Het Stedelijk Van Abbemuseum te Eindhoven heeft in de vijftiger jaren van de twintigste eeuw de collectie uitgebreid met enkele kubistische werken. Verantwoordelijk voor deze aankopen was Edy De Wilde, de sinds 1 juli 1946 aangestelde directeur van het museum. Vanaf 1948 kreeg het museum van de gemeente Eindhoven een aankoopbudget, waarmee moderne kunst kon worden gekocht. Getracht werd met het aankopen van enkele werken van een kunstenaar een kernachtig beeld te geven.
Belangrijk voor de meer internationale richting van het museum was de tentoonstelling Moderne Meesters, die gehouden werd van 10 december 1947 t/m 9 februari 1948. Met behulp van verzamelaars, o.a. P.A. Regnault van wie 102 van de 146 werken afkomstig waren, en de musea Kröller-Müller, Stedelijk Museum en Boijmans Van Beuningen werden werken getoond van o.a. Maria Blanchard, Georges Braque, Paul Cézanne, Marc Chagall, André Derain, Leo Gestel, Juan Gris, Fernand Léger, Pablo Picasso, Gino Severini, en Ossip Zadkine. De Wilde verschoof met deze tentoonstelling van de nationale kunstenaars naar internationale avant-garde kunstenaars, die de moderne kunst vertegenwoordigden. Voorzichtig kwamen het kubisme en expressionisme als meest bepalende stromingen van de twintigste eeuw naar voren.
Op 23 februari 1949 benadrukte de Wilde tegenover de Eindhovense gemeenteraadsleden dat het Brabantse belang het beste gediend zou zijn met een collectie van nationale importantie. Met behulp van een schema gaf hij een overzicht van de moderne kunst en welke Nederlandse kunstenaars daarmee in verbinding stonden. Het kubisme had volgens de Wilde te maken met de Bergense School en de voorstellingsloze kunst. Volgens hem moest daarom werken van Charley Toorop, Leo Gestel, Gustave De Smet, Henri Le Fauconnier, Matthieu Wiegman, Piet Mondriaan en Werkman worden aangekocht. Ook voor de andere kunststromingen gaf de Wilde de gewenste Nederlandse representanten aan.
Op 18 oktober 1951 probeerde de Wilde opnieuw bij de gemeenteraadsleden politieke en financiële steun te krijgen voor een aankoopbeleid dat sinds zijn vorig bezoek internationaler was geworden. Ondanks grote meningsverschillen tussen de diverse groeperingen, die meebeslisten bij de aankopen, kreeg de Wilde de aankoop van de kubistische werken voor elkaar. Op 7 maart 1963 werd De Wilde benoemd tot directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam.
Aangezien het Van Abbemuseum een gemeentelijke instelling was, werden de aankopen door de directeur voorgesteld aan een Commissie van Advies en een Commissie van Toezicht. Na aanvaarding in deze commissies kwam het voorstel via B&W in de gemeenteraad van Eindhoven. In de commissie van advies zaten in de periode van de kubistische aankopen Bram Hammacher, die vanaf 1947 directeur was van het Kröller-Müllermuseum te Otterloo, en Hans Jaffé, conservator van het Stedelijk Museum te Amsterdam. De commissie van Toezicht bestond uit plaatselijke personen. De burgemeester van Eindhoven, H. Kolfschoten, was vanaf 1953 voorzitter van beide commissies. Vanaf oktober 1955 bestond de Commissie van Toezicht uit een voorzitter, twee gemeenteraadsleden en twee leden aangesteld op advies van de Eindhovense Museumkring.
In september 1951 werd het schilderij Hommage à Apollinaire uit 1911-1912 van Marc Chagall aan Edy de Wilde te koop aangeboden. Samen met Willem Sandberg, de directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, had de Wilde het schilderij in oktober 1949 al gezien bij de kunsthandelaar Günther Franke. Deze bood het schilderij toen te koop aan voor f 48.000,-. Het schilderij werd nu aangeboden voor een prijs van f 20.000,- via de Düsseldorfse kunsthandel Hella Nebelung namens mevrouw C.W. Crous-Lange, die geld nodig had voor het weer opbouwen van haar vaders familiebedrijf in Krefeld. Vanuit het Kunsthaus Zürich, waar het doek in bruikleen was ondergebracht daar het schilderij te groot was voor de woning van Hermann Langes dochter, werd het schilderij op zicht naar Eindhoven gestuurd. Na onderhandelingen kon het schilderij uiteindelijk voor 22.000 rijksmark (ongeveer f 20.000,-) worden gekocht in januari 1952. Het zou de enige aankoop in 1952 zijn.
In 1953 kwam de term basiscollectie in het Van Abbemuseum te voorschijn, waarvan Hommage à Apollinaire het middelpunt zou zijn. De bedoeling was om de basiscollectie te laten bestaan uit schilderijen uit de periode 1907-1914 die de ontwikkelingen in het expressionisme en kubisme zouden laten zien. Volgens De Wilde hadden deze kunststromingen de kunst van de twintigste eeuw bepaald. Om de basiscollectie te verkrijgen verzocht De Wilde in januari 1953 verschillende kunsthandelaren uit te kijken naar werken voor deze collectie. De Wilde zocht o.a. werken van kubisten Pablo Picasso, Fernand Léger, Georges Braque, Robert Delaunay, Lyonel Feininger en Piet Mondriaan. Een voorbeeld voor De Wilde was Georg Schmidt, de directeur van het Kunstmuseum Basel.
![]() | In 1953 zag De Wilde tijdens een tentoonstelling in het Musée National d'Art Moderne te Parijs één van de drie versies van l'Equipe de Cardiff uit 1913 van Robert Delaunay. Hij nam direct optie en kon het schilderij aanschaffen. In hetzelfde jaar werden ook Le Soleil - la lune en Les Trois Grâces, een voorstudie van La Ville de Paris, van Robert Delaunay nog bekeken, maar tot koop werd niet overgegaan. |
![]() | In 1953 werd via de kunsthandelaar T.P. Grange uit Londen het schilderij La Roche-Guyon uit 1909 van Georges Braque aangeboden voor 3000 Engelse ponden (ongeveer f 32.000,-). In een zeer uitvoerige brief van 1 augustus 1953 aan het College van B&W verdedigde De Wilde het aankoopvoorstel. Het schilderij, dat deel had uitgemaakt van de collectie Alphonse Kann, mocht gekocht worden. |
Eind 1953 waren diverse kubistische schilderijen van Pablo Picasso in de aanbieding, o.a. Femme nue assise uit 1908-1909, Femme nue uit 1909, Femme au pot de moutarde uit 1910 en Femme en vert uit 1909. Het laatste schilderij werd aangeboden voor $ 32.000 (ongeveer f 120.000,-) of te wel het aankoopbudget van twee jaar. De aankoop kon tenslotte worden gedaan, doordat de gemeenteraad op 18 januari 1954 een extra krediet van f 300.000,- voor de uitbreiding van de basiscollectie aannam. Op 29 januari 1954 bepaalde het College van B&W, dat voor maximaal f 115.00,- het schilderij Femme en vert mocht worden gekocht. Het schilderij werd tenslotte voor f 113.943,- gekocht via César de Hauke, een kunsthandelaar te Parijs, uit de collectie van Roland Penrose. Het schilderij was door de kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler, die een contract met Picasso had en daardoor Picasso's schilderijen ontving, verkocht aan de kunsthandelaar Wilhelm Uhde. De aankoop van Picasso's schilderij zorgde in Eindhoven voor verhitte debatten in de plaatselijke kranten. In de tijd van wederopbouw en financiële schaarste van na de Tweede Wereldoorlog werd een kapitaal uitgegeven aan kunst. Het schilderij Femme au pot de moutarde (=Vrouw met mosterdpot) uit 1910 zou uiteindelijk in 1956 in het Haags Gemeentemuseum terecht komen.
![]() | In augustus 1955 bracht De Wilde de Commissie van Toezicht en Advies op de hoogte van het aanbod van de Luzernse verzamelaar Siegfried Rosengart. Hij bood zowel het schilderij Nature morte au guéridon van Georges Braque uit 1918 als een werk uit de serie Contraste de formes van Fernand Léger aan. De prijs van Nature morte au guéridon was 135.000 Zwitserse francs (ongeveer f 120.000,-) en daarmee veel te hoog. Het schilderij was in bezit geweest van het Kunstmuseum Basel, maar was door de directeur Georg Schmidt met een kubistisch schilderij van Picasso geruild voor Les demoiselles aux bords de la Seine van Picasso uit 1950. |
![]() | In 1955 werd uit de collectie Schijvens-van Assendelft het schilderij Compositie XIV van Piet Mondriaan uit 1913 gekocht. Schijvens-van Assendelft bood in april 1955 tien schilderijen aan, waaronder de Mondriaan. Het werd in de basiscollectie door De Wilde opgenomen om de consequenties van het analytisch kubisme te tonen. Denkelijk was het schilderij één van de drie werken, die de Goudse dominee H. van Assendelft kocht op de tentoonstelling van 16 werken uit de periode 1913-1914 bij de Kunsthandel W. Walrecht te 's-Gravenhage in juni-juli 1914. |
![]() |
Nadat een werk van Braque, Delaunay en Picasso in de basiscollectie was opgenomen werd de aandacht verlegd naar een werk van Léger. Midden 1955 onderhandelde De Wilde met Léger over de aankoop van Le Passage à niveau uit 1912. Léger kwam echter terug op het aanvaarde bod. Bijna gelijktijdig werd een werk van Léger uit de serie Contraste de formes en het schilderij L'Escalier 2e état uit 1914 te koop aangeboden. Het schilderij Contraste de formes uit 1913 werd gelijk met het hierbovengenoemde schilderij Nature morte au guéridon van Braque aangeboden door Siegfried Rosengart, maar uiteindelijk niet gekocht. Het werk staat afgebeeld in het boek Great Collectors of Our Time; Art collecting since 1945, dat geschreven is door James Stourton, bij Siegfried en Angela Rosengart, die als kunsthandelaren actief zijn geweest. |
In augustus 1956 stelde De Wilde voor het schilderij L'Accordéon van Léger uit 1926 en het schilderij Nature morte van Juan Gris uit 1920 te kopen van Marianne Feilchenfeldt. Liever had De Wilde eerdere schilderijen van beide schilders, maar die waren moeilijker te verkrijgen. De Wilde had al in juli 1955 een optie genomen op het schilderij van Gris. De optie werd verleend tot 1 april 1957 mits voor 1 januari 1957 de aankoop van Légers schilderij rond was. De onderhandelingen over Gris' schilderij duurde zolang, dat de optie verliep en Feilchenfeldt de prijs verhoogde. L'Accordéon werd in april 1957 voor f 72.228,- gekocht voor de z.g. overgangsgroep, die de schakel moest vormen tussen de basiscollectie en de contemporaine kunst. Nature morte van Gris werd via een omweg gekocht, daar het geld ontbrak. De koekfabrikant Johan Peijnenburg uit Geldrop, die sinds oktober 1955 deel uitmaakte van de Commissie van Toezicht van het museum, kocht het schilderij met de bedoeling het binnen anderhalf jaar door te verkopen. In november 1958 kwam het doek in het bezit van het museum voor ongeveer f 80.000,-.
![]() Het enige kubistische beeld in de collectie is Marin et guitare van Jacques Lipchits uit 1917-1918. In mei 1958 had Lipchitz een tentoonstelling in het Kröller-Müllermuseum te Otterloo. Uit drie beschikbare beelden koos De Wilde voor Marin et guitare. Ondanks dat het beeld ook aan het Haags gemeentemuseum beloofd was, kon het Van Abbemuseum uiteindelijk het beeld in juni 1958 kopen. |
Ondanks dat De Wilde nog meer kubistische werken op zijn verlanglijst had staan wist hij dat dit door de steeds hogere prijzen denkelijk onhaalbaar was. Bovendien ging de belangstelling steeds meer naar hedendaagse kunst.
De bovengenoemde kubistische werken behoorden hoofdzakelijk tot de basiscollectie, die wegens de vele tentoonstellingen en het ruimtegebrek in het verleden vaak alleen in de zomermaanden getoond werden. Op een foto van de Collectiepresentatie van 1957 zijn enkele van de bovengenoemde schilderijen te zien. Van links naar rechts: De accordeon van Léger, Kandinsky, Stilleven op tafeltje van Braque, Hommage aan Apollinaire van Chagall en het beeld Matroos en gitaar van Jacques Lipchitz. Sinds de uitbreiding, die geopend is in 2003, zijn de kubistische werken indien niet uitgeleend constant zichtbaar.
Verdere informatie kunt u vinden in het boek Dat Museum is een mijnheer. De geschiedenis van het Van Abbemuseum 1936-2003 van René Pingen uitgegeven in 2005 te Amsterdam (ISBN: 978-9085460398).