1913 | Musée National d'Art Moderne, Parijs geschonken door Louise en Michel Leiris |
![]() | Flessen en glazen | 1912 | Privéverzameling |
![]() | Tafels | 1913 | Verzameling Heinz Berggruen, Berlijn |
![]() | Viool en kaarsenstandaard | 1910 | Museum of Modern Art, San Francisco |
![]() | Tafels | 1913 | Kunstmuseum Basel geschonken door Raoul La Roche |
![]() | Fruitschaal, fles en glas (Sorgues) | 1912 | Musée National d'Art Moderne, Parijs geschonken door Louise en Michel Leiris |
In nummer 24 stonden afbeeldingen van vijf werken van Matisse en in het dubbelnummer 26-27 de zwart-wit afbeeldingen van de bovenstaande vijf schilderijen van Léger uit het bezit van Kahnweiler, n.l. Modèle nu dans l'atelier uit 1913, Nature morte uit 1914, Tableau par contrastes de formes et de couleurs uit 1914, Paysage, uit 1914 en La femme dans le fauteuil uit 1914.
In het nummer 26-27 van juni 1914, dat vooral aan Archipenko was gewijd, stond de voordracht Les Réalisations Picurales Actuelles van Léger, die hij had gehouden voor een groep kunstenaars en studenten. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 kwam er een eind aan het tijdschrift.
Tijdens de oorlog werden al pogingen ondernomen om een nieuwe spreekbuis van de moderne kunst op poten te zetten. In 1915 startte Amédée Ozenfant met L'Élan en in 1917 Pierre Reverdy met Nord-Sud.
In 1971 verscheen bij Slatkine Reprints in Genève een herprint van Les Soirées de Paris in vijf delen. Via de website van de Bibliothéque nationale de France zijn deze te lezen.
Op het redactieadres, Boulevard Raspail 278 te Parijs, werd op zondag 24 mei 1913 om 17.00 uur een bijeenkomst gehouden met muzikale medewerking van Albert Savinio (1891-1952), de broer van de kunstenaar Giorgio de Chirico (1888-1978).
Vanaf 17 mei 1924 werd onder dezelfde naam, Les Soirées de Paris, door Comte Etienne de Beaumont (1883-1956) avonden georganiseerd in het Théâtre de la Cigale in de Parijse wijk Montmartre waaraan het ballet van Léonide Massine op muziek van Milhaud en Satie deelnam. De opbrengst was voor een deel bestemd voor de oorlogsweduwen en Russische vluchtelingen.
Op 14 juni 1924 werd het ballet Mercure uitgevoerd. De mise en scène was van Picasso, de muziek van Erik Satie en de choreografie van Léonide Massine. Na het korte ballet was door de Beaumont een bal georganiseerd. Het voordoek werd daarna bij alle voorstellingen gebruikt en werd in een brief, gedateerd 9 augustus 1954, door de Beaumont te koop aangeboden aan Jean Cassou, de directeur van Musée National d'art moderne te Parijs.
Picasso tekende in 1924 het nevenstaande portret van de graaf Etienne de Beaumont.
Van 16 mei t/m 30 juni 1958 werd onder de naam Les Soirées de Paris in Galerie Knoedler te Parijs een tentoonstelling gehouden. Van Braque waren de drie nevenstaande werken te zien: Groot Naakt uit 1907, De tafel met pijp uit 1912 en het papier collé Aria van Bach uit 1912.