Art Concret

1ste en enige nummer van Art Concret, 1930

In de loop van 1929 had een groep kunstenaars, die voorstellingsloze kunst maakte, de behoefte zich te organiseren om een tegenwicht te bieden aan vooral de surrealisten. Voordat de organisatie gevormd was, slaagde Nelly van Doesburg, de derde vrouw van Theo van Doesburg, erin om vanaf 2 oktober 1929 een tentoonstelling onder de naam ESAC (=Expositions selectes d'art contemporain) te organiseren in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Naast werken van Nelly, die als pseudoniem P. Cupera gebruikte, hingen werken van Hans Arp (=Jean Arp 1887-1966), Marcelle Cahn, Massimo Campigli (1895-1971), Serge Charchoune, Pierre Daura (1896-1976), Jean Despujois, Theo van Doesburg, Ernst Engel-Rozier (1885-1965), Serge Férat, Louis Robert Fernandez, Otto Freundlich (1878-1943), Joaquin Torrès-Garcia (1874-1949), Jean Crotti, Hannah Kosnick-Kloss (1892-1966), Frantisek Kupka, Juan Miró (1893-1983), Piet Mondriaan, Vicente do Rego Monteiro (1899-1970), Pan Planas, Pablo Picasso, Victor Yanaga Poznanski, Wladimir Shwab (=Walmar Schwab 1902-2000), Gino Severini, Leopold Survage, Léon Tutundjian (1905-1968) en Jacques Villon. De tentoonstelling liep van 1 t/m 31 oktober. De tentoonstelling werd tevens van 10 december 1929 t/m 5 januari 1930 gehouden in de Pulchri Studio te Den Haag en daarna in Barcelona.

Manifest Art Concret, 1930

In november 1929 spraken van Doesburg en Joaquin Torrès-Garcia concreter over de plannen. Van Doesburg koos voor de naam Nouveau Plan met twee secties, maar er was al een tijdschrift met de gekozen naam en de groepsnaam werd voorlopig Blanc. Van Doesburg verdeelde de kunstenaars in twee secties. In sectie A plaatste hij Baumeister, Charchoune, Cupera, Daura, Duchamp, Freundlich, Henri, Idelson, Lipchitz, Pevsner, Russolo, Seuphor, Stazewski, Torrès-Garcia, Vantongerloo, Valmier, Varesse en Vordemberger. In sectie B: Artaud, Bonset (=van Doesburg), Constantin Brancusi, Carlsund, van Doesburg, Domela, Fernandez, Gallien, Hélion, Herbin, Huidobro, Kupka, Lissitzky, Malevich, Minet, Mondriaan, Prampolini, Sandoz, Tutundjian, Quesneau en Wantz.

De tweedeling viel niet in goede aarde en op de eerste bijeenkomst op 7 december in het atelier van van Doesburg ontbrak al een deel van de genoemde kunstenaars. Op 14 december en 21 december werden vervolg bijeenkomsten gehouden in Café Tabak Zeyer in de Rue d'Alésia.

Twee kunstenaars uit groep A, n.l. Torrès-Garcia en Seuphor, die het niet eens waren met de tweedeling, maakten in de loop van december plannen voor het oprichten van de groep Cercle et Carré. Op 8 januari 1930 kreeg van Doesburg van Seuphor voor deze groep een uitnodiging.

In een brief van 25 december 1929 aan Friedrich Vordemberge-Gildewart met het verzoek om het manifest te ondertekenen noemde van Doesburg de groep Groupement 6,6. Pas in het voorjaar van 1930 werd de naam Art Concret.

Art Concret, 1929 vlnr staand: Hélion, Tutundjian, mevr. Tutundjian en Carlsund. Zittend: mevr. Hélion, Theo van Doesburg, Nelly van Doesburg en Wantz.

Na de discussies en het opstellen van een manifest bleven slechts vijf ondertekenaars in januari 1930 over. Op nevenstaande foto zijn zij zichtbaar; (staand) de Fransman Hélion, de Armeniër Tutundjian, [mevr. Tutundjian] en de Zweed Carlsund, (zittend): [mevr. Hélion], Theo van Doesburg, [Nelly van Doesburg] en Marcel Wantz. Na het verschijnen van het eerste nummer van Cercle et Carré schreef van Doesburg een beledigende brief aan de redactie, waarop Torrès-Garcia en Mondriaan scherp reageerden en hun vriendschap met van Doesburg verbraken.

Ondanks de aanwezigheid van de naam Wantz op de aankondiging van Art Concret is er weinig over hem bekend. In de catalogus van de tentoonstelling in Mouans-Sartoux in 2000 werd Walmar Shwab aangegeven als medeoprichter. Walmar Shwab werd op 1 september 1902 als Wladimir Schab geboren in Lapenranta (Finland). Zijn vader was Fransman en zijn moeder Finse. In 1910 werd Walmar geadopteerd door de Zwitserse industrieel Shwab. In de periode 1920-1925 studeerde Shwab chemie in Parijs. Na het zien van werken van Fernand Léger en Albert Gleizes schilderde Shwab tijdens zijn vakantie in 1922 een drietal schilderijen met een kubistische invloed. Rond 1933 verwisselde Shwab zijn kunstzinnige werkzaamheden voor wetenschappelijke bezigheden. In 1945 behaalde hij zijn doctoraal in de chemie. Rond 1962 kreeg Shwab weer tijd voor zijn kunstzinnige activiteiten. Shwab overleed op 19 augustus 2000 in de Genèves voorstad Onex (Zwitserland). Volgens een reactie op 30 maart 2009 van zijn dochter Karina op een webblogartikel over Valentine de Kerven was Schwab een kubist en leefden Schwab en de Kerven tot 1964 samen.

De groep Art Concret leefde niet lang. Door geldgebrek verscheen er slechts één nummer, n.l. in april 1930. Het manifest werd in dit nummer gepubliceerd onder de titel Base de la peinture concrète: Manifesto. In het blad stonden reproducties in kleur. De uitgave, kosten 4000 francs, was voor vijftig procent betaald door Carlsund, die in de zomer naar Stockholm vertrok en niet meer terug kwam naar Parijs. Dit had te maken met een door Carlsund georganiseerde tentoonstelling AC: Internationell Utställning av post-kubistisk konst, die van 19 augustus t/m 30 september 1930 werd gehouden te Stockholm.

De ideeën van Cercle et Carré en Art Concret werden voortgezet door de kunstenaarsgroep Abstraction-Création.

Latere tentoonstellingen

Art Concret, 1945

Van 15 juni tot 13 juli 1945 werd in de galerie van René Drouin aan de Place Vendôme 17 te Parijs onder de naam Art Concret een tentoonstelling van abstracte kunst gehouden. Nelly van Doesburg had Drouin daar met moeite toe overgehaald. Onder de 13 deelnemers waren Arp, van Doesburg, Robert en Sonia Delaunay en Mondriaan. De gemeenschappelijke noemer was het verzet tegen het realistische object in de kunst.

catalogus, 2000

Van 2 juli t/m 29 oktober 2000 werd de tentoonstelling art concret gehouden in L'Espace de l'Art Concret te Mouans-Sartoux. Mouans-Sartoux ligt aan de spoorweg Cannes-Grasse in Zuid-Frankrijk. L'Espace de l'Art Concret bestaat sinds 1990 en dankt het bestaan aan de schenkingen van de twee verzamelaars Sybil Albers-Barrier en Gottfried Honegger en de inspanningen van André Aschieri, de burgemeester van Mouans-Sartoux.

Laatste wijziging: 270911