Galerie Barbazanges

Barbazanges en Hodebert

In 1911 verhuurde Paul Poiret een deel van zijn bezit gelegen aan de Faubourg Saint Honoré 109 aan zijn vriend Henri Barbazanges, die de Galerie Barbazanges voor hedendaagse moderne kunst begon met geld van L.C. Hodebert. Op nevenstaande foto, gemaakt door François Antoine Vizzavona (1876-1961), zit Barbazanges en staat Hodebert in de tuin achter de galerie. Poiret sprak wel af, dat hij twee tentoonstellingen per jaar mocht houden. Denkelijk gebruikte Poiret dit recht voor het houden van de tentoonstelling L'Art Moderne en France, die van 16 t/m 31 juli 1916 georganiseerd werd door André Salmon en bekend werd onder de naam Salon d'Antin. In Galerie Barbazanges organiseerde André Salmon van 26 april t/m 12 mei 1923 opnieuw een tentoonstelling voor Poiret, n.l. La Collection particulière de M. Paul Poiret, waar Poirets verzameling getoond werd. Poirets slechte financiële situatie zorgde ervoor dat hij op 18 november 1925 zijn kunstcollectie moest verkopen in Hôtel Drouot.

In 1923 ging Barbazanges met pensioen en zette Hodebert de galerie voort onder de naam Galerie Barbazanges-Hodebert. Pierre Matisse, een zoon van Henri Matisse en Amélie Parayre, ging in 1923 werken bij Galerie Barbazanges-Hodebert om ervaring op te doen in de kunsthandel. Eind 1924 vertrok Pierre Matisse naar New York, waar hij in oktober 1931 de Pierre Matisse Gallery opende in de Fuller Building aan de Fifty-seventh Street. Van 1929 tot 1949 was Pierre getrouwd met Teeny Sattler (1906-1995), die in 1954 trouwde met de kunstenaar Marcel Duchamp.

Volgens de website van de National Gallery of Art, Washington, DC., is de naam van Galerie Barbazanges, denkelijk na het vertrek van Poiret uit zijn huis aan de Avenue d'Autin per 1 januari 1925, veranderd in Galerie Hodebert. Denkelijk verhuisde de galerie na het failliet gaan van Poiret eind 1925 naar het adres Rue du Faubourg St. Honoré 174 te Parijs.

Tentoonstellingen.

tentoonstelling, 1912

Van 28 februari t/m 13 maart 1912 had Robert Delaunay zijn eerste solo-expositie in Galerie Barbazanges van 41 werken uit de periode 1904-1912. Op zijn uitnodiging had Marie Laurencin ook enkele werken op deze tentoonstelling hangen. In de kleine catalogus stonden een voorwoord over Delaunay geschreven door van Maurice Princet (1875-1971), een tekst van Fernand Fleuret en 8 afbeeldingen. Maurice Joseph Princet woonde vlak naast Le Bateau Lavoir en was daar een regelmatige bezoeker. Nadat zijn vrouw Alice Géry gekozen had voor Picasso's vriend André Derain ging Princet meer om met de salonkubisten, waar Delaunay deel van uit maakte. Het artikel is de enige kunstkritiek van Princet die bekend is.

In 1918 werd de eerste tentoonstelling onder de naam La Jeune Peinture française gehouden van 6 april t/m 10 mei in de galerie Goupil, Manzi et Joyant, waar o.a. werken hingen van Braque, Derain, de la Fresnaye, Léger, Lhote, Tobeen en de Vlaminck hingen. Ook de tweede tentoonstelling van 17 juni t/m 4 juli 1920 was bij deze galerie. Op deze tentoonstelling was een retrospectief van Modigliani. De volgende drie tentoonstellingen, resp. 1923 (4 t/m 25 april), 1924 en 1925, werden in Galerie Barbazanges gehouden.

In juli 1919 was in de galerie een tentoonstelling van werken van Larionov en Natalja Gontscharowa. In 1922 werd in de galerie de tentoonstelling "Le Sport et l'Art" gehouden waar werken hingen van o.a. Matisse, Dunoyer de Segonzac, Dufy en de Vlaminck.

Conrad Kickert had van 15 t/m 28 februari 1923 een tentoonstelling in de galerie van werken uit de periode 1917-1923. Aan het einde van de tentoonstelling werd door de Franse Staat het schilderij Le Pot chinois uit 1923 gekocht voor het Musée du Luxembourg. In dit museum hingen de werken van levende kunstenaars.

In 1924 werd in Galerie Barbazanges-Hodebert de eerste overzichtstentoonstelling gehouden van Marc Chagall, die in 1923 in Parijs was teruggekeerd na een verblijf in Rusland. Van 2 t/m 15 januari 1925 werd in de galerie de tentoonstelling Oeuvres anciennes de Maurice Utrillo met 63 werken uit de periode 1910-1914, die afkomstig waren uit de erfenis van Louis Libaude, de eerste dealer van Utrillo. Hodebert had na Libaudes dood ongeveer 100 werken opgekocht.

Van 26 april t/m 12 mei 1923 werd de kunstcollectie van Paul Poiret getoond. André Salmon schreef het voorwoord in de catalogus. Op 18 november 1925 zou bij Hôtel Drouot een groot deel van de collectie worden geveild, wegens het failliet gaan van Poiret. In december 1924 had Chagall een tentoonstelling en in februari 1925 Ossip Zadkine.

Dufy: La réception à la Préfecture, 1925 Dufy: La Partie de Bridge au Casino, 1925

Na de tentoonstelling Exposition des Arts Décoratifs et Industriels Modernes in 1925 werd in de galerie de wandkleden van Raoul Dufy tentoongesteld, die hij voor Poiret had ontworpen voor zijn schip Orgues. Op dit schip, waar wit de hoofdkleur was, presenteerde Poiret zijn laatste modecollectie in een decor van 14 door Dufy ontworpen wandkleden. De wandkleden bestonden alle uit drie horizontale aan elkaar genaaide gekleurde stroken stof. De onderwerpen waren Parijs gezien vanuit de lucht, een receptie, de bridgepartij in het casino, een zeilwedstrijd bij Le Havre, de races van Longchamp, een circus en een danshal. Hierboven zien we La réception à la Préfecture en La Partie de Bridge au Casino. Beide kleden zijn nu te zien in Musée d'Art Moderne te Parijs.

In april 1926 had Picabia een tentoonstelling in de galerie en in november-december 1926 Roger de La Fresnaye.

Ozenfant, 1928 Grande cruch et architecture, 1926

Van 23 maart t/m 14 april 1928 had Ozenfant een solotentoonstelling in Galerie Hodebert-Barbazanges, waarvoor Waldemar George een inleiding schreef. Op nevenstaande foto van deze tentoonstelling zien we links Grote kruik en architectuur uit 1926. Het werk is nu te zien in de School of design van Rhode-Island (V.S.).

Archief

In het Musée d'Orsay te Parijs bevindt zich het archief van Galerie Barbazanges-Hodebert uit de periode 1920-1930. Het bestaat uit ongeveer 800 pagina's en 1000 foto's en is in oktober 1994 gekocht van mevrouw Bonnard, die woonde te Saint-Césaire. Onder de papieren bevinden zich schriften waarin het uitlenen van werken werd bijgehouden en brieven aan kunstenaars en kopers. Genoemd worden o.a. Valentine Prax (1899-1981), de echtgenote van Ossip Zadkine, André Dunoyer de Segonzac (1884-1974) en Albert C. Barnes.

Laatste wijziging: 080811