Het Veletrzní Palác, dat deel uit maakt van de Národní Galerie, ligt buiten het centrum van Praag (Dukelskych hrdinu 47) en is sinds 1995 het museum voor moderne kunst. Het gebouw is oorspronkelijk van 1925-1928 en gebouwd voor de Praagse Handels Markt. De architekten zijn Oldrich Tyl en Josef Fuchs. In zijn tijd was het een gebouw met een van de grootste versterkte overspanningen. Tijdens zijn bezoek aan Praag in 1928 sprak Le Corbusier zijn bewondering uit over het gebouw. Na de Tweede Wereldoorlog was het ingericht als een kantoorgebouw, maar na een brand in 1974 werd het geheel gerestaureerd.
In 1995 is het gebouw geopend als museum. Het gebouw doet zeer modern aan door de vorm, een rechthoekige acht, en een zeer grote hal met veel invallend buitenlicht. Het museum laat de collectie moderne kunst zien met zowel een permanente als wisselende tentoonstelling. Één van vele verdiepingen met moderne kunst is gevuld met kubisme, zowel met werken van Tsjechisch kunstenaars als met werken van Pablo Picasso, Georges Braque, Fernand Léger e.a. Daarnaast laat het museum zien de 19de en 20ste eeuwse Franse kunst en de Europese kunst van de 20ste eeuw.
Op nevenstaande plattegrond is het Veletrni Palác is aangegeven met nummer 13.
De Národní Galerie (=Moderne kunstgalerie) werd in 1902 opgericht door Keizer Franz Josef I om de moderne schilderijen, beelden en architectuur van kunstenaars uit het Tsjechisch koninkrijk te laten zien. De Tsjechische afgevaardigden in het Weense parlement gaven hun politieke steun. Gezien de opbouw van de bevolking waren er twee afdelingen, een Duitse en een Tsjechische, waarin een permanente tentoonstelling werd opgebouwd. In 1905 was de opening in het Wiehl paviljoen op het Praagse tentoonstellingsterrein. De eerste catalogus kwam in 1907 uit met werken van Preisler, Bílek, Maratka en Frantisek Kupka. Na het ontstaan van de republiek Tsjechoslowakije werden vele kunstwerken uitgeleend aan ministeries of aan andere musea. Het museum bestond louter op papier.
Van belang was een grote aankoop van Franse kunst met medewerking van de kunsttheoreticus Václav M. Nebeský (1889-1949) in 1923. Behalve werken, die gekocht werden op de tentoonstelling van 19e en 20e eeuwse kunst in Praag, werd door de Tsjechische regering een delegatie naar Parijs gestuurd om Franse kunst te kopen. Kramár en Filla maakten deel uit van deze delegatie, die voor 6 miljoen Tsjechische kronen, Franse kunst kocht. Werken van Picasso, Braque en Derain kwamen zo in het museum terecht. Verschil van mening over de aankoop van kunstwerken verlamde de aankoop en zelfs het aanvaarden van schenkingen. In 1926 werd een nieuwe permanente tentoonstelling geopend. Van moderne Tsjechische kunstenaars was weinig te zien. Van Emil Filla waren twee werken te zien en van Spála en Otto Gutfreund slechts één werk. Na 1934 werd via 'de vrienden van het museum' het gat in de collectie voor een deel gevuld. Werken van voor de Eerste Wereldoorlog van Filla, Bohumil Kubista, Josef Capek, Gutfreund, Arnost Procházka en Spála werden verkregen.
In 1942 werd de Národní Galerie gesloten en de collectie overgenomen door het Nationale Museum. Na de Tweede Wereldoorlog werd de moderne Tsjechische kunst vanaf 15 november 1945 tentoongesteld op de derde verdieping van in de Stadsbibliotheek en ging men op zoek naar een andere vaste plaats. De moderne Franse kunst werd vanaf 1954 ondergebracht in het Sternberg Paleis. Vlak voor zijn dood in 1960 schonk de verzamelaar van kubistisch kunst, Vincence Kramár, een groot deel van zijn kunstverzameling aan het Tsjechische volk. Terwijl de collectie was ondergebracht in het klooster van St. George en St. Agnes werd op 15 november 1978 vastgelegd dat het door brand beschadigde handelsbeursgebouw beschikbaar zou komen. Het duurde zeventien jaar voordat het gebouw klaar was.
Zie ook de bijbehorende webpagina Kubistische aankopen voor de Národní Galerie in 1923.