In de lente van 1916 bracht een zeer goede kennis van Picasso, n.l. de rijke Chileense Eugenia Errazuriz, de Rus Serge Diaghilev mee naar Picasso's atelier in de Rue Schoelcher. Diaghilev was de stuwende kracht achter de Ballets Russes. Picasso was aan het loskomen van het kubisme, mede door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914. Van zijn vrienden Georges Braque en André Derain had hij in verband met de mobilisatie afscheid genomen op het treinstation van Avignon op 4 augustus 1914. Zijn dealer Daniël Henry Kahnweiler verbleef in Zwitserland en Picasso's vriendin Eva Gouel was op 14 december 1915 overleden aan tuberculose. In oktober 1916 verhuisde Picasso van Montparnasse naar Montrouge en ging hij om met Pâquerette, een mannequin van de modeontwerper Poiret, en Gaby Depreyre. Met andere woorden: Picasso was in voor iets anders.
Jean Cocteau was in 1910 via het theaterbureau van Misia Edwards Sert betrokken geraakt bij de Ballets Russes. Hij ontwierp posters voor de Ballets Russes en vestigde de aandacht op de sterballetdanser Nijinsky in artikelen. In 1912 schreef hij het senario voor Le Dieu Bleu, dat helaas geen succes was. In december 1915 regelde de componist Edgard Varèse voor Cocteau een ontmoeting met Picasso. In de winter van 1915-1916 werkte Cocteau een oud ontwerp, n.l. David, om tot het ballet Parade. Hij zocht Satie aan voor de muziek en Picasso voor de mise-en-scène. Aangenomen wordt dat Picasso op 12 augustus 1916 de opdracht aanvaardde. Cocteau was op 28 juli van het front teruggekeerd, waar hij vrijwilliger was in de ambulance eenheid van de Comte Etienne de Beaumont. In november zou hij een bureaufunctie in Parijs krijgen.
Op 17 februari 1917 vertrokken Cocteau en Picasso met de trein vanaf Gare de Lyon naar Rome, waar het Diaghilev en het Ballets Russes verbleven in verband met de oorlog. In Rome had het Ballets Russes een studio in de Piazza Venezia, dat tevens een ontmoetingspunt van vele kunstenaars was. Picasso ontmoette hier in de Cantina Taglioni o.a. de choreograaf Léonide Massine, de componist Igor Stravinsky, maar ook de futuristen Giacomo Balla en Fortunato Depero. Balla was bezig met Fireworks, een ballet niet van dansers en danseressen, maar van driedimensionale abstracte figuren en licht. (Er zou slechts één voorstelling in het Teatro Costanzi op 12 april 1917 zijn.) Daar Picasso totaal geen ervaring had met het theater hielp hij enige tijd Léon Bakst, Alexandre Benois, Michel Larionov en Natalja Gontscharowa met hun theaterwerkzaamheden in Rome. Tijdens een repetitie van Les Femmes de Bonne Humeur met een decor van Bakst viel Picasso's oog op een lid van het corps de ballet, Olga Kochlova. Zij zou op 12 juli 1918 de eerste officiële echtgenote van Picasso worden.
In zijn studio in de Via Margutta 53b ontwierp Picasso het decor en de costuums voor Parade. Balla en Depero hielpen Picasso bij de frameconstructie van de costuums van de managers. In maart 1917 was het hele gezelschap in Napels, waar een optreden was in het San Carlotheater. Picasso bezocht in Napels het Museo di San Martino, waar hij kennis maakte met de plaatselijke folklore van o.a. de commedia dell'arte. Samen met Stravinsky, Cocteau en Massine bezocht Picasso Pompeii. Vanuit Napels reisde het Ballets Russes via Florence, waar het één opvoering had op 30 april in het Teatro Massimo, naar Parijs. Olga reisde met het gezelschap op een groepsvisa, daar zij door de ontwikkelingen in Rusland geen geldig paspoort meer had.
In Florence maakte Picasso kennis met de schilders Primo Conti en Alberto Magnelli. Magnelli liet Picasso Florence zien. Op 3 mei 1917 keerde Picasso terug in Parijs en had hij en zijn helpers nog tot 18 mei de tijd om het voordoek, het decor en de costuums te maken. Het 10,6 bij 17,25 meter grote voordoek werd door Picasso en zijn helpers gemaakt in een studio in de Buttes-Chaumont. De costuums voor de drie bedrijven werden in Parijs gemaakt.
Op 18 mei 1917 werd 's middags het ballet Parade als vierde en laatste ballet voor het eerst opgevoerd in het Théâtre du Châtelet te Parijs. Eerst waren opgevoerd Les Sylphides, Petrouchka en Le Soleil de nuit. Parade, de muziek was van Erik Satie en de choreografie van Léonide Massine, was het eerste ballet met een moderne inhoud en aankleding. Het scenario van Cocteau hield in een parade van drie variéténummers: een Chinese goochelaar, een Amerikaans meisje en een acrobatennummer. Drie managers, een mooiere naam voor stoepers, probeerden het publiek binnen te praten, maar niemand kwam. De acteurs verlieten het lege theater en de managers stortten in. De voorstelling ondersteunde o.a. het Franse Rode Kruis. Aanwezig waren o.a. gewonde geallieerde soldaten, Apollinaire, de componist Georges Auric, Cendrars, de componist Debussy, Gris, Valentine Gros, Max Jacob, Kisling, Lipchitz, Laurens, Miró, de componist Francis Poulenc, Renoir en leden van de 'high society'. Ook aanwezig was Gabrielle Chanel, die later bekend zou worden als Coco Chanel. Picasso zou in de zomer van 1921 nog tijdelijk in haar appartement verblijven.
Het ballet Parade werd in 1919 in Londen als een merry display (=vrolijke voorstelling) uitgevoerd met de balletdanseres Tamara Karsavina in de rol van het Amerikaanse meisje. Op nevenstaande foto zien we Picasso en Olga, die op 25 mei 1919 in Londen aankwamen, voor een aanplakbiljet met boven Picasso's schouder Parade. Van 1920 tot en met 1926 werd de Parade geregeld in Parijs door de Ballets Russes opgevoerd.
In 1964 werd het ballet Parade opgevoerd door het Ballet van de XXe eeuw en in 1973 door het Joffrey Ballet te New York. Bij deze laatste uitvoering had men de volgorde van de onderdelen veranderd.
Uitsluiten de costuums van de managers waren kubistisch getint. De rest van de costuums had niets met het kubisme en waren traditioneel. Het costuum voor het Amerikaans meisje, een matrozenjas en een kort wit rokje, werd zelfs een dag voor de uitvoering gekocht bij een sportzaak in Parijs. De al in Rome gemaakte constructies voor de managers werden met houtbord en andere materialen aangekleed. De costuums waren ongeveer 3 meter hoog. De nevenstaande Franse manager (links), gedansd door Woidzikowsky, probeerde het publiek binnen te praten voor de Chinese goochelaar, gedansd door Léonide Massine. De nevenstaande Amerikaanse manager (rechts) deed dit voor het Amerikaanse meisje, gedansd door Marie Chableska. De lokroep van de acrobatenmanager werd versterkt met het geluid van een vliegtuigmoter en van een stoommachine. De acrobaten werden gedansd door Lydia Lopokova en Nicholas Zverev.
De manager voor het acrobatennummer, een dummypop, viel tijdens de repetities van het door Picasso ontworpen paard, bestaande uit twee personen. Het gevolg was, dat de pop verdween en het paard een grotere rol kreeg. In plaats van met een bord over het toneel te lopen kreeg het paard een kort komisch dansje.
Picasso ontwierp op Cocteaus aanwijzingen een stadsgezicht, dat amper kubistisch is te noemen. De kleuren waren vermoedelijk bruin- en groenachtig en goudkleurig. Hierdoor kwamen de kleurige costuums prima uit.
Deborah Menaker Rothschild: Picasso's Parade, 1991, Londen, ISBN 0-85667-302-7.
Dit is een uitgave ter gelegenheid van de expositie Picasso's Parade from Paper to Stage die gehouden is van 6 april tot 13 juni 1991 in The Drawing Center te New York.