Section d'Or

De Section d'Or was de naam voor een drietal tentoonstellingen in Parijs, die gehouden werden door een groep kunstenaars die vooral in de kubistische stijl werkten, maar ook andere kunstenaars mochten hun werken tentoonstellen. Als vervolg op de Parijse tentoonstelling werd ook in andere plaatsen een deel tentoongesteld onder dezelfde naam. De naam had volgens een artikel in L'intransigeant van 10 oktober 1912 te maken met de Gulden snede. De Puteaux-groep hield zich ook bezig met theoretische wiskundige beschouwingen, b.v. de niet-euclidische meetkunde van Poincarré en Riemann en de vierde dimensie. Vooral de verzekeringsagent Maurice Princet, die als schrijver meedeed aan de speciale schriftelijke uitgave bij de eerste tentoonstelling, groot acht bladzijden, speelde een belangrijke rol.


1912

De eerste Section d'Or werd gehouden van 10 t/m 30 oktober 1912 in de 'Galerie La Boétie', rue La Boétie 64bis. Jacques Villon was de naamgever en mede-organisator van deze tentoonstelling. Vooral Francis Picabia zorgde ervoor dat de tentoonstelling tot stand kwam. Hij zorgde zowel voor financiële middelen als voor een ruimte, n.l. een oude meubelopslagplaats. Opvallend was dat de uitnodiging voor de opening gemaakt was in naam van Marcel Duchamp, die in de voorbereidende periode hoofdzakelijk in het buitenland verbleef, te samen met Albert Gleizes, Picabia, Pierre Dumont en Henry Valensi, die als secretaris optrad.

Er waren werken te zien van de kubisten Juan Gris (12 werken waaronder Huizen in Parijs, Man in het Café, onder de titel De Kapper De Wastafel, Het Horloge), Fernand Léger (6 werken), Albert Gleizes (15 werken, waaronder Vrouw met Phlox en De Jacht.), Natalja Gontscharowa (6 werken), Jean Metzinger (12 werken, waaronder Theetijd), André Lhôte (10 werken), Robert Delaunay, Louis Marcoussis (7 werken), Roger de la Fresnaye, Marcel Duchamp (6 werken), Raymond Duchamp-Villon (1 werk), Jacques Villon (4 werken), Francis Picabia (13 werken), Alexander Archipenko (3 werken), Frantisek Kupka (3 werken), Tobeen (11 werken), Pierre Dumont (3 werken) en Henri Valensi (11 werken). Te zien waren meer dan 185 werken van bovengenoemde kunstenaars en van Marie Laurencin (6 werken), Honoré Auclair (3 werken), Agero (10 werken), Jean-Hippolyte Marchand (5 werken), André Mare (1 werk), André Dunoyer de Segonzac (1884-1974), Luc Albert Moreau (3 werken) , Paul Vera (4 werken), Demetrius Galanis (4 werken), Alcide Le Beau (3 werken), René Hassenberg (10 werken), Sonia Lewitzka [ook geschreven: Lewiska] (4 werken), Eugène Tirvert (3 werken) en Ernest-Fréderic Wiel (2 werken). Er waren dus vele niet-kubisten aanwezig!

Volgens de dichter Nicolas Beauduin zorgde Apollinaire er persoonlijk voor, dat Kupka op het laatste moment nog drie werken tentoonstelde. Vandaar dat Kupka niet in de catalogus en perspresentatie stond vermeld. Apollinaire verwees naar de werken tijdens zijn voordracht op de tweede dag van de tentoonstelling.

Le Dépiquage des Moissons, 1912, afm.: 269 x 353 cm

Een van de grootste schilderijen die op de expositie te zien was is het nevenstaande schilderij van Albert Gleizes Le Dépiquage des Moissons (=Het Dorsen van de Oogst) dat een gehele wand van de Galerie de la Boétie besloeg met de afmetingen van 2,69 m bij 3,53 m.

Tijdens de tentoonstelling werd een drietal lezingen gegeven. Bekend is vooral de lezing die Guillaume Apollinaire gaf op 11 oktober 1912 onder de titel L'Ecartèlement du Cubism (= De vierendeling van het kubisme). (Bij Golding: 12 oktober met de titel Le Cubisme Ecartelé.) Apollinaire gaf hierin een verdeling van het kubisme in twee hoofdstromingen, n.l. het wetenschappelijk en het orphisch kubisme, en twee afgeleide stromingen, n.l het fysisch en instinctief kubisme. Hij herhaalde de indeling in Le Temps van 14 oktober en in het op 17 maart 1913 verschenen boek 'Méditations esthétiques. Les Peintres Cubistes'. De andere lezingen werden gehouden door Hourcade en Maurice Raynal.

Opmerking.
Op de catalogus bij de expositie staat zowel bij het adres als bij de naam van de galerie La Boëtie in plaats van La Boétie. Het is voor mij nog onduidelijk waardoor een andere schrijfwijze veroorzaakt is. De straat is genoemd naar de Franse schrijver Etienne de La Boétie (1530-1563).

Gelijk met de tentoonstelling werd gestart met een periodiek onder dezelfde naam. Medewerkers, die in alfabetische volgorde op het voorblad werden vermeld, waren: Apollinaire, Roger Allard, René Blum, Gabrielle Buffet, Adolphe Basler, Max Goth, Olivier-Hourcade, Max Jacob, René Muller, Jacques Nayral, Maurice Princet, Maurice Reynal, Pierre Reverdy, P. N. Roinard, André Salmon, Paul Villes, André Warnod en Francis Yard. Het bleef bij één nummer.


1920

Galerie La Boétie, 1920 Galerie La Boétie, 1920

De tweede expositie werd gehouden in de Galerie La Boétie vanaf 5 maart 1920. Braque (geschreven als Bracque) was voor het eerst op de Section d'Or te zien. De deelnemers waren de schilders Angiboult (=Hélène d'Oettingen), Buchet, Serge Férat, Albert Gleizes, Natalja Gontscharowa, Thorvald Helessen, Frantisek Kupka, Irène Lagut, Larionov, Fernand Léger, Louis Marcoussis, Jeanne Rij-Rousseau, Léopold Survage, Tour-Donas, Marie Vasilieff, Jacques Villon, Valmié (=Georges Valmier) en de beeldhouwers Alexander Archipenko, Constantin Brancusi, Raymond Duchamp-Villon en Henri Laurens. Dankzij het tijdschrift Soirées de Paris van Apollinaire en Férat waren ook Russen betrokken bij het kubisme. Ook buiten Parijs werden onder dezelfde naam tentoonstellingen gehouden. De eigentijdse kunststijlen van die tijd, zoals De Stijl, Bauhaus, het Russische constructivisme en het Italiaanse futurisme, waren ook vertegenwoordigd. Zie Section d'Or in het buitenland.


1925

1925

De derde tentoonstelling werd gehouden in 1925 in de pas gestarte Galerie Vavin-Raspail, die gevestigd was op de hoek van de Rue Vavin en de Boulevard Raspail door Alfred Daber en Max Berger. Deze tentoonstelling was eerder een terugblik op de kubistische ontwikkeling in de kunst. Er waren nu ook werken te zien van Picasso, Braque en Delaunay.

Uitvoerige beschrijvingen kun je vinden in het artikel La Section d'or, fortune du cubisme 1912-1925 van Sylvain Amic, conservator van het museum Fabre, dat verschenen is in La Rencontre, revue des Amis du musée Fabre, december 2000. Het artikel is naar aanleiding van de in 2000 gehouden tentoonstelling Section d'Or 1912, 1920 et 1925 in Chateauroux en Montpellier.




Terug naar overzicht: