De Duitser Daniel-Henry Kahnweiler opende op 11 juli 1907 in Parijs een galerie in de Rue Vignon 28, groot 4 bij 4 meter, een ruimte die hij voor 2400 francs per jaar huurde van een Poolse kleermaker. Hij sloot aan bij de galeries, die na jaren in de buurt van de Rue Laffitte zich verplaatsten naar de buurt rond de Madeleine. Dankzij een lening van zijn oom kon Kahnweiler kunstwerken kopen. Kahnweiler kocht zijn eerste werken op de Salon des Indépendants van 1907. Op 21 maart 1907 kocht hij werken van André Derain en Maurice de Vlaminck. Kort daarna kocht hij werken van Kees van Dongen, die langs kwam bij de galerie. In april 1907 bezocht Kahnweiler het atelier van Georges Braque. Denkelijk besloot Kahnweiler tijdens de Salon d'Automne in oktober 1907 de productie van Braque uit 1906 en 1907 te kopen. Ook kocht hij spoedig werken van Pablo Picasso, Fernand Léger en Juan Gris. Kahnweilers eerste kopers waren zijn vriend Hermann Rupf en Roger Dutilleul. Daarna volgden de Rus Sergej Stschukin en de Tsjech Vincence Kramár. Volgens zijn biografie gaf Kahnweiler voor de Eerste Wereldoorlog geen geld uit aan publiciteit.
De eerste tentoonstelling in Kahnweilers galerie werd van 2 t/m 28 maart 1908 gehouden met 27 schilderijen van Kees van Dongen. Op de tweede tentoonstelling, die van 6 t/m 18 april 1908 werd gehouden, waren 27 schilderijen en tekeningen van de fauvistische schilder Charles Camoin (1879-1965) te zien. De derde tentoonstelling, die van 25 oktober t/m 14 november 1908 liep, liet 55 werken van Pierre Girieud zien. De vierde en laatste gehouden tentoonstelling in Galerie Kahnweiler was van 9 t/m 28 november 1908. Kahnweiler stelde 27 werken van Braque tentoon, waaronder een aantal die geweigerd waren voor de Salon d'Automne. Kahnweiler vroeg Apollinaire om het voorwoord in de begeleidende catalogus te schrijven. Door een artikel van Louis Vauxcelles in het tijdschrift Gil Blas werd de term Kubisme de naam voor een zich ontwikkelende kunststroming.
In 1908 kocht Kahnweiler in totaal 15 schilderijen van Braque. Van iedere aankoop maakte Kahnweiler een foto en liet dat later over aan de fotograaf Delétang. Eind 1908 besloot Kahnweiler na overleg met de kunstenaars Picasso en Braque geen solotentoonstellingen meer te houden, maar een deel van de werken aan de muren van zijn kleine galerie te hangen. De kunstenaars zouden niet meer deelnemen aan de jaarlijkse Salons. Door het kopen van schilderijen kreeg Kahnweiler een geweldige verzameling van kubistische schilderijen. In oktober 1912 sloot Kahnweiler een contract met Gris, op 30 november 1912 met Braque, op 6 december 1912 met Derain, op 10 december 1912 met Picasso, op 20 februari 1913 met Léger en op 2 juli 1913 met de Vlaminck. Alleen Picasso mocht vijf werken per jaar zelfstandig verkopen.
Kahnweiler leende zijn gekochte schilderijen geregeld uit aan tentoonstellingen buiten Frankrijk. Voor de verkoop in Duitsland onderhield Kahnweiler contact met kunsthandelaren, o.a. Heinrich Thannhauser, die de Moderne Galerie te München had, en Otto Feldmann, die vanaf 1912 de galerie Rheinischer Kunstsalon te Keulen en vanaf oktober 1913 de galerie Neue Galerie in de Lennstraße 6a te Berlijn had.
| datum | tentoonstelling | plaats | uitgeleende werken van |
8 september 1910 t/m 15 januari 1911 | Manet and the Post-Impressionists | Grafton Galleries, Londen | Derain (3), de Vlaminck (5) |
1910 | Neue Künstlervereinigung | München | Braque (4), Derain (4), de Vlaminck (4), Picasso (3 tekeningen) |
1910 | Wallraf-Richartz Museum, Keulen | Derain (2), van Dongen (3), de Vlaminck (1) | |
januari 1911 | United Arts Club, Dublin | Derain (3), de Vlaminck (2) | |
februari 1911 | München | Braque (1), Derain (4), de Vlaminck (4) | |
februari 1911 | Breslau | Braque (1), Derain (4), de Vlaminck (4) | |
voorjaar 1911 | Sezession | Berlijn | Braque (2), Derain (3), Picasso (1)de Vlaminck (3) |
mei 1911 | Galerie Ludwig Schames, Frankfurt am Main | van Dongen(3), de Vlaminck (2) | |
zomer 1911 | Sonderbund Ausstellung | Düsseldorf | Braque (2), Derain (4), de Vlaminck (2), Picasso (1) |
september 1911 | Exposition d'estampes | Boedapest | Picasso (14 gravures) |
december 1911 | Exposition d'art français | St. Petersburg | Derain (2), de Vlaminck (2) |
januari 1912 | Rheinischer Kunstsalon | Keulen | Braque (2), Derain (5), de Vlaminck (3) |
februari 1912 | Der Blaue Reiter | München | Braque (1), Derain (3), Picasso (4), de Vlaminck (1) |
1912 | Budapest | Braque (2), Derain (2), Picasso (1), de Vlaminck (1), van Dongen (1) | |
1912 | Rheinischer Kunstsalon | Keulen | Braque (5), Derain (5), Picasso (1), de Vlaminck (6), van Dongen (2) |
april 1912 | Internationale Kunsthaus Kunstausstellung der Sonderbundes | Keulen | Braque (7), Derain (4), Picasso (11), de Vlaminck (5), Manolo (5) |
mei 1912 | Rheinischer Kunstsalon | Keulen | Braque (2), Derain (4), de Vlaminck (8), van Dongen (4), Manolo (2) |
1912 | Galerie Alfred Flechtheim | Düsseldorf | Derain (1) |
1912 | Kunstsalon Ludwig Schames | Frankfurt | Derain (3) |
oktober 1912 | Galerie Neue Kunst - Hans Goltz | München | Braque (2), Derain (2), Picasso (2), de Vlaminck (6), van Dongen (3) |
6 oktober t/m 7 november 1912 | Moderne Kunstkring | Amsterdam | Braque (3), Derain (6), Picasso (9), de Vlaminck (3) |
1912 | Rheinischer Kunstsalon | Keulen | Derain (9), Picasso (5), de Vlaminck (1) |
5 oktober t/m 31 december 1912 | Second Post Impressionist Exhibition | Grafton Galleries, Londen | Braque (4), Derain (7), Picasso (13), de Vlaminck (9) |
17 februari t/m 15 maart 1913 | International Exhibition of Modern Art (Armory Show) | New York | Braque (3), Derain (3), Picasso (4), de Vlaminck (3), Manolo (4) |
januari 1913 | Rheinischer Kunstsalon | Keulen | Braque (2), Derain (2), Picasso (1), de Vlaminck (1), Manolo (1) |
februari-maart 1913 | Ruitenboer | Moskou | Braque (2), Derain (1), Picasso (1), de Vlaminck (2) |
maart-april 1913 | Galerie Thannhauser | München | Picasso (29) |
mei 1913 | Skupira | Praag | Braque (10), Derain (5), Gris (2), Picasso (4) |
1913 | Rheinischer Kunstsalon | Keulen | van Dongen (2) |
1913 | Sezession | Berlijn | Derain (3), de Vlaminck (3) |
juni 1913 | Galerie Neue Kunst - Hans Goltz | München | Braque (2), Gris (2), Picasso (2), de Vlaminck (3), Manolo (12) |
oktober 1913 | Neue Galerie | Berlijn | Braque (3), Derain (3), Gris (1), Picasso (4), de Vlaminck (3), van Dongen (3), Manolo (2) |
november 1913 | München | Derain (3), Picasso (tekeningen), de Vlaminck (3) | |
1913 | Society of Scotch artists | Edinburgh | de Vlaminck (1) |
december 1913 | Galerie Alfred Flechtheim | Düsseldorf | Derain (2) |
1913 | Rheinischer Kunstsalon | Keulen | Braque (3), Derain (4) |
1913 | Neue Galerie | Berlijn | Derain (43 schilderijen en 7 tekeningen) |
1913 | Galerie Emil Richter | Dresden | Picasso (14 tekeningen) |
1913 | Galerie Goldschmidt | Frankfurt | de Vlaminck (5), van Dongen (2) |
Toen Duitsland een succes werd wilde Kahnweiler een andere markt aanboren: de Verenigde Staten van Amerika. Via Gertrude Stein kwam hij in contact met de Amerikaanse beeldhouwer Michael Brenner. Samen met de schilder Robert J. Coady had Brenner sinds het voorjaar 1914 de Washington Square Gallery, die de moderne kunst promootte. Op 1 februari 1914 tekende Brenner een contract met Kahnweiler, waarbij de Washington Square Gallery gevestigd op Washington Square 64 te New York de exclusieve verkooprechten in de Verenigde Staten kreeg voor werken van Picasso, Braque, Gris en Léger voor een bedrag van 2.500 franc. Dit bedrag werd op 14 maart verhoogd naar 5000 en op 22 april 1914 naar 6.000 francs. In de overeenkomst stond ook dat in oktober 1914 een tentoonstelling van 10 schilderijen van Gris zou worden gehouden en in december met 10 schilderijen van Picasso. Bij de aanvulling van 14 maart werd voor de periode 1915/16 exposities vastgelegd voor Gris, Picaso en een derde kunstenaar. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam er weinig terecht van de overeenkomst en werd het contract in 1918 verbroken. De Washington Square Gallery sloot in 1919.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was Kahnweiler met zijn vrouw Lucie en stiefdochter Louise Godon in Rome. De familie Kahnweiler bleef vier maanden in Italië en vertrok daarna naar Zwitserland, waar zij zich in Bern met langdurige financiële steun van Hermann Rupf verbleven. Ondertussen waren alle kubistische kunstwerken in de Galerie Kahnweiler geconfisqueerd. Na afloop van de Eerste Wereldoorlog keerde Kahnweiler op 22 februari 1920 terug in Parijs, zonder dat hij aan zijn bezit kon komen. Ook hulp van Olivier Sainsère, de Secretaris Generaal van de Franse President Poincaré, mocht niet baten.
Al spoedig maakte Kahnweiler weer plannen voor het openen van een galerie. Samen met zijn vriend André Simon opende Kahnweiler de Galerie Simon. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog zou Kahnweiler in verband met zijn joodse afkomst de galerie verkopen aan zijn stiefdochter. De galerie ging verder onder de naam Galerie Louise Leiris.