In de catalogus van de tentoonstelling Les Années cubistes, die gehouden werd van oktober 1997 t/m december 1999 in het Musée d'art moderne Lille Métropole te Villeneuve d'Ascq, een voorstad van Lille, werd aandacht geschonken aan de schenkers van kubistische kunst aan het Centre National d'Art et de Culture Georges Pompidou, de opvolger van het Musée National d'Art Moderne te Parijs. Wegens de ingrijpende renovatie was het mogelijk de kubistische werken voor lange tijd buiten het Centre Pompidou tentoon te stellen. De volgende personen werden in de catalogus genoemd.
De kunstverzamelaar Georges Salles was een kleinzoon van de Parijse Eiffeltorenbouwer Gustave Eiffel. Salles was gespecialiseerd in Oosterse kunst en leidde vanaf 1932 de afdeling oosterse kunst van het Musée du Louvre. Van 1945 tot 1957 (andere bron: 1961) was Salles directeur van de Musées des France, waar hij een belangrijke rol speelde bij het tot stand komen van het Musée National d'Art Moderne. Van 1953 tot 1959 was Salles president van de ICOM (=International Council of Museums), een door Chauncey Jerome Hamlin (1881-1963) en Salles in november 1946 opgerichte organisatie voor musea tijdens een internationale bijeenkomst in het Louvre te Parijs. Hamlin was de eerste president tot 1953, daarna Salles als tweede. Hierdoor stond Salles in contact met musea in de 45 aangesloten landen. Daarnaast had Salles vele kontakten met kunstenaars en verzamelaars. Salles was o.a. een persoonlijke vriend van de verzamelaar Raoul La Roche.
Georges Salles was ook verantwoordelijk voor de in 1953 door Georges Braque aangebrachte plafondbeschildering in de zaal Henri II van het Louvre. Eerder, n.l. in 1947, had Salles Pablo Picasso uitgenodigd zijn werken tentoon te stellen in de Grande Galerie van het Louvre, het bolwerk van de oudheid.
Salles schonk o.a. van Picasso Tête de femme, een pasteltekening uit 1907, Femme assise dans un fauteuil uit 1910, Coiffeuse uit 1911, Feuille de musique et guitare uit 1912 en Portrait de jeune fille uit 1914. Van Braque bezat Salles de werken Zittende vrouw uit 1909 en Muziekpapier en gitaar uit 1912-1913.
Marie Cuttoli schonk in 1963 acht kubistische werken van Picasso en Henri Laugier zes kubistische werken van Picasso aan het Musée National d'Art Moderne. Tien van de veertien werken zijn uit de periode 1911-1914, waaronder vijf papiers collés, o.a. Bouteille et journal sur une table en Bouteille de vieux Marc. De schenking werd van 28 juni t/m 15 september 1969 getoond in het Musée National d'Art Moderne te Parijs tijdens de tentoonstelling Les Picasso de la Donation Cuttoli-Laugier.
Zie o.a. voor de werken op de foto de webpagina Kubistische werken bij Marie Cuttoli en Henri Laugier.
De medicus Henri Laugier was de eerste directeur van de CNRS (=Centre National de la Recherche Scientifique), het nationale centrum voor wetenschappelijk onderzoek, voor de Tweede Wereldoorlog. Na de Tweede Wereldoorlog was hij tussen 1946 en 1951 adjunct secretaris-generaal van de ONU (=Organisation des Nations Unies), hier beter bekend als de UNO of de Verenigde Naties, en tussen 1952 en 1958 lid van de UNESCO. Hij had na de veilingen van geconfisqueerd bezit van Kahnweiler diverse werken gekocht.
In oktober en november 1970 werd in Galerie Beyeler te Bazel de expositie Collection Marie Cuttoli - Henri Laugier, Paris gehouden, waar werken te zien waren van o.a. 2 werken van Georges Braque, 1 van Roger de la Fresnaye, 9 van Henri Laurens, 6 van Fernand Léger, 1 van Jacques Lipchitz, 1 van Louis Marcoussis, 23 van Picasso en 3 van Jean Pougny. Van Picasso waren ook nog 8 litho's, 3 Eau-forte en 3 wandtapijten aanwezig. Ook van Léger hing een wandtapijt op de expositie. De wandtapijten waren geen van alle kubistisch.
Baron Napoléon Gourgaud en Eva Gebhard, een dochter van een Amerikaanse bankier, trouwden op 26 september 1917 in Nevers en bewoonden daarna een huis in de Rue de Lille te Parijs, dat gedecoreerd was door Louis Sue en André Mare. Eva woonde al lange tijd met haar moeder, die op 24 mei 1905 weduwe was geworden, in Parijs. Gourgaud was een nazaat van generaal Gaspard Gourgaud (1783-1852), die van Keizer Napoleon Bonaparte de titel baron kreeg. Door het huwelijk werd Eva Baronne (=barones). Na de dood van haar man in 1944 keerde Eva terug naar New York, maar verbleef daarna herhaaldelijk in Frankrijk. Zowel Marie Laurencin, Jean Lurçat als Henri Matisse schilderde een portret van de Baronne Gourgaud. Zie de webpagina L'époque Gourgaud op de Franstalige website Société des Amis de l'Ile d'Aix. In 1947 richtte Eva de Eva Gebhard-Gourgaud Foundation op, die tot doel had het behouden van het culturele erfgoed in Frankrijk en de Verenigde Staten.
Volgens Katharine Kuh in het in 2006 uitgegeven boek My love affair with modern art: behind the scenes with a legendary curator (ISBN: 1-55970-769-0) begon het echtpaar begin twintiger jaren met het verzamelen van moderne kunst. Kuh sprak persoonlijk met Eva Gourgaud in Gourgauds landhuis bij Yerres in 1952 in verband met een tentoonstelling van Fernand Léger, die gehouden werd in The Art Institute of Chicago van 2 april t/m 17 mei 1953. Daarna ging de tentoonstelling naar het San Francisco Museum of Art en het Museum of Modern Art te New York. Eva Gourgaud bezat elf werken van Léger. Het echtpaar had hoofdzakelijk post-kubistische werken uit de z.g. periode Retour à l'ordre van de twintiger jaren van de twintigste eeuw. Van Braque hadden zij Les Canéphores, een tweedelig werk, dat zij in de eetkamer hadden laten aanbrengen.
Het kinderloze echtpaar schonk 23 werken aan het museum. Onder de werken waren (vlnr):







In 1984 schonken deze eigenaren van Galerie Louise Leiris o.a. het nevenstaande La Couseuse van Léger uit 1909-1910, het nevenstaande Compôtier, bouteille et verre van Braque uit 1912, Le Damier van Braque uit 1913, Nature morte au livre van Juan Gris uit 1913, La Guitare van Gris uit 1913, Le papier à musique van Gris uit 1913-1914, Verre d'absinthe van Picasso uit 1914 en het nevenstaande Les Disques dans la ville van Léger uit 1920-1921.
Picasso schonk in 1945 twaalf schilderijen en in 1969 een aantal werken aan het Musée National d'Art Moderne. Georges Braque schonk in 1964 o.a. Nature morte au violon uit 1911 aan het Parijse museum. De erfgenamen van Henri Laurens, Claude en Denise Laurens, schonken in 1967 werken van Laurens aan het Parijse museum. Daar Claude de peetdochter van Braque was en Braque zelf geen kinderen had was zij tevens een belangrijke erfgenaam van Braques eigendommen. In totaal werden ongeveer 150 werken geschonken. De familie Lipchitz gaf via La Fondation Jacques et Yulla Lipchitz een aantal kubistische werken in 1976. Marcel Duchamp schonk in 1955 het Grand Cheval van zijn broer Raymond Duchamp-Villon. In 1964 schonken Sonja Delaunay-Terk en haar zoon Charles werken van Sonja en Robert Delaunay. In 1965 schonk Marcelle Braque het door haar man geschilderde Nature Morte au Violon uit 1911 aan het museum.
Les Années cubistes, ISBN: 2-86961-028-42