De Salon des Indépendants was een jaarlijks terugkerende tentoonstelling in mei om de productie van de wintermaanden te tonen aan een groot publiek. Er was geen jury aanwezig, maar een plaatsingscommissie. Bovendien werden er geen prijzen uitgereikt. Deze salon was in 1884 opgericht door o.a. de kunstenaars Georges Seurat, Odilon Redon en Paul Signac als reactie op de jaarlijkse Salon. Pas in 1886 werden 200 schilderijen tentoongesteld in een tijdelijk gebouw in de tuinen van de Tuilerieën. Tussen 1890 en 1914 werd bijna alle avant-garde kunst vertoond. Iedereen had het recht tegen betaling van 10 francs vier werken in te zenden, later (1906) werd dit tien werken voor 25 francs en vanaf 1909 slechts twee. In 1901 werden ruim duizend schilderijen getoond, in 1905 4.269 werken van 669 kunstenaars en in 1908 ruim zesduizend werken. In 1910 stelden 1182 kunstenaars tentoon en dit liep op tot 2175 in 1930. De criticus Louis Vauxcelles schatte in 1926 slechts 100 van de 3726 kunstwerken van enige waarde.
| jaar | datum | hommage aan: |
| 1902 | . | Overzichtstentoonstelling van Lautrec. |
| 1904 | 21 februari - 24 maart | Overzichtstentoonstelling van Seurat. |
| 1905 | 24 maart - 30 april | Overzichtstentoonstelling van Van Gogh. |
| 1906 | 20 maart - 30 april |
Op de tentoonstelling van 1907, die gehouden werd van 20 maart t/m 30 april, hingen van Georges Braque zes schilderijen, waarvan er vijf door de kunsthandelaar Wilhelm Uhde werden gekocht voor een totale prijs van 505 FF. Denkelijk kocht de kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler het zesde werk.
Op de tentoonstelling van 1908, die gehouden werd van 20 maart t/m 2 mei, hing van Georges Braque het schilderij La Femme, dat Guillaume Apollinaire opviel door zijn originaliteit. Het werk werd niet in de catalogus genoemd, maar wel beschreven in L'Intransigeant. Het was in ieder geval niet het schilderij Groot naakt, daar Inez Hayes Irwin (1873-1970) dit schilderij in haar dagboek beschreef tijdens het gezamenlijke bezoek van Inez en Gelett Burgess aan Braques atelier in de periode van de salon. Inez Hayes Irwin werkte voor diverse Amerikaanse tijdschriften als correspondente in Frankrijk en Italië. Inez Hayes was eerst getrouwd met Rufus Hamilton Gilmore en trouwde in 1916 met de schrijver Will Irwin.
Volgens John Golding was op de Salon des Indépendants van 1909, die gehouden werd van 25 maart t/m 2 mei, denkelijk het nevenstaande schilderij het eerste kubistische schilderij op een tentoonstelling te zien, n.l De Haven van Georges Braque. Het hing samen met een tweede schilderij van Braque, genaamd stilleven, in zaal 16 waar ook werken hingen van Derain, Dufy, Friesz, Laprade, Matisse, Jean Puy, Rouault en de Vlaminck.
In 1910 hingen in zaal 18 van de Salon des Indépendants, die gehouden werd van 18 maart t/m 1 mei, de werken van Metzinger, Le Fauconnier en Robert Delaunay bij elkaar. Van Henri Le Fauconnier hingen daar de Ploumanach landschappen: Le Ravin en Village dans les Montagne en de figuurstukken Femme à l'éventail (zie hiernaast) en Portret van Maroussia.
De Montparnasse-groep ontmoette elkaar bijna wekelijks op de vele z.g. soirees. Op dinsdag bezochten velen de mardis de Paul Fort bij de dichter en uitgever van het tijdschrift Vers et Prose Paul Fort. De bijeenkomst was in het café Closérie de Lilas. In het najaar van 1910 organiseerde ook Le Fauconnier bijeenkomsten in zijn atelier in de Rue Visconti. Deze bijeenkomsten versterkten de meningen om gezamelijk te exposeren.
Opmerkelijk was nog de aanwezigheid van een door de ezel Lolo gemaakt schilderij zonder dat het opviel.
In 1911 maakte de Montparnasse-groep hun ongenoegen duidelijk over de chaotische plaatsing in de voorgaande salons via een bezwaarschrift en leverde zij tevens een kandidatenlijst voor de plaatsingscommissie van de komende salon, die gehouden zou worden van 21 april t/m 13 juni. Door ook zitting te nemen in de telcommissie voor de stembriefjes werden de 'kubisten' met grote meerderheid gekozen. Dat het niet helemaal juist verliep bleek uit het aantal stemmen dat Metzinger had gekregen, n.l. meer dan het aantal aanwezige stemmers. In het voorjaar van 1911 kregen de kubisten uit Montparnasse een plaats in het comité de placement. Le Fauconnier was de secretaris. Hierdoor was het mogelijk dat de werken van een bepaalde stroming bijelkaar werden gehangen. Gebruikelijk tot nu toe was dat de werken op alfabetische volgorde van de kunstenaarsnamen hingen. In zaal 41 hingen van 21 april t/m 13 juni de werken van Delaunay, Gleizes, Léger, Metzinger en Le Fauconnier, Archipenko, maar ook van Marie Laurencin, Marc Chagall en Alfred Reth. In zaal 43 hingen werken van o.a. André Lhote, Roger de la Fresnaye, André Dunoyer de Segonzac, Luc Albert Moreau en André Mare. Hierdoor vielen de kubistische werken extra op tussen de ruim 6400 schilderijen. In zaal 42 was een retrospectieve tentoonstelling van de in 1910 overleden Henri Rousseau. De problemen en de werken zorgden voor genoeg publiciteit, o.a. in Gil Blas, Comoedia, Excelsior, Action, L'Oeuvre, Cri de Paris. Apollinaire schreef een lange recentie in het 20 april 1911 nummer van L'Intransigeant.
| kunstwerk | kunstenaar | titel |
![]() | Albert Gleizes | Le chemin Later bekend onder de naam: Landschap te Meudon |
![]() | Albert Gleizes | Vrouw met floxen |
| . | Jean Metzinger | Twee naakten |
![]() | Robert Delaunay | Eiffeltoren |
![]() | Fernand Léger | Naakten in het bos Naar aanleiding van dit schilderij noemde de schrijver Vauxcelles de term tubisme. |
![]() | Henri le Fauconnier | De overvloed |
![]() | Roger de la Fresnaye | De geharnasden (kurassier) |
Het hierboven staande schilderij 'De overvloed' van Henri le Fauconnier, dat mede door het grote formaat een blikvanger was, zorgde voor een sensatie. Dit schilderij werd kort daarna gekocht door de Nederlander Conrad Kickert, die secretaris was van de Moderne Kunstkring. In 1934 schonk hij het schilderij aan het Gemeentemuseum Den Haag. Jacoba van Heemskerck had drie werken op de tentoonstelling van 1911 hangen, waaronder Bois (=Bosch) en Nu (=Naaktfiguur).
Om het onoverzichtelijke van de vorige exposities tegen te gaan besloot het bestuur in 1912 dat op de tentoonstelling, die gehouden werd van 20 maart t/m 16 mei, per inzender maximaal drie werken kon worden ingestuurd. Op aandringen van Apollinaire kozen enkele kubisten voor grote werken. Daar ook in 1912 Le Fauconnier samen met Gleizes, Léger, Metzinger en Archipenko deel uit maakte van het plaatsingscommissie hadden uitsluitend de kubisten een gemeenschappelijke zaal. In zaal 20 hingen de werken van de Montparnasse-groep. Van Le Fauconnier hing De Jager op de salon, die later in het jaar ook te zien was bij de Moderne Kunstkring te Amsterdam. Juan Gris deed voor het eerst mee aan een expositie met drie schilderijen. De schilderijen van Gris werden door Apollinaire in een artikel in L'Intransigeant van 25 maart Integral Cubism (=wezenlijk kubisme) genoemd.
| kunstwerk | kunstenaar | titel |
![]() | Metzinger | Vrouw op een Paard |
![]() | Metzinger | De Haven |
![]() | Léger | De bruiloft. Tijdens de expositie: Composition avec Personnages |
![]() | Le Fauconnier | Jager (schets) |
![]() | Delaunay | Stad Parijs |
| Gleizes | De Baadsters |
![]() | Juan Gris | Portret van Picasso |
![]() | Lodewijk Schelfhout | Les Angles |
Van Jacoba van Heemskerck waren drie werken aanwezig: Vieillard, Portrait en Fleurs.
Op de tentoonstelling van 1913 waren de kubistische werken in zaal 46 te zien. In zaal 45 hing o.a. het werk van Delaunay, Delaunay-Terk, Kupka, Morgen Russel en MacDonald Wright. Hierdoor was het de eerste tentoonstelling waar het orphisme en het synchromisme nadrukkelijk aanwezig was. In de door Apollinaire in de krant L'Intransigeant genoemde Salle hollandaise (=zaal 43) hingen werken van Peter Alma, Jacoba van Heemskerck, Piet Mondriaan, Otto van Rees en Louis Schelfhout
| kunstwerk | kunstenaar | titel |
| Metzinger | De blauwe vogel | |
| Léger | Nu dans un atelier |
![]() | Delaunay | Voetbalelftal van Cardiff |
| Gris | Man in Café |
| Gleizes | De Voetballers |
Op deze tentoonstelling was door het grote aantal en de grote afmetingen de grootste zaal op de begane grond voor het orphisme gereserveerd.
| kunstwerk | kunstenaar | titel |
| Sonia Delaunay-Terk | Prismes èlectrique mouvement couleur 'Simultané' |
| Delaunay | Eerbetoon aan Blèriot |
| Delaunay | Disques solaires | |
| Delaunay | Formes | |
| Bruce | Mouvement | |
| Bruce | Couleurs | |
| Bruce | Espace 'Simultané' | |
| Frost | Soleils 'Simultanés' |
Na de Eerste Wereldoorlog was er een opleving van het kubisme, o.a. door de tentoonstellingen in de Galerie l'Effort Moderne van Léonce Rosenberg.
In de Salon des Indépendants, die op 28 januari 1920 opende met ruim drie duizend werken, was een grote afdeling met kubistische schilderijen. Voor het eerst na de Eerste Wereldoorlog was er een expositie, die net zoals de Salon d'Automne werd gehouden in het Grand Palais. Van Picasso was hier niets te zien, maar wel van o.a. Braque, Gris, Léger, Metzinger, Herbin, Severini, Lipchitz, Survage, Gleizes, Hayden en Archipenko. In een brief van 31 januari 1920 aan Kahnweiler schreef Juan Gris dat Braque weigerde zijn schilderijen in dezelfde zaal als die van hem te hangen. Léger, Lhote, Metzinger en Segonzac waren leden van de commissie, die de plaatsing van werken bepaalde.
In de Salon des Indépendants, die op 25 januari 1921 opende, was volgens een correspondent in Het Vaderland van maandag 31 januari een kleinere afdeling met kubistische schilderijen dan in het vorige jaar. Picasso, Braque en Metzinger waren niet aanwezig, wel Albert Gleizes, Ferat, Hayden, Markoussis, Hellesen en Survage. Bij de kubisten waren ook schilderessen, o.a. Hélène Pordriat, Marthe Laurens, Irène Lagut, Alice Halicka en Lewitzka, ondergebracht. Op de tentoonstelling was ook werk van Bissière, Maria Blanchard, Raoul Dufy, André Lhote, Lipchitz en Zadkine aanwezig.
Tegen de plaatsingscommissie werd vanaf 1920 door Signac oppositie gevoerd, daar hij voorstander was van een alfabetische volgorde. Léger verliet de plaatsingscommissie in 1923. In 1924 werd zowel in ingedeeld op nationaliteit en op alfabetische volgorde. Lhote verliet de plaatsingscommissie, die uit 20 personen bestond, samen met acht andere leden in 1925. Lhote was van mening, dat de veranderingen de Salon vooral bedoeld was voor 'zondagsschilders'. Signac en zijn medestanders verdedigden de alfabetische volgorde met 'gelijke aandacht voor alle deelnemers' en dat er geen plaats was voor 'les petites chapelles', groepsuitingen. Het laatste was vooral gericht tegen de (neo)kubisten, die zich na de Eerste Wereldoorlog weer wilden profileren.
Van 26 maart t/m 19 april 1970 werd in het Grand Palais te Parijs tijdens de 81ste expositie van de Salon des Indépendants de tentoonstelling Les Indépendants de 1911-1914, rétrospective gehouden. Op deze tentoonstelling hing het nevenstaande schilderij Femme en rouge et vert van Fernand Léger uit 1914. Dit schilderij behoorde op dat moment tot het z.g. Musées Nationaux Récupération.
| Terug naar overzicht: | ![]() |