De vader van Georges Braque, Charles Braque (1855-1911) richtte samen met enkele andere notabelen de kunstenaarsvereniging Cercle de l'Art Moderne op in Le Havre. Zo was de stadarchitect van Le Havre, Choupay, de voorzitter en Georges Jean-Aubry de secretaris-generaal. Andere leden waren de katoenhandelaar Charles-Auguste Marande (1858-1936), de advocaat en latere katoenhandelaar Olivier Senn (1864-1959), Georges Dusseuil, Peter van der Velde en Luthy. Doel was het organiseren van wekelijkse bijeenkomsten, kunstexposities, kamermuziek concerten en het houden van voordrachten. Vooral de plaatselijke schilders, George Braque, Raoul Dufy en Othon Friesz, beeldhouwers, musici, architecten, schrijvers en kunstamateurs werden gepromoot.
De vereniging hield een jaarlijkse expositie van 1906 t/m 1910 in het stadhuis van Le Havre. Op de eerste expositie, die gehouden werd van 26 mei t/m 30 juni 1906, hingen werken van Georges en Charles Braque, Pierre Bonnard (1867-1947), Dufy, Friesz, Albert Marquet, Henri Matisse, Claude Monet (1840-1926), Maurice de Vlaminck en Édouard Vuillard (1868-1940). Braque, Dufy en Friesz waren lid van het comité de peinture. De catalogus had een voorwoord van de beeldhouwer en dichter Maurice Le Sieutre (1879-1975) onder de titel L'Oeil et la Couleur.
De tweede expositie werd in juni 1907 te Le Havre gehouden. Het voorwoord in de catalogus werd verzorgd door Fernand Fleuret (1883-1945), een vriend van Guillaume Apollinaire en Raoul Dufy. De deelnemers, vader en zoon Braque, Friesz, Dufy, Matisse, Henri Manguin (1874-1949), Marquet en de Vlaminck hadden elk twee schilderijen hangen. Van Georges Braque hingen de schilderijen Naakt en Landschap te L'Estaque.
De derde expositie werd in juni 1908 te Le Havre gehouden. George Braque hielp bij de organisatie van deze derde expositie. Zoals gebruikelijk hingen er twee werken van elke kunstenaar. Apollinaire verzorgde een inleiding onder de titel Les Trois Vertus plastique, dat later werd afgedrukt in Chroniques d'art en verwerkt werd in Apollinaires boek Les Peintres cubistes uit 1913.
De vierde expositie werd in juni 1909 te Le Havre gehouden. Volgens een artikel van Claude Lantier in La Cloche illustrée van 12 juni 1909 waren in ieder geval werken van Georges Braque, van Kees van Dongen en van Othon Friesz aanwezig. Volgens de briefwisseling tussen André Lhote en de schrijver Jacques Rivière leverde Lhote twee schilderijen voor de tentoonstelling aan, die Friesz meenam naar Le Havre.
In de vier exposities werden 272 werken getoond van Monet, Renoir, Sisley, Guillaumin, Cross, Signac, Luce, Bonnard, Maurice Denis, Sérusier, Vallotton, Vuillard, Camoin, André Derain, Manguin, Marquet, Matisse, Puy, de Vlaminck, Lhote, Braque, Dufy en Friesz.
Opmerking
In een aantal Franse publicaties wordt de De Moderne Kunstkring met Cercle de l'Art Moderne aangegeven! Wel staat er vaak MKK tussen haakjes achter om de Nederlandse groep aan te geven.
In 1936 verkreeg de stad Le Havre uit de erfenis van Charles-Auguste Marande 63 impressionistische en fauvistische schilderijen, 25 tekeningen en 1 beeld. Vanaf 1904 maakte Marande al deel uit van de commissie, die de aankoop van werken regelde. Hij bezocht daarvoor de Parijse galeries en kunstveilingen. De erfenis werd in 1961 ondergebracht in het op 24 juni 1961 door André Malraux geopende Musée Malraux, Boulevard Clemenceau 2 te Le Havre. In 1963 schonk de weduwe van Raoul Dufy 70 werken aan hetzelfde museum, die de gehele loopbaan weergaf. In 2004 schonk de kleindochter van Olivier Senn, Hélène Senn-Foulds, een deel van de kunstverzameling van haar grootvader aan het museum. Door de schenking van o.a. 71 schilderijen en 5 beelden werd het museum na het Musée d'Orsay het belangrijkste museum met impressionistische werken van Frankrijk. Op 8 juli 2009 schonk Hélène Senn-Fouls de kunstverzameling van haar vader, Édouard Senn, aan het museum.
