De Section d'Or was de naam voor een drietal tentoonstellingen in Parijs, die gehouden werden door een groep kunstenaars die vooral in de kubistische stijl werkten, maar ook andere kunstenaars mochten hun werken tentoonstellen. Als vervolg op de Parijse tentoonstelling werd ook in andere plaatsen een deel tentoongesteld onder dezelfde naam. De naam had volgens een artikel in L'intransigeant van 10 oktober 1912 te maken met de Gulden snede. De Puteaux-groep hield zich ook bezig met theoretische wiskundige beschouwingen, bv. de niet-euclidische meetkunde van Henri Poincaré (1854-1912) en Bernhard Riemann (1826-1866) en de vierde dimensie. Vooral de verzekeringsactuaris Maurice Princet, die als schrijver meedeed aan de speciale schriftelijke uitgave bij de eerste tentoonstelling, groot acht bladzijden, speelde een belangrijke rol.
Naast de tentoonstellingen in 1912, 1920 en 1925 werden tentoonstellingen van La Section d'Or gehouden in het buitenland.
De eerste Section d'Or werd gehouden van 10 t/m 30 oktober 1912 in de Galerie La Boétie, rue La Boétie 64bis. Jacques Villon was de naamgever en mede-organisator van deze tentoonstelling. Vooral Francis Picabia zorgde ervoor dat de tentoonstelling tot stand kwam. Hij zorgde zowel voor financiële middelen als voor een ruimte, n.l. een oude meubelopslagplaats. Opvallend was dat de uitnodiging voor de opening gemaakt was in naam van Marcel Duchamp, die in de voorbereidende periode hoofdzakelijk in het buitenland verbleef, te samen met Albert Gleizes, Picabia, Pierre Dumont en Henry Valensi, die als secretaris optrad.
Henry Valensi nodigde per brief van 15 mei 1912 28 schilders uit voor een te houden tentoonstelling in oktober 1912. (Zie nevenstaande brief) Iedere kunstenaar mocht 10 schilderijen insturen. Voor 1 juni moest gereageerd worden om te kunnen deelnemen. In de brief stonden ook de namen van de andere schilders, die werden uitgenodigd. Uit de hieronder op deze webpagina staande lijst van deelnemers volgt dat later nog anderen werden uitgenodigd en/of toegelaten en het aantal van 10 werken werd losgelaten. Ondanks, dat in een brief van 1 september nog over een geïllustreerde catalogus werd gesproken, waren er geen reproducties in de catalogus opgenomen. Opvallend was, dat de tentoonstelling gelijk gehouden zou worden met de Salon d'Automne.
Op 9 oktober 1912 was om 21.00 uur de feestelijke opening. Bij de tentoonstelling was een door Eugène Figuière gedrukte catalogus, waarvoor René Blum het voorwoord schreef. Er waren werken te zien van de volgende 'kubisten'.
Te zien waren meer dan 185 werken van bovengenoemde kunstenaars en van Marie Laurencin (6 werken), Honoré Auclair (3 werken), Agero (10 werken), Jean-Hippolyte Marchand (5 werken), André Mare (1 werk), André Dunoyer de Segonzac (1884-1974), Luc Albert Moreau (3 werken) , Paul Vera (4 werken), Demetrius Galanis (4 werken), Alcide Le Beau (3 werken), René Hassenberg (10 werken), Sonia Lewitzka [ook geschreven: Lewiska] (4 werken), Eugène Tirvert (3 werken) en Ernest-Fréderic Wield (2 werken). Er waren dus vele niet-kubisten aanwezig, maar Robert Delaunay en Henri Le Fauconnier ontbraken.
| kunstwerk | kunstenaar | titel | jaar |
![]() | Juan Gris | Huizen in Parijs | 1911 |
![]() | Juan Gris | Man in het Café | 1912 |
![]() | Juan Gris | De Wastafel | 1912 |
![]() | Juan Gris | Het Horloge | |
![]() | Fernand Léger | De bruiloft | 1911-1912 |
![]() | Albert Gleizes | Vrouw met flox | 1910 |
![]() | Albert Gleizes | De jacht | 1911 |
![]() | Albert Gleizes | Vrouw in een keuken | 1911 |
![]() | Jean Metzinger | Theetijd | 1911 |
![]() | Marcel Duchamp | Naakt, een trap afdalend, no 2 | 1912 |
![]() | Roger de la Fresnaye | Het dorp Meulan | 1912 |
Volgens de dichter Nicolas Beauduin zorgde Apollinaire er persoonlijk voor, dat Kupka op het laatste moment nog drie werken tentoonstelde. Vandaar dat Kupka niet in de catalogus en perspresentatie stond vermeld. Apollinaire verwees naar de werken tijdens zijn voordracht op de tweede dag van de tentoonstelling.
Een van de grootste schilderijen die op de expositie te zien was is het nevenstaande schilderij van Albert Gleizes Le Dépiquage des Moissons (=Het Dorsen van de Oogst) dat een gehele wand van de Galerie de la Boétie besloeg met de afmetingen van 2,69 m bij 3,53 m.
Tijdens de tentoonstelling werden lezingen gegeven. Bekend is vooral de lezing die Guillaume Apollinaire gaf op 11 oktober 1912 onder de titel L'Écartèlement du Cubism (= De vierendeling van het kubisme). (Bij Golding: 12 oktober met de titel Le Cubisme Ecartelé.) Apollinaire gaf hierin een verdeling van het kubisme in twee hoofdstromingen, n.l. het wetenschappelijk en het orphisch kubisme, en twee afgeleide stromingen, n.l het fysisch en instinctief kubisme. Hij herhaalde de indeling in Le Temps van 14 oktober en in het op 17 maart 1913 verschenen boek 'Méditations esthétiques. Les Peintres Cubistes'. De andere lezingen werden gehouden door René Blum, Olivier Hourcade en Maurice Raynal.
Gelijk met de tentoonstelling werd gestart met een periodiek onder dezelfde naam. De hoofdredacteur was Pierre Dumont en de secretaris Pierre Reverdy. Medewerkers, die in alfabetische volgorde op het voorblad werden vermeld, waren: Apollinaire, Roger Allard, René Blum, Gabrielle Buffet, Adolphe Basler, Max Goth, Olivier-Hourcade, Max Jacob, René Muller, Jacques Nayral, Maurice Princet, Maurice Reynal, Pierre Reverdy, P. N. Roinard, André Salmon, Paul Villes, André Warnod en Francis Yard. Het bleef bij één nummer.
Apollinaire opende met het artikel Jeune peintres ne vous frappez pas!, daarna de artikelen L'Exposition de la 'Section d'Or' geschreven door Maurice Raynal, Impressionisme musical door Gabrielle Buffet, A un pauvre écoeuré door Pierre Reverdy en tot slot La revue de la presse et des livres door Marc Brésil.
Opmerking.
Op de catalogus bij de expositie staat zowel bij het adres als bij de naam van de galerie La Boëtie in plaats van La Boétie. Het is voor mij nog onduidelijk waardoor een andere schrijfwijze veroorzaakt is. De straat is genoemd naar de Franse schrijver Etienne de La Boétie (1530-1563).

De tweede expositie werd gehouden in de Galerie La Boétie vanaf 5 maart 1920. Braque (geschreven als Bracque) was voor het eerst op de Section d'Or te zien. De deelnemers waren de schilders Angiboult (=Hélène d'Oettingen), Buchet, Serge Férat, Albert Gleizes, Natalja Gontscharowa, Thorvald Helessen, Frantisek Kupka, Irène Lagut, Larionov, Fernand Léger, Louis Marcoussis, Jeanne Rij-Rousseau, Léopold Survage, Tour-Donas, Marie Vasilieff, Jacques Villon, Valmié (=Georges Valmier) en de beeldhouwers Alexander Archipenko, Constantin Brancusi, Raymond Duchamp-Villon en Henri Laurens. Dankzij het tijdschrift Soirées de Paris van Apollinaire en Férat waren ook Russen betrokken bij het kubisme. Ook buiten Parijs werden onder dezelfde naam tentoonstellingen gehouden. De eigentijdse kunststijlen van die tijd, zoals De Stijl, Bauhaus, het Russische constructivisme en het Italiaanse futurisme, waren ook vertegenwoordigd. Zie La Section d'Or in het buitenland.

De derde tentoonstelling werd gehouden van 10 t/m 31 januari 1925 in de pas gestarte Galerie Vavin-Raspail, die gevestigd was op de hoek van de Rue Vavin en de Boulevard Raspail door Alfred Daber en Max Berger. Deze tentoonstelling was eerder een terugblik op de kubistische ontwikkeling in de kunst. Er waren nu ook werken te zien van Picasso, Braque en Delaunay. Het voorwoord van Guillaume Dalbert was getiteld La Section d'or 1912-1915. Aan de deelnemers werd door Daber en Berger gevraagd een recent werk en enkele werken, die op de eerste Section d'or hadden gehangen. In totaal waren 55 werken aanwezig op deze tentoonstelling.
Op onderstaande foto is links het schilderij De Eiffeltoren van Robert Delaunay uit 1910 te zien met daarnaast vijf niet-kubistische schilderijen. Op de achterwand zijn op de bovenste rij van links naar rechts te zien: van Albert Gleizes de schilderijen Portret van de uitgever Figuière uit 1913 en De Jacht uit 1911, van André Lhote Bacchante uit 1910 en van Juan Gris Boek, pijp en glazen uit 1915. Op de onderste rij hangen De baadsters van Gleizes uit 1912, een nog niet herkend werk, Stilleven van Lhote uit 1912 en De Viool van Gris uit 1920. Op de verhoging staat Het paard van Raymond Duchamp-Villon uit 1914. De Viool van Gris uit 1920 werd door Raoul La Roche in 1933 geschonken aan het Kunsthaus te Zürich.
| Door een tik op een van de kubistische werken wordt een (gekleurde) afbeelding getoond. |
