Armory Show

In het begin van de twintigste eeuw was het in de Verenigde Staten moeilijk als 'modernist' zijn werken tentoon te stellen. Om hierin verandering te brengen richtte een aantal kunstenaars op 19 december 1911 in de Madison Gallery de Association of American Painters and Sculptors, Inc op. De belangrijkste oprichters waren Henry Fitch Taylor, Jerome Myers, Elmer MacRae en Walt Kuhn. Na wat problemen werd Arthur B. Davies de voorzitter, Walt Kuhn secretaris en Elmer MacRae de penningmeester. Men wilde een spraakmakende expositie van Amerikaanse en buitenlandse kunst en men ging op zoek naar een geschikte expositieruimte. Madison Square Garden viel af wegens zijn grootte en prijs. Kuhn bezocht in navolging van de expositie van de National Sculpture Society in Baltimore in 1908 een groot aantal kazernes en in april 1912 ook het nieuwe Armory van het 69ste Regiment van de National Guard, genaamd The Fighting Irish op de Lexington Avenue. Voor $ 5000 kon de AAPS de ruimte voor een maand huren. De bijkomende kosten waren $ 500. Op 6 mei 1912 werd de overeenkomst met kolonel Louis D. Conley gesloten.

Arthur B. Davies Walt Kuhn Elmer L. MacRae Walter Pach
Arthur B. Davies Walt Kuhn Elmer L. MacRae Walter Pach

Naar aanleiding van de katalogus van de in Keulen gehouden Internationale Kunstaustellung des Sonderbundes Westdeutscher Kunstfreunde und Künstler vertrok op verzoek van Davies Walt Kuhn naar Europa. Kuhn bereikte op de voorlaatste dag van de expositie Keulen en bezocht op de laatste openingsdag, 30 september 1912, de Keulse expositie. Hij was zeer onder de indruk van de werken van Van Gogh (125), Gauguin (25), Cézanne/a> (26), de neoimpressionist Henri Cross (17), Signac (18), Picasso (16), Braque (7), Bonnard, Vuillard, Matisse, Derain, de Vlaminck, Marquet, Manguin, Maillol, Laurencin, Munch (32), Mondriaan, Kees van Dongen en vele andere kunstenaars. Kuhn bezocht daarna Den Haag (5 oktober), Amsterdam (7 oktober), Berlijn (8 oktober) en München (13 oktober) om afspraken te maken voor het lenen van kunstwerken voor de Amerikaanse expositie. Op 25 oktober kwam Kuhn in Parijs aan en verzocht hij Davies naar Parijs te komen. In Parijs bezocht hij samen met Davies, die op 6 november arriveerde, en de Amerikaanse schilder Walter Pach (11/7/1883-27/11/1958), die al enkele jaren in Parijs verbleef, Leo en Gertrude Stein, vele galeries en ateliers, o.a. van Raymond Duchamp-Villon en Constantin Brancusi. In een zeer korte tijd werden afspraken gemaakt met kunstenaars en kunsthandelaren.

Blauw naakt, afm.: 92 x 140 cm Vaas, kalebas en fruit op een tafel; afm.: 72 x 59 cm

Van de familie Stein zou drie schilderijen van Matisse lenen, o.a. het nevenstaande Blauw Naakt uit 1907 en twee schilderijen van Picasso. o.a. het nevenstaande schilderij Vaas, kalebas en fruit op een tafel uit 1909. Via de Amerikaanse schilder Jo Davidson kwamen Davies en Kuhn in contact met de advocaat Arthur T. Aldis, die banden had met het Art Institute te Chicago en interesse had om de expositie ook in Chicago te houden.

Nadat zij Walter Pach als Europesche vertegenwoordiger hadden aangesteld, vertrokken Davies en Kuhn op 12 november naar Londen om de tweede Grafton Show van Roger Fry, die op 25 oktober was geopend, te zien. Officieel heette de expositie: The Second Post-Impressionist Exhibition en werd gehouden in de Grafton Galleries. Matisse was de belangrijkste schilder met 41 werken. Daarna kwam Picasso met 16 werken. Behalve Franse schilderijen waren er ook Engelse en Russische werken te zien. Op 21 november vertrokken Davies en Kuhn vanuit Liverpool met de S.S. Celtic terug naar New York, waar zij op 30 november aankwamen. In een persbericht van 12 december werd melding gemaakt dat Davies en Kuhn erin waren geslaagd om 399 schilderijen en 21 beeldhouwerken te lenen voor de komende expositie. Op 17 december werden de leden van de kunstenaarsbond op de hoogte gebracht en startte de voorbereiding voor een tentoonstelling.

New York

Voor de inrichting van de grote ruimte werden wanden gemaakt om de ruimte te verdelen in 18 afzonderlijke zalen. Half januari kwamen de meeste werken in New York met de S.S. Mexico en de S.S. Chicago aan. De Amerikaanse werken mochten pas op 13 februari gebracht worden. In twee dagen werden bijna 1300 kunstwerken, waarvan twee-derde Amerikaans, gemaakt door ongeveer 300 kunstenaars, opgehangen of geplaatst. Behalve op uitnodiging kon elke Amerkaanse schilder tegen een geringe betaling twee werken tentoonstellen. Op 16 februari werd de tentoonstelling voor de pers geopend. Walter Kuhn en Frederick James Gregg, die als redacteur bij de New Yorkse Evening Sun had gewerkt, hadden voor nationale publiciteit gezorgd. De bovenaan de bladzijde staane poster was naar scholen, bibliotheken en musea gestuurd en op briefkaartformaat gratis uitgedeeld. Voor de expositie werden 50.000 catalogussen gedrukt en een supplement om de gegevens bij te werken en de plaats van de kunstwerken aan te geven. Tijdens de tentoonstelling werden vier brochures verkocht, waaronder een van Pach over Duchamps-Villons La Maison Cubiste onder de titel A Sculptor's Architecture. Op 13 januari met de S.S. Mexico en op 16 januari 1913 met de S.S. Chigaco kwamen de kunstwerken uit Europa in New York aan.

Griswold, 20-3-1913

Francis Picabia was de enige aanwezige kubist bij de opening. De verschillende stromingen, zoals classicisme, romantiek, realisme, impressionisme, fauvisme, kubisme, expressionisme en abstracte kunst, waren aanwezig. De tentoonstelling werd ondersteund door vele artikelen in verschillende kranten, reclamebiljetten, folders en van 57 werken ansichtkaarten. Alfred Stieglitz schreef in het nummer van 26 januari 1913 van de Sunday New York American een voorbereidend artikel genaamd The First Great Clinic to Revitalize Art. Ook Stieglitzs tijdschrift Camera Work had in juni 1913 een speciaal nummer over de Armory Show met bijdragen van o.a. Gertrude Stein en Francis Picabia. Tijdens de tentoonstelling waren behalve positieve ook veel negatieve reacties. In The Evening Sun van 20 maart 1913 stond de nevenstaande cartoon van J,F, Griswold met de tekst Seeing New York with a Cubist: The Rude Descending a Staircase (Rush Hour at the Subway), naar aanleiding van Marcel Duchamps Naakt, een trap afdalend.

De zalen die voor de meeste commotie zorgden waren de kubisten aan de zuidkant, zaal I, en de Engelse en Duitse expressionisten aan de noordkant, zaal G. De tentoonstelling 'International Exhibition of Modern Art' werd van 17 februari tot 15 maart 1913 in New York gehouden. Ondanks de positieve berichtgeving in de Sun en de Evening Post kwam het bezoek slecht op gang. Pas na de derde week werd het geweldig druk. Op de laatste dag bezochten bijna 10.000 mensen de expositie. Het was zo druk, dat enige tijd de deuren gesloten moesten worden voor nieuwe bezoekers.

De tentoonstelling werd door de gehouden plaats bekend onder de naam Armory Show. De Amerikanen kregen de kans uitgebreid kennis te maken met de Europese kunst, die ongeveer een derde deel van de 1300 werken omvatte. In New York trok de tentoonstelling ongeveer 87.620 bezoekers. Na het afsluitende feest van de New Yorkse tentoonstelling op 15 maart werd met het afbreken begonnen. 's Morgens om 10 uur was de zaal leeg.

Opmerking.
In 1938 verscheen in New York de uitgave The Story of the Armory Show geschreven door Walt Kuhn, waarin o.a. de lijst staat van de ongeveer 300 kunstenaars, die meededen aan de tentoonstelling.
Een mooie uitgebreide Engelstalige website over de Armoryshow is xroads.virginia.edu/~MUSEUM/Armory/entrance.html

Chicago

zaal 53, kubismezaal 53, kubisme

Dankzij de voorbereidingen was het mogelijk om in één week een groot gedeelte van de werken over te brengen en op te hangen in Chicago. De kubisten kwamen bijelkaar in zaal 53. Van 24 maart t/m 16 april werd de tentoonstelling gehouden in The Art Institute te Chicago. Hier waren bijna alle Franse werken te zien en een gedeelte van de Amerikaanse, Engelse, Ierse en Duitse werken. De bijna 188.650 bezoekers zagen 634 werken. In verband met negatieve berichtgeving in de plaatselijke pers, maakten Pach, Kuhn en Greg een nieuwe brochure voor het publiek met de titel For and Against, ter vervanging van de brochure van Pachs Engelse vertaling van Gauguin Noa-Noa. Na de sluiting werden de werken in drie groepen verdeeld. Een deel werd klaar gemaakt voor Boston, een deel direct voor de bevrachter in New York en het derde deel naar de verzamelplaats van de Association om daarna ze terug te bezorgen bij de Amerikaanse eigenaars.

Boston

In Boston werd van 23 april t/m 14 mei uitsluitend de buitenlandse werken tentoongesteld door de Copley Society in de Copley Hall onder de naam International Exhibition of Modern Art. De tentoonstelling was in verband met de beperkte ruimte teruggebracht naar 244 werken. De tentoonstelling trok 12.676 bezoekers.

Slot

Ondanks verzoeken uit andere plaatsen besloot de Association de expositie tot de drie plaatsen te beperken. Men wilde de schok van het nieuwe niet laten verminderen door een groot aantal tentoonstellingen. De afhandeling van de tentoonstelling nam nog veel tijd inbeslag. Op 23 augustus 1916 werd de laatste rekening, groot $ 2.894,35 wegens invoerrechten, aan de douane betaald. Enkele leden van de Association hadden meer dan een jaar besteed aan het realiseren van de tentoonstellingen. Officieel had men een winst van $ 60,60. Mede door onenigheid tussen de leden van de Association was het de enige tentoonstelling die de kunstenaarsbond organiseerde.

Betekenis

De Armory Show is vooral van belang geweest voor het aankopen van buitenlandse kunst. Kunst werd door de Amerikaanse wetgever als luxe gezien en dat hield in dat voor werken jonger dan 100 jaar 15% van de waarde als invoerrechten moesten worden betaald. Pas bij de 'Tariefwet' van 1909 werden werken die ouder waren dan 20 jaar onbelast gelaten. De strijd voor de jongere kunst werd met nieuwe energie voortgezet. John Quinn slaagde erin om kort na de Armory Schow de 15% importbelasting te laten verdwijnen.

Van de buitenlandse werken, werden er 123 verkocht voor de totale prijs van $ 30.491, terwijl de 51 verkochten Amerikaanse werken $ 13.657,50 opbrachten. Ook werd de basisgelegd voor verzamelingen die later beroemd werden. B.v. Lillie P. Bliss startte met een eenvoudige verzameling die later werd ondergebracht in het Museum of Modern Art te New York. Ook de Louise en Walter Arensberg Collectie in het Philadelphia Museum of Art, de Katharine Dreier Collectie aan de Yale University en de Phillips Memorial Gallery in Washington hebben hun oorsprong op de Armory Show. John Quinn kocht het meeste, voor 20 werken o.a. van Derain, Duchamp-Villon, Villon en anderen betaalde hij $ 5.808,75. De uit Chicago afkomstige advocaat Arthur Jerome Eddy was tweede. Hij kocht o.a. Man op het balkon van Gleizes voor $ 540, Dans in de lente van Picabia voor $ 400 en Koning en koningin omringd door snelle naakten van Duchamp voor $ 324. Ook kocht Eddy van Marcel Duchamp Portret van schaakspekers voor $ 162. In totaal kocht Eddy op de tentoonstelling 18 schilderijen en zeven litho's. Hij schreef in 1914 een van de eerste boeken over moderne kunst in Amerika, n.l. Cubists and Post-Impressionism. Davies kocht voor $ 648 beelden van Manolo en Duchamp-Villon en schilderijen van Picasso en Villon. Stieglitz kocht een beeld van Manolo, een tekening van Davies en vijf tekeningen van Archipenko. Marcel Duchamp ontving $ 600 voor zijn vier verkochte schilderijen.

Zie voor de kubistische werken de webpagina Kubistische werken op de Armory Show.

Aangemoedigd door het succes vande Armory Show werden tussen 1913 en 1918 alleen al in New York ongeveer 250 tentoonstellingen van moderne kunst gehouden. De grootste was de eerste expositie van de Society of Independent Artist in april 1917, die georganiseerd werd door Glackens, Pach, Prendergast en John Quinn en 2500 werken liet zien. De werken hingen op alfabetische volgorde van de kunstenaars. De Europesche werken vielen daardoor bijna niet op.

50th Anniversary

In 1963 werd van 17 februari tot 31 maart in het Munson-Williams-Proctor Institute te Utica, New York, en van 6 april tot 28 april in het orspronkelijke gebouw, n.l. het 69th Regiment Armory in de 25th Street en Lexington Avenu te New York City de tentoonstelling Armory Show, 50th Anniversary Exhibition gehouden. Josepg S. Trovato was erin geslaagd om meer dan 325 werken uit de oorspronkelijke tentoonstelling bijeen te brengen. Marcel Duchamp hield onder de titel Recollections of the Armory Show een geïllustreerde voordracht.

Ook op een Amerikaanse postzegel werd aandacht besteed aan de Armory Show van 1913, waarbij het beroemde schilderij Naakt een trap afdalend van Marcel Duchamp uit 1912 opnieuw de aandacht kreeg.

Verdere informatie:

  • Milton W. Brown, The Story of the Armory Show, uitgegeven in 1988 te New York, ISBN: 0-89659-795-4.

  • De website van Archives of American Art waarop het archief van de secretaris Walter Kuhn te raadplegen is.
    . . Het webadres is www.aaa.si.edu/collectionsonline/kuhnwalt/.

  • Terug naar overzicht: