The Arts and the American Art Student

The Arts

Hamilton Easter Field (1873-1922) startte in december 1920 met het tijdschrift The Arts and the American Art Student, meestal The Art genoemd, dat spoedig 'het' tijdschrift voor de avant-garde in New York werd en in het vervolg lag van Camera Work en 291 van Alfred Steiglitz.

Hamilton Easter Field

Hamilton Easter Field, 1898

Field, was een neef van de broers Paul Burty Haviland en Frank Burty Haviland. Samen met hen doorkruiste Field voor de Eerste Wereldoorlog het kunstenaarsmilieu in Parijs. Hij was bekend in Parijs, daar hij in 1892 de Académie Colarossi had bezocht. Field begon zijn kunstverzameling van tekeningen van Picasso met Study of a Nude Woman uit 1906, dat hij kocht op de tentoonstelling van Picasso's werken in Galerie 291 in 1911. In 1909 bezocht Field, nadat hij via Haviland bij Leo en Gertrude Stein met Picasso had kennisgemaakt, Picasso's atelier.

Bibliotheekstuk

Via Frank Burty kreeg Picasso van Field de opdracht om 11 grote panelen voor de bibliotheek in Brooklyn te maken. Op 12 juli 1910 kreeg Picasso de juiste maten en een prijs voorstel. Voor boven de deuren van de bibliotheek twee panelen van 50 bij 130 cm en voor de wanden panelen met een hoogte van 185 cm. De breedte was verschillend, n.l. 30 cm, 70 cm, 75 cm, 140 cm, 230 cm, drie keer 270 cm en 300 cm. Daar Picasso in Cadaqués de zomer doorbracht kreeg hij de brief pas op 2 augustus. Op 7 september accepteerde Picasso schriftelijk vanuit Parijs het aanbod, maar besloot voor de maat 30 cm bij 185 cm geen ontwerp te maken. Uiteindelijk zou het project op niets uitlopen. Picasso verkocht drie panelen aan de Milanese industrieel Carlo Frua de Angeli, drie panelen schilderde Picasso over. Twee gedeeltelijk geschilderde panelen zijn nu in het Musée Picasso te Parijs. William Rubin schreef in het boek Picasso und Braque Die Geburt des Kubismus (ISBN: 3-7913-1046-1) een hoofdstuk over de panelen.

Field was bevriend met Stuart Davis en Field organiseerde een expositie voor Davis in de Ardsley Studios, een galerie gevestigd in Fields Brooklyns huis.

Field overleed plotseling in april 1922 en Juliana Force (1876-1948) een medewerkster van Gertrude Vanderbilt Whitney haalde haar over om het tijdschrift over te nemen en een medewerker aan The Art, de criticus Forbes Watson, tot hoofdredacteur te benoemen. Watson, die ook voor Whitney werkte, had door zijn verblijf in militaire dienst in Europa wegens de Eerste Wereldoorlog, de mogelijkheid gehad om in Parijs galeries en musea te bezoeken. In 1912 was Watson als kunstcriticus begonnen bij de New York Evening Post krant.

Forbes Watson (1879-1960)

Watson werd op 27 november 1879 in Cambridge geboren. Zijn vader, John Calquhour Watson, was van Schotse afkomst en zijn moeder, Mary Robinson Shute, van Engelse afkomst. Vader John Watson, een handelaar in aandelen, nam het gezin geregeld mee naar het buitenland. Samen met zijn moeder bezocht Forbes de musea in Florence. Andere plaatsen die hij bezocht waren o.a. Parijs, Londen, München en Berlijn. De zaken gingen steeds beter en in 1904 verhuisde het gezin Watson naar Boston. Zelf was hij, nadat hij een diploma had behaald op Havard in de lente van 1904, naar het buitenland vertrokken. In 1906 keerde Forbes naar de V.S. terug en hij vestigde zich in de New Yorkse kunstenaarswijk Greenwich Village. Hij studeerde rechten en probeerde ook met schrijven in zijn onderhoud te voorzien. In 1909 ging Watson werken bij de rechtbank in New York, maar werd hij ook assistentredacteur bij The Scrap Book. Op 14 september 1910 trouwde Watson in Buffalo met de schilderes Agnes Christian Paterson (roepnaam Nan), die als tweejarige in 1878 met haar Schotse ouders naar de V.S. was geëmigreerd. In 1894 vertrok Nan naar Parijs waar zij studeerde aan de Académie Colarossi. In 1901 vestigde Nan zich in New York, waar zij vooral portretten en stillevens schilderde. Na het trouwen ging het echtpaar wonen in West Forty-third Street 253 te New York, waar de bovenste verdiepingen uit ateliers bestonden.

Watson werd in 1912 ontslagen bij The Scrap Book en via Ben Foster kreeg Watson in oktober 1912 Fosters functie van kunstcriticus bij de New York Evening Post.

Picasso Speaks, 1923 Forbes Watson

Watson vroeg aan Marius de Zayas, die in Europa verbleef, artikelen over hedendaagse Europese kunstenaars te schrijven voor het tijdschrift The Arts, waarvan hij hoofdredacteur was. In mei 1923 verscheen van de Zayas het artikel Picasso Speaks, groot 16 pagina's, in The Arts. Bij het artikel stonden de volgende kubistische werken onder de twaalf reproducties paginagroot en zes kleine afgedrukt.













kunstwerktiteljaarnu te zien in
Bowl of Fruit, afm.: 54,9 x 47 cmFruitschaal1912
Man leunend op een tafelMan leunend op een tafel1916
Harlekijn met viool (Si tu veux), afm.: 142,2 x 100,3 cmHarlekijn met viool1918Cleveland Museum of Art
Bottle of Port and Glass, afm.: 45,7 x 61 cmFles Port en glas1919Dallas Museum of Art

In dezelfde maand werd vanaf 3 mei in de Whitney Studio Club te New York de tentoonstelling Recent Paitings by Pablo Picasso and Negro Sculpture gehouden. Op de achterkant van het mei-nummer van The Arts stond daarvoor een advertentie. Op de voorkant stond een reproductie van een tekening gemaakt door Picasso, die de gewonde Guillaume Apollinaire weergaf.

Bouteille et raisins, afm.: 46 x 55,5 cm Guéridon avec guitare et partition, afm.: 27 x 21 cm Violon, partition et journal, afm.: 35 x 27 cm

In oktober 1923 verscheen in het tijdschrift The Arts het artikel Cubism - Its Rise and Influence van de schilder Andrew Dasburg. Bij het artikel stonden reproducties van de schilderijen van Picasso: het nevenstaande Viool, partituur en krant uit 1912, het nevenstaande Gitaar en partituur op een tafel uit 1920, het nevenstaande Fles en druiven uit 1922 en Figuur. Dasburg noemde negentien Amerikaanse kunstenaars, die in hun werk kubistische invloed leten zien. Behalve zichzelf noemde Dasburg o.a. Sheeler, Man Ray en Max Weber.

In januari 1926 schreef Watson naar aanleiding van de tentoonstelling van de werken uit de nalatenschap van John Quinn, die voorafgaande aan de veilingen van 7 t/m 30 januari 1926 in het Art Center in de 56th Street in New York werd gehouden een artikel, waarin hij opriep tot een museum voor moderne kunst in Amerika om de collectie voor Amerika te behouden.

boek, 2001

één van de personen, die Watson door zijn geschriften aanmoedigde, was Albert Gallatin. Watson bleef tot 1933 hoofdredacteur van The Arts. Zie voor verdere informatie:
Lenore S. Clark Forbes Watson: Independent Revolutionary , 2001, ISBN 0-87338-710-4.


Opmerking

Pijp, Glas en Fles Rum, afm.: 40 x 52,7 cm

Juliana Force werd op een tentoonstelling van de Société Anonyme, die gehouden werd van 19 november 1926 t/m 9 januari 1927 in het Brooklyn Museum te New York, als eigenaresse genoemd van het nevenstaande papier collé Pijp, Glas en Fles Rum van Picasso uit 1914. In 1956 schonk het echtpaar Daniel en Eleanore Saidenberg het werk aan het Museum of Modern Art te New York. De cellist en dirigent Daniel Saidenberg (1906-1997) en balletdanseres Eleanore Block (1911-1999), die in 1934 getrouwd waren, opende in 1950 een kunstgalerie in New York. In 1955 werd de galerie de vertegenwoordiger van Picasso in Noord-Amerika, nadat de vorige vertegenwoordiger, Curt Valentin, het jaar daarvoor was overleden. Eleanore Block was de zus van de kunstverzamelaar Leigh Block. Na de dood van Eleanore op 20 augustus 1999, die pas in juni 1999 de kunstgalerie had gesloten, werden 46 werken uit de kunstverzameling van Daniel en Eleanore Saidenberg op 10 november 1999 geveild bij Sotheby's te New York, waarvan 44 verkocht werden met een totale waarde van $ 70.330.000.

Laatste wijziging: 140911