Kaart   Website

Van Abbemuseum

Henri van Abbe en Kees van Dongen, 1938

Het Stedelijk Van Abbemuseum te Eindhoven is in 1936 door de N.V. Karel I Sigarenfabrieken, waarvan de Henri van Abbe (1880-1940) de eigenaar was, geschonken aan de gemeente Eindhoven. Eindhoven was in 1920 met vijf omliggende gemeenten uitgebreid en groeide mede door de N.V. Gloeilampenfabriek Philips tot een grote stad. Henri van Abbe meende dat Eindhoven behoefte had aan een museum voor moderne kunst. In de raadsvergadering van 30 januari 1933 werd het aanbod van Henri van Abbe bekend gemaakt. Naast de schenking van het gebouw zou tevens enkele jaren een geldbedrag voor het aankopen van werken en de exploitatie ter beschikking worden gesteld. De totale schenking zou f. 220.000,- bedragen (bijna 2 miljoen euro in 2005). De gemeenteraad besloot de grond voor het museum kosteloos ter beschikking te stellen.

Het museum is ontworpen door de tot de Delftse school behorende architect A.J. Kropholler (1881-1973). De bouw ging midden 1934 van start en op 14 september 1935 overgedragen aan de gemeente Eindhoven. Bijzonder was de symmetrische zaalindeling en de regeling van de lichtinval in een zeer sober gebouw. Helaas bleek al spoedig, dat er te weinig werkruimte was gepland in het gebouw. Per 1 februari 1936 werd dr. W.J.A. Visser voor twee dagen per week aangesteld als directeur. Een maand later volgde het tweede en tevens laatste personeelslid in de functie van conciërge en suppoost. Het toezicht op het museum berustte bij een commissie van minimaal vijf personen. De eerste werken, 26 stuks, werden gekocht uit de kunstverzameling van Henri van Abbe. Op zaterdag 18 april 1936 werd het museum geopend met de tentoonstelling Hedendaagse Nederlandsche Kunst. In 1940 bezat het museum ongeveer 60 schilderijen. Daarnaast had het museum geregeld de beschikking gehad van werken uit particuliere verzamelingen, zoals die van Henri van Abbe en de Amsterdammer W.F. Selderbeek.

Visser, 1939

Belangrijk voor de toekomst was het aannemen van de beleidsnota van Visser op 28 oktober 1937. Hierin werd uitgesproken dat het museum de belangrijkste representanten van de hedendaagse stromingen zou gaan verzamelen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de collectie hoofdzakelijk in de kelder opgeslagen. Op 20 februari 1942 diende Visser zijn ontslag in en op 1 april werd hij opgevolgd door P.J.G. Peeters. Na de bevrijding van Zuid-Nederland was van september 1944 tot 17 juni 1945 de Engelse Intelligence Service in het museum ondergebracht. Op 6 oktober 1945 opende het museum met de eerste naoorlogse tentoonstelling. De schilder Hendrik Wiegersma had de eer.

Edy de Wilde, 1962

Op 1 juli 1946 werd Mr. Edy de Wilde benoemd tot directeur als opvolger van de per 1 juli 1945 teruggekeerde Visser. Vanaf 1948 kreeg het museum van de gemeente Eindhoven een aankoopbudget, waarmee moderne kunst werd gekocht. Getracht werd met het aankopen van enkele werken van een kunstenaar een kernachtig beeld te geven.

Belangrijk voor de meer internationale richting van het museum was de tentoonstelling Moderne Meesters, die gehouden werd van 10 december 1947 t/m 9 februari 1948. De kunstverzamelaar P.A. Regnault leverde 102 van de 146 werken. Voorzichtig kwamen het kubisme en expressionisme als meest bepalende stromingen van de twintigste eeuw naar voren. Op 23 februari 1949 benadrukte de Wilde tegenover de Eindhovense gemeenteraadsleden dat het Brabantse belang het beste gediend zou zijn met een collectie van nationale importantie. Met behulp van een schema gaf hij een overzicht van de moderne kunst en welke Nederlandse kunstenaars daarmee in verbinding stonden. Het kubisme had volgens de Wilde te maken met de Bergense School en de voorstellingsloze kunst. Volgens hem moest daarom werken van Charley Toorop, Leo Gestel, Gustave De Smet, Le Fauconnier, Matthieu Wiegman, Mondriaan en Werkman worden aangekocht. Ook voor de andere kunststromingen gaf de Wilde de gewenste Nederlandse representanten aan.

Op 18 oktober 1951 probeerde de Wilde opnieuw bij de gemeenteraadsleden politieke en financiële steun te krijgen voor een aankoopbeleid dat sinds zijn vorig bezoek internationaler was geworden. Ondanks grote meningsverschillen tussen de diverse groeperingen, die meebeslisten bij de aankopen, kreeg de Wilde de aankoop van de kubistische werken voor elkaar.

Nieuwbouw

In de loop van de jaren is het museum uitgebreid. De laatste uitbreiding was in 2002. In dat jaar was het van Abbemuseum enige tijd gesloten wegens een ingrijpende renovatie en nieuwbouw. De tentoonstellingsruimte wordt vier keer zo groot. Zowel de renovatie als de nieuwbouw is ontworpen door de Nederlandse architect Abel Cahen. De Belgische vormgever Maarten van Severen heeft het interieur van een aantal nieuwe publieksvoorzieningen ontworpen. Blikvanger van de nieuwbouw is de 26 meter hoge toren met schuine wanden bekleed met de grijze leisteen Flammet uit Lapland.

Koningin Beatrix heeft op vrijdag 17 januari 2003 het ingrijpend gerenoveerde en uitgebreide van Abbemuseum geopend. Vanaf zondag 19 januari is het museum weer opengesteld voor het publiek.

De kubistische werken zijn ondergebracht in zaal 7 en 8 op de begane grond van het nieuwe gedeelte. Op 14 januari 2004 ontbrak het schilderij Femme en vert van Picasso, daar het was uitgeleend aan een museum in Wasington. Bij het museum vallen vele gekleurde vlakjes op. Waar deze vandaan komen bemerkt u als u het toegangskaartje koopt. Het toegangskaartje heeft een sticker die zichtbaar gedragen moet worden. Na afloop wordt deze sticker door vele bezoekers buiten ergens opgeplakt achtergelaten. Of dit de bedoeling is, vraag ik me wel af. Hiernaast ziet u de boosdoener.

Zie ook de webpagina Aankoop van de kubistische werken

Laatste wijziging: 101011