Academies in Parijs.

École des Beaux-Arts

Tot 1861 was de École des Beaux-Arts de enige kunstopleiding in Parijs. Uit protest tegen de gang van zaken, n.l. uitsluitend schilderen op de traditionele manier, openden studenten een atelier in de Rue Notre-Dame-des-Champs. Zij vroegen de door zijn afwijkende houding bekend staande schilder Gustave Courbet (1819-1877) om les te komen geven, maar deze weigerde in eerste instantie. Pas in de winter 1861-1862 opende hij voor enkele maanden zijn atelier in de Rue Notre-Dame-des-Champs voor leerlingen. Wel werd zijn voorbeeld gevolgd door Horace Lecoq de Boisbaudran (1802-1897), die op de Quai des Grands-Augustins in 1863 een onafhankelijk atelier opzette.

Op de École des Beaux-Arts waren de Oudheid en het naaktmodel zeer belangrijk. De leerlingen moesten eerst een naaktmodel leren tekenen voordat zij mochten gaan schilderen. Op 13 november 1863 bepaalde Napoleon III, dat de École des Beaux-Arts hervormd moest worden. Ruim acht jaar stonden Napoleon III en de Académie tegenover elkaar. Na de Frans-Duitse oorlog en het uitroepen van de 'Derde Republiek', waardoor Napoleon III aan de kant werd gezet, kwam er op 4 september 1870 eerst een voorlopige regering van nationale eenheid. Jules Simon werd Ministre de l'Instruction publique, des Cultes et des Beau-Arts. (Vanaf 1932 werd de naam veranderd in Ministre de l'Éducation nationale.) Op 19 februari 1871 kwam na verkiezingen een nieuwe regering onder leiding van Adolphe Thiers en behield Jules Simon zijn ministerie tot mei 1873. Tijdens de regering van Léon Gambetta (1838-1882) van 14 november 1881 tot 30 januari 1882 was er voor het eerst een zelfstandig Ministre des Arts onder leiding van Antonin Proust (1832-1905). Ook hij en zijn opvolgers slaagden er niet in de École des Beaux-Arts te hervormen. Pas vanaf mei 1897 werden op de École des Beaux-Arts vrouwen toegelaten.

In Nederland waren al vanaf 1871 vrouwen toegelaten op de Rijksacademie van de Beeldende Kunsten te Amsterdam. De vrouwen, meestal uit de gegoede milieus, kregen les in speciale 'damesklassen', waar tekenen en schilderen van naakten niet was toegestaan. Ook contact met de mannelijke studenten was uitgesloten. Nederland liep daarmee gelijk aan Rusland, waar in 1871 een dertigtal vrouwelijke studenten voor het eerst werden toegelaten op de Tsaristische kunstacademie van St. Petersburg. De academies van Moskou, Odessa, Kiev en Charkow volden daarna het voorbeeld.

Naast de École des Beaux-Arts ontstonden vele andere academies. Van de volgende academies is een webpagina aanwezig.

Andere bekende academies waren:

Académie Alexander Archipenko

Académie Alexander Archipenko

Alexander Archipenko opende op 10 april 1913 zijn atelier voor leerlingen op de Boulevard du Montparnasse 169bis.



Académie de l'Art Contemporain

Académie de l'Art Contemporain, 1936-1937

Fernand Léger startte, nadat hij gestopt was met lesgeven aan de Académie Moderne in juli 1931, in 1932 de Académie de l'Art Contemporain. Deze zat eerst in de Rue de la Sablière, daarna in de Rue du Moulin Vert 23 en in het seizoen 1938-1939 op de Square Henry Delormel. Léger gaf in het begin twee dagen per week les en later slechts één dag.

Académie de l'Art Contemporain, 1938

Onder de studenten waren o.a. Roland Brice, die de gevel van het Musée Fernand Léger in Biot ontwierp, en Nadia Khodossievitch. Op nevenstaande foto zit zij rechts naast de in het midden zittende Léger. Tijdens de derde reis van Léger naar de Verenigde Staten in 1938 leidde Nadia de academie. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog stopte de academie. Terwijl Léger nog in de Verenigde Staten verbleef heropende Nadia Khodossievitch de academie in januari 1946 in de Parijse wijk Montrouge onder de naam Atelier Fernand Léger. De ruimte was zo klein, dat er slechts voor zes studenten plaats was. In de zomer van 1947 verhuisde de academie naar een zeer grote ruimte op Boulevard Clichy 104. Op vrijdag kwam Léger, die geassisteerd werd door Khodossievitch, het gemaakte werk van de week becommentariëren.

Académie de la Grande Chaumière

Académie de la Grande Chaumière

De academie was opgericht door de dochter van de Zwitserse architect Eugen Stettler, Martha Settler (1870-1945), en sinds 1904 gevestigd op Rue de la Grande Chaumière 14 te Parijs. Volgens de schrijvers Billy Klüver en Julie Martin werd de academie in 1906 gestart door Castelucho, waarvan de broer een winkel in verfartikelen ernaast had op nummer Rue de la Grande Chaumière 16. De beeldhouwer Antoine Bourdelle leidde jarenlang de beeldhouwafdeling. In 1905 studeerde de Russin Marevna aan deze academie. De beeldhouwer Ossip Zadkine heeft hier van 1947 tot de sluiting in 1958 les gegeven.

Académie Humbert

Académie Humbert, 1904

Deze academie was opgericht door de portrettist Jacques Fernand Humbert (1842-1936) en had gelijktijdig o.a. Francis Picabia, Georges Braque en Marie Laurencin als leerling. De academie was volgens Pierre Cabanne in zijn boek L'épopée du Cubisme gevestigd op de Boulevard Rochechouart, maar volgens een andere bron op de Boulevard de Clichy, vlak bij de Moulin Rouge in Montmartre. 's Zaterdags kwam Humbert even langs, terwijl de lessen op dinsdag en donderdag werden gegeven door Albert Wallet en François Thévenot. De lessen, waarbij gebruik werd gemaakt van naaktmodellen, kostten 320 Francs per jaar voor alle lesdagen. Op nevenstaande foto zien we een damesklas uit 1904.

Affiche

Académie Montparnasse

De Académie Montparnasse was gevestigd in de Rue du Départ 35 in de Parijse wijk Montparnasse. In de periode 1917-1925 gaf volgens bijgaande foto André Lhote 's morgens les en Roger Bissière 's middags. Leerlingen konden tegen betaling ook gebruik maken van het atelier. Aan het einde van het jaar werd een tentoonstelling gehouden.

Académie Ozenfant, 1932

Académie Ozenfant

Nadat Amédée Ozenfant een nieuwe woning met een groot atelier had betrokken op Avenue Reille 53 startte hij in 1932 zijn Académie Ozenfant. De atelierwoning was ontworpen door zijn vriend Le Corbusier. Een van zijn leerlingen was de schilder Henri Goetz (1909-1989), die op nevenstaande foto op de tweede plaats van links staat. Ozenfant staat helemaal rechts. In 1936 kwam een eind aan de academie, daar Ozenfant naar Londen ging en daar een academie opende.


Académie de la Palette

De academie was oorspronkelijk gevestigd in de Rue d'Arrivée met (volgens de schrijvers Mark Antliff en Patricia Leighten in A Cubism Reader) als eigenaresse de Zwitserse schilderes Martha Stettler (1870-1945). In andere bronnen wordt zij aan de Académie de a Grande Chaumière gekoppeld. In de periode 1902-1912 was Jacques-Émile Blanche (1861-1942) directeur, die door zijn tweetaligheid veel Engelse en Noord-Amerikaanse leerlingen aantrok. In 1905 studeerden de Russinnen Sonia Terk, Maria Vassilieff en Elisabeth Epstein aan deze academie. Medeleerlingen van Sonia Terk waren Amédée Ozenfant, André Dunoyer de Segonzac (1884-1974) en Roger de la Fresnaye. Op dat moment was de academie gevestigd in de Rue du Val de Grâce in de wijk Montparnasse. Docenten waren o.a. Georges Desvallières, die medeoprichter was van de Salon d'Automne, Edmond Aman-Jean, André Simon en Jacques-Émile Blanche (1862-1952). Volgens een mededeling in het tijdschrift La Revue de France et des Pays Français (maart-april 1912) was Mac Neill de directeur.

In februari 1912 nam Henri le Fauconnier de functie van chef d'atelier over van Blanche en stelde hij Jean Metzinger en André Dunoyer de Segonzac als vaste docent aan voor de ochtend lessen en Eugène Zak en Jean-Francis Auburtin (1866-1930) voor de middag. Dunoyer de Segonzac had al vanaf 1907 samen met de Schot John Duncan Fergusson (1874-1961) als parttimer gewerkt. Deze academie, die gelegen was in de Rue Val-de-Grâce 18, ging na de directie wisseling vooral Franse, Deense en Russische leerlingen aantrekken. Bekende leerlingen waren Marcel Gromaire (1892-1971) en Marc Chagall. In de herfst van 1912 werden Liubov Popova en Nadezhda Udaltzova, op advies van Alexandra Exter, leerling van deze academie. Volgens Udaltzova moedigde Metzinger de leerlingen aan om ook de werken van de galeriekubisten te gaan bekijken. De prijs voor een halve dag les was 40 francs per maand.

Académie Ranson

Ranson, Sérusier en Marie-France Ranson L'Art et les Artistes

Deze academie werd in oktober 1908 opgericht door de schilder Paul Ranson (1864-1909) in de Rue Henri Monnier 21 in de Parijse wijk Montmartre. De academie probeerde de ideeën van de kunstenaarsgroep Les Nabis (=de profeten) via de leerlingen voort te zetten. In het achtste nummer van het halfjaarlijkse tijdschrift L'Art et les Artistes (oktober 1908-maart 1909) stond de bijgaande mededeling. Docenten waren volgens de mededeling voor schilderen Pierre Bonnard, Maurice Denis (1870-1943), K.-X. Roussel, Van Rysselberghe, Paul Sérusier (1863-1927), Félix Vallotton, Ídouard Vuillard, voor beeldhouwen Aristide Maillol en Georges Lacombe. Ranson verzorgde de decoratieve kunsten. Latere docenten waren Roger Bissière en Francis Gruber (1912-1948). De leerlingen moesten eerst stillevens kunnen tekenen, de klassieken bestuderen en kopiëren, elk genre en techniek beheersen voordat zij eigen werk mochten maken. De leerling had twee keer per week recht op een advies van een docent. Na Ransons dood op 20 februari 1909 werd de academie voortgezet door zijn weduwe Marie-France Ranson. In 1911 verhuisde de academie naar Rue Jesoph-Bara 7 in Montparnasse. Volgens haar memoires studeerde Alice Halicka eind 1913 en in 1914 aan de Académie Ranson. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de academie gesloten.

Académie Russe de Peinture et de Sculpture

Deze academie werd opgericht door o.a. Marie Vasilieff in 1910 op de Avenue de Maine 54 in Montparnasse. Na het vertrek van Vasilieff ging de leiding over naar Sergei Boulakovski. De leerlingen waren niet alleen Russen, zoals Archipenko, Indenbaum, Lipchitz, Miestchaninoff, Nadelman, Orloff en Zadkine, maar ook Duitsers en Scandinaviërs.

Académie Scandinave

In 1923 startte in Maison Watteau, Rue Jules Chaplin 6 te Parijs, de Académie Scandinave. Othon Friesz ging hier lesgeven. Een van de eerste activiteiten van de Association des Artistes Scandinaves was een tentoonstelling onder de naam Grande exposition Franco-Scandinave et de ses invites, die begon op 17 november 1923.

Académie Vasilieff

Deze academie werd opgericht door Marie Vasilieff nadat zij met ruzie de Académie Russe had verlaten. Modigliani, Soutine en Zadkine volgden avondlessen in tekenen. In 1913 en 1914 gaf Fernand Léger twee voordrachten over zijn schildertheorie.

Académie Vitti

Deze academie, die gevestigd was op de Boulevard du Montparnasse, is o.a. bekend doordat Kees van Dongen vanaf 1912 hier enige tijd les gaf. Bekende leerlingen waren Marie Blanchard en Angelina Beloff, de vriendin van Diego Rivera.

Singermuseum, 2003

Naast deze academies waren er kunstenaars die hun atelier openstelde voor studenten. Een goed voorbeeld is Ossip Zadkine, die vanaf 1928 een atelierwoning achter de huizen van de Rue d'Assas 100b bewoonde en daar ook les gaf. Hoe dat ging werd beschreven in de catalogus van de tentoonstelling Chez Zadkine, Zadkine en zijn Nederlandse leerlingen, die van 13 september 2003 t/m 11 januari 2004 werd gehouden in het Singermuseum te Laren. Het atelier in de Rue d'Assas 100b is nu in gebruik als het Musée Zadkine.

Laatste wijziging: 030414