Op 1 juni 1852 werd in de Rue Drouot in het 9de arrondissement, de wijk zuidelijk van Montmartre, gestart met een veilinghuis. Aan het einde van de negentiende eeuw werd in de zalen gasverlichting en een oliegestookte verwarming aangebracht. In 1869 werd door de ingenieur Edoux een hydraulische lift in het gebouw aangebracht, die tot 1950 in bedrijf bleef. Men kondigde de veilingen aan met aanplakbiljetten op het gebouw, bepaalde kranten, zoals Le Gratis en later Le Moniteur des Ventes, en sinds 1891 het door het veilinghuis uitgegeven blad La Gazette de l'Hôtel Drouot.
In 1976 ging het veilinggebouw voor enige jaren dicht om vernieuwd te worden en werden de veilingen verplaats naar twintig zalen in La Gare d'Orsay, het verbouwde treinstation aan de Seine, waar later het Musée d'Orsy werd gevestigd. Vanaf 1980 gingen de veilingen weer op de oude plaats van start. Dankzij een koninklijk besluit van Henri II, was de Franse markt vanaf 1556 gesloten voor buitenlandse handelaren en in handen van ruim vierhonderd veilingmeesters. Het openbreken van de Franse markt kwam pas tot stand na jarenlang lobbyen in EU-verband en de aanname van de wettelijke regeling in het Franse parlement op 10 juli 2000. Sotheby's was op 29 november 2001 de eerste, die gebruikmaakte van de nieuwe wet, gevolgd door Christie's op 6 december 2001.
Voor de Eerste Wereldoorlog waren slechts sporadisch veilingen van moderne kunstwerken. Het keerpunt was misschien de veiling van de kunstwerken van de beleggingsclub La Peau de l'Ours op 2 maart 1914. Pas na de Eerste Wereldoorlog werd het veilinghuis het centrum voor de avant-garde. Hôtel Drouot kreeg de eer om 1224 kunstwerken te veilen, die in beslag waren genomen van Wilhelm Uhde en Daniel-Henri Kahnweiler. De veilingen waren in handen van Alphonse Bellier, die bijgestaan werd door Léonce Rosenberg als expert. Op 23 en 24 februari 1922 werd bij Hôtel Drouot ook de geconfisqueerde bezittingen van de kunsthandelaren Richard Goetz en Hans Wendland en van Siegfried Hertz geveild.
Rond 1918 kwam Alphonse Bellier naar Parijs, waar hij bevriend werd met de schrijvers Francis Carco (1886-1958), Paul Éluard en de schilder Georges Aubry. Zij maakten hem wegwijs in de hedendaagse kunst en raadden hem aan om veilingmeester gespecialiseerd in hedendaagse kunst te worden. Bellier huurde een 'slapend' bedrijf in het veilinggebouw Hôtel Drouot. Via zijn vrienden kwam Bellier aan kunstwerken voor zijn eerste veiling op 22 oktober 1920. Schilders als Raoul Dufy, André Derain en Suzanne Valadon haalde hij over om werken via hem te laten veilen, door een garantieprijs af te spreken.
Belliers naam werd vooral gevestigd door de succesvolle veilingen van de collectie van Francis Carco op 2 maart 1925, de collectie van Georges Aubry op 24 en 25 november 1924 en 12 december 1925 en de collectie van Paul Poiret op 18 november 1925. In de periode 1920-1930 was Bellier verantwoordelijk voor 70 van de 113 veilingen van impressionistische tot hedendaagse kunst. Bij de veiling van de collectie van Georges Aubry werd het nevenstaande schilderij Guitare, as de trèfle, bouteille de Bass, verres ('Ma Jolie') van Picasso uit 1914 verkocht voor 6.500 FF aan Jacques Doucet, waarvoor Aubry bij de laatste veiling van Kahnweilers geconfisqueerde bezit op 7 en 8 mei 1923 1.720 FF had betaald.
Kubistische werken kwamen te voorschijn op de veiling van de collectie van Paul Éluard op 3 juli 1924. Op deze veiling werd het nevenstaande schilderij De wastafel van Juan Gris uit 1912 verkocht voor 330 FF. In de periode 1926-1930 werd regelmatig een kubistisch werk verhandeld. Bovendien waren er twee veilingen van collecties waarin kubistische werken aanwezig waren. Op 7 mei 1926 werd de collectie van Auguste Pellerin (1852-1929) geveild met daarin werken van Albert Gleizes en Jean Metzinger en op 28 oktober 1926 de collectie van John Quinn. Pellerin, die zijn geld had verdiend als eigenaar van margarinefabrieken, verzamelde impressionistische werken, die hij in het begin van de twintigste eeuw verkocht om meer werken van Cézanne, waarmee hij in 1895 begon, te kopen. Bij zijn dood in 1929 bezat Pellerin 92 schilderijen van Cézanne, waarvan de Franse Staat 21 werken kreeg als 'donation' (=het voldoen van de successierechten met kunstwerken). De rest kwam terecht bij zijn zoon Jean-Victor en zijn dochter Réne Lecomte-Pellerin.
Op nevenstaande foto staat de 73-jarige Alphonse Bellier als veilingmeester bij de veiling van de kunstverzameling van P.A. Regnault op 22 en 23 oktober 1958 in Arti et Amicitiae te Amsterdam. Onder zijn leiding werd voor 216 lotnummers ruim 1,3 miljoen gulden betaald. Na de dood van Pierre Regnault bleef de verzameling onverdeeld en hield Regnaults dochter Virginie namens haar moeder, broers en zussen het beheer van de verzameling. Zij deed dit voor het overlijden van haar vader ook al geruime tijd. Na de dood van mevrouw Regnault op 7 maart 1958 besloten de erfgenamen tot de veiling van het grootste deel van de kunstverzameling. De veiling werd gegund aan de Amsterdamse veilingmeester Paul Brandt indien hij een internationaal tintje aan de veiling kon geven. Hij huurde Alphonse Bellier in. De gemeente Amsterdam kocht met een lening van het Rijk op 31 juli 1958 voor 2 miljoen gulden 20 kunstwerken van de erfgenamen. Op 15 oktober 1958 ging de gemeenteraad met 28 voor en 11 tegen accoord.