In maart 1915 verscheen het eerste nummer van het tijdschrift 291, genoemd naar de galerie van Alfred Stieglitz. Initiatief nemers voor het maandelijkse tijdschrift waren Marius de Zayas, Paul Haviland en Agnes Meyer-Ernst (1887-1970). Agnes Meyer was journaliste van de New York Sun en had in 1907 aan de Sorbonne in Parijs gestudeerd. Via de krant was zij in contact gekomen met Stieglitz en de moderne kunst in New York. In februari 1910 was Agnes Ernst getrouwd met de bankier Eugene Meyer, die in 1933 de Washington Post kocht en in 1946 de eerste president van de Wereldbank werd. Marius de Zayas en Paul Haviland werkten bij de galerie 291 en hadden Stieglitz financieel geholpen, toen de galerie in 1908 verhuisde.
Marius de Zayas had in 1909 in Galerie 291 geëxposeerd en werkte mee aan Stieglitzs blad Camara Work. Hij reisde ook naar Europa om werken voor een expositie in Galerie 291 te verkrijgen. Door verschil van mening besloot de Zayas een commerciële galerie te openen. In oktober 1915 opende de Modern Gallery op de Fifth Avenue bij de 42nd Street te New York. De financiën werden bijeen gebracht door Agnes Meyer (40%), de Zayas (40%), Haviland (10%) en Francis Picabia (10%). De galerie werd door de Zayas geleid. In 1919 zou de naam veranderen in De Zayas Gallery, maar werd in 1921 gesloten.
Paul Haviland, die aan Harvard was afgestudeerd, had Stieglitz financieel geholpen, toen de galerie in 1908 verhuisde. Hij had beloofd de huur voor drie jaar te betalen. Paul Haviland (1880-1950) bekwaamde zich tussen 1908 en 1915 via Stieglitz als fotograaf. Zijn vader Charles Haviland was het hoofd van de Haviland Chinees porseleinfabriek in Limoges en zijn moeder Madeline Burty was de dochter van de schrijver en kunstverzamelaar Philippe Burty. Zijn broer Frank nam denkelijk door de bekendheid van zijn oudere broer als schilder de naam Frank Burty aan.
In het eerste nummer van 291 stond een homage aan Apollinaire, dat al eerder was verschenen in Les Soirées de Paris. In het tweede nummer trok een gedicht sterk de aandacht door de typografische weergave ontworpen door de Zayas. De weergave werd Psychotypografie door hem genoemd. Van Picabia stond de nevenstaande pen-en-inkt tekening New York uit 1913 gereproduceerd. In mei 1915 kwam nummer 3 uit en in juni nummer 4. In nummer 4 had Picabia de nevenstaande tekening Fille née sans mère (=dochter geboren zonder moeder) staan, die hij in de luxe exemplaren met de hand had ingekleurd met de kleuren blauw, oker en goud. Het gaf de interesse van Picabia voor machines weer. De titel had Picabia uit het woordenboek Petit Larousse gehaald. Ook in de volgende nummers had Picabia een inbreng.
Het dubbel nummer 5-6, juli-augustus, had de bekende mechanische 'portretten' van de Zayas (rechts) en Haviland (midden). Ook van Stieglitz (links) en vele anderen maakte Picabia dit soort 'portretten'.
| nr 1: | maart | 1915 | Voorkant ontworpen door Marius de Zayas |
| nr 2: | april | 1915 | |
| nr 3: | mei | 1915 | Voorkant ontworpen door Abraham Walkowitz (1880-1965) |
| nr 4: | juni | 1915 | Voorkant ontworpen door John Marin |
| nr 5-6: | juli-augustus | 1915 | Voorkant ontworpen door Francis Picabia
|
| nr 7-8: | september-oktober | 1915 | |
| nr 9: | november | 1915 | Voorkant ontworpen door Georges Braque |
| nr 10-11: | december/januari | 1915/1916 | Voorkant ontworpen door Pablo Picasso
|
| nr 12: | februari | 1916 | Op de voorkant een foto van een Ogouée-Congo beeldje |
Het tijdschrift 391 werd in 1917 opgericht door Francis Picabia na uitvoerige gesprekken met Marie Laurencin. Josep Dalmau van de Galerie Daumau te Barcelona verzorgde de uitgave, die gedrukt werd bij de drukkerij Oliva de Vilanova. De journalist Max Goth, die onder de naam Max Gauthier gedichten schreef, werd mederedacteur. In de pers werd aandacht geschonken aan dit nieuwe blad van kubistische en futuristische kunst, dat hoofdzakelijk in het Frans zou verschijnen, en de trends in de moderne kunst zou verdedigen en promoten.
Het eerste nummer, dat op 25 januari 1917 verscheen, bevatte een tekening en een gedicht van zowel Picabia als van Laurencin. Daar Picabia eind maart 1917 naar New York vertrok, waar hij op 4 april aankwam, was nummer 4 het laatste exemplaar dat in Barcelona werd uitgebracht.
In New York ontmoette Picabia zijn vriend Marcel Duchamp en bespraken zij uitvoerig de heruitgaven van 391. Het blad 291 was tijdens Picabia's afwezigheid ter ziele gegaan. Nummer 5 verscheen in juni 1917 met hoofdzakelijk gedichten. Bijdragen waren van Marius de Zayas, de musicus Edgard Varèse, de kunstverzamelaar Walter Arensberg en Picabia. Daar Picabia op 16 september 1917 terugkeerde naar Barcelona, werden slechts drie nummers in New York uitgegeven.
| nr 1: | 25 januari | 1917 | Barcelona |
| nr 2: | 10 februari | 1917 | Barcelona |
| nr 3: | 1 maart | 1917 | Barcelona |
| nr 4: | 25 maart | 1917 | Barcelona |
| nr 5: | juni | 1917 | New York |
| nr 6: | juli | 1917 | New York |
| nr 7: | augustus | 1917 | New York |
| nr 8: | februari | 1919 | Zürich |
| nr 12: | 12 maart | 1920 | Parijs |
| nr 13: | juli | 1920 | Parijs |
| nr 14: | november | 1920 | Parijs |
| nr 16: | mei | 1924 | Parijs |
| nr 17: | juni | 1924 | Parijs |
Ter gelegenheid van de retrospectieve tentoonstelling Vijftig jaar van genoegen van 135 werken van Picabia in Galerie René Drouin van 4 t/m 26 maart 1949 werd het tijdschrift 491 in de vorm van een groot formaat krant uitgegeven. Hierin stond een biografie van Picabia geschreven door Michel Tapié, die ook de tentoonstelling had georganiseerd. Verder waren er bijdragen van Francis Bott, Christine Boumeester, André Breton (Binoculars for blindfolded eyes), Camille Bryen, Gabrielle Buffet (Résumé), Georges Charbonnier, Jean Cocteau, Robert Desnos, Marcel Duchamp (Francis Picabia is a screw with vices), Charles Estienne (Stumbling block), Bernard Fricker, Suzanne Gandhi, Henri Goetz, Jean van Heeckeren, Pierre de Massot (The magician), Dédé de l'Opéra, Michel Perrin, Olga Picabia-Mohler, H.P. Roché (Picabia seen at full tilt) en Michel Seuphor (Hieroglyphic).