Ondanks, dat de Alex Reid & Lefevre Gallery in Londen vooral bekend is door de verkoop van impressionistische en post-impressionistische werken, heeft deze galerie ook kubistische werken verhandeld.
De kunstverzamelaar Douglas Cooper kocht en verkocht verschillende werken bij de Reid & Lefevre Gallery. In 1945 kocht hij het olieverf schilderij View of Paris van Fernand Léger uit 1912. In 1953 kocht Cooper het nevenstaande aquarel Still-life with Chocolate Pot van Pablo Picasso uit 1909. In 1955 verkocht Cooper het werk Bottle of Bass van Picasso uit 1913 met blauw krijt en zaagsel. Cooper had het werk hetzelfde jaar gekocht van Édouard Loeb (1897-1984), de tweelingbroer van Pierre Loeb. Édouard Loeb startte in 1953 in de Rue de Rennes 53 te Parijs de Galerie Édouard Loeb -S.A.S.G.P. (S.A.S.G.P.=Société d’art de Saint-Germain-des-Prés).
Het nevenstaande schilderij Portret van Picasso uit 1912 werd in 1956 door Leigh B. Block gekocht bij de Buchholz Gallery in New York in 1956. Het schilderij werd in 1914 geconfisqueerd bij Daniel-Henry Kahnweiler en op de tweede veiling van Kahnweilers bezit gekocht door het collectief Grassat en kwam denkelijk in juni 1926 bij Alfred Flechtheim terecht. Via Etienne Bignou en de Gallery Alex Reid and Lefevre te Londen kwam het werk in 1948 terug bij Galerie Louise Leiris, een opvolger van Galerie Kahnweiler. In april 1949 verkocht deze galerie het werk aan de Buchholz Gallery van Curt Valentin. Leigh B. Block schonk het schilderij in 1958 aan het Art Institute of Chicago.
Op de website van de opvolger van de oorspronkelijke galerie worden de drie nevenstaande kubistische werken getoond als 'opmerkelijke verkopen'. Hiernaast zien we van links naar rechts het schilderij Zelfportret van Juan Gris uit 1912, het schilderij Verre et Deux Cartes à jouer van Pablo Picasso uit 1914 en het schilderij Elements Mecaniques van Fernand Léger uit 1919.
(Opmerking: Daar de afbeeldingen worden gehaald uit de database van de galerie kan de opbouw iets langer duren!).
Alex Reid groeide op in Glasgow en vertrok naar Parijs. Hij ging daar werken bij de kunsthandelaar Theo van Gogh (1857-1891), de broer van de schilder Vincent van Gogh (1853-1890). Theo werkte vanaf 1 januari 1873 bij de kunsthandel Goupil & Cie, waarvan zijn oom Vincent van Gogh sinds 1861 mede-eigenaar was. Theo werkte eerst in Brussel, daarna vanaf november 1973 in Den Haag en kreeg in 1881 de leiding van de galerie op de Boulevard Montmartre 19, het hoofdkantoor van Goupil & Cie in Parijs. Terwijl Theo in Parijs werkte, verkocht zijn oom Vincent in 1978 zijn aandeel en kwam de firma in handen van de familie Goupil en Goupils schoonzonen Léon Boussod en René Valadon. In 1884 ging de kunsthandel verder onder de naam Boussod, Valadon & Cie, daar ook de laatste Goupils zich uit de firma terugtrokken.
Vanaf maart 1886 woonde Vincent bij Theo in Parijs en kwam hij in contact met andere kunstenaars. In Parijs raakte Reid bevriend met Vincent van Gogh en hij kreeg diverse werken van Vincent. Via de broers van Gogh kwam Reid ook in contact met bv. Gauguin en Toulouse Lautrec. Vincent van Gogh schilderde in 1887 het nevenstaande portret van Reid. Alex Reids zoon McNeill kocht het portret in juli 1929 van Theo's zoon Vincent Willem voor £ 100. McNeill herkende het schilderij als een portret van zijn vader in L'Oeuvre de Vincent van Gogh, een catalogue raisonné uit 1928 verzorgd door Dr. Jacob Baart de la Faille (1886-1959). In de catalogus werd het werk als zelfportret van Vincent aangegeven.
In 1889 keerde Alex Reid terug naar Glasgow en ging hij handelen in schilderijen van Monet, Manet, Degas en hedendaagse Schotse kunstenaars. In 1926 opende Reid samen met Ernest Lefevre de galerie Reid & Lefevre Ltd. in de King Street te Londen.
Reid overleed in 1928(?) en zijn zoon, A J McNeill Reid werd mede-eigenaar. Vanaf 1929 werkte de tot arts opgeleide Thomas John (roepnaam Tom) Honeyman (1891-1971) in de galerie. Lefevre ging in 1931 met pensioen en Honeyman werd directeur van de galerie. Honeyman vertrok in 1939 toen hij directeur werd van de Glasgow Art Galleries and Museums. De galerie werd vanaf 1947 geleid door Gerald Corcoran en hield tentoonstellingen van werken van o.a. Henri Rousseau, Andre Derain, Salvador Dali en Amedeo Modigliani.
In 1950 verhuisde de galerie naar de Bruton Street 30 in de Londense wijk Mayfair. In 1967 werden Martin Summers, die daarvoor zes jaar bij de kunsthandel Arthur Tooth & Sons werkte, en Gerald Corcorans zoon Desmond Corcoran de eigenaren. De galerie sloot in april 2002 de deur, maar het bedrijf ging via twee kunsthandels verder. Summers gaf voor de sluiting o.a. als reden op, dat de veilinghuizen Sotheby's en Christie's de kunstverzamelaars een opbrengst garandeerden waar een kunsthandelaar nooit tegen op kon. Ook de B.T.W. op kunstvoorwerpen van buiten de EU en de op stapelstaande betaling van royalty (droit de suite) aan kunstenaars of erfgenamen bij verkoop van een kunstwerk tot 75 jaar na de dood van de kunstenaar speelden mee bij de afwegingen.
Martin Summers begon in 2002 de kunsthandel Martin Summers Fine Art op Glebe Place 54 te Londen. De andere kunsthandel, Lefevre Fine Art Ltd, werd gestart door Desmond Corcorans zoon Alexander Corcoran in Bruton Street 31 te Londen.