In 1863 opende Alexandre Bernheim (1839-1915) een galerie in de Rue Laffitte 8, waar in 1874 een expositie werd gehouden van impressionistische werken van Delacroix, Corot en Courbet. Zijn vader had een verfbenodigdheden zaak in Besançon en op advies van zijn vriend, de schilder Gustave Courbet, verhuisde Alexandre de zaak naar Parijs en begon hij in kunst te handelen. Alexandres zonen Josse (1870-1941) en Gaston (1870-1953) trouwden op dezelfde dag resp. met de zussen Suzanne en Mathilde Adler en lieten Renoir portretten van hen schilderen. Bijna dertig jaar, n.l. tot 1929, zouden de echtparen bij elkaar wonen in een huis op de Avenue Henri-Martin. In 1901 werd in de galerie een belangrijke expositie van schilderijen van van Gogh gehouden.
Josse en Gaston volgden hun vader op en in 1906 openden zij een galerie op Boulevard de la Madeleine 25, hoek Rue Richepanse. De naam Bernheim-Jeune voor de galerie werd op advies van de kunstcriticus Félix Fénéon voor het eerst gebruikt bij een expositie van Bonnard en Vuillard. De galerie sloot in 1906 een exclusief contract met Bonnard, dat tot 1940 zou doorlopen. Félix Fénéon werd spoedig directeur van een speciale afdeling van de galerie van Bernheim-Jeune et Cie voor toenmalige hedendaagse kunstenaars. Daar deze afdeling een eigen deur had, kreeg de afdeling het adres Rue Richepanse 15. De Rue Richepanse werd in december 2001 hernoemd in Rue du Chevalier de Saint-George, daar de oorspronkelijke naamgever van de straat, de generaal Antoine Richepanse (1770-1802), in een kwaad daglicht kwam te staan door zijn optreden bij het heroveren van en het herstellen van de slavernij op het eiland Guadeloupe met zijn expeditieleger in 1802. Zijn naam staat wel gebeeldhouwd op de Arc de Triomphe in Parijs. Is het eerste deel van de Rue Duphot, dat uitkomt op de Boulevard de la Madeleine, ook hernoemd, want de Rue du Chevalier de Saint-George komt niet uit op de Boulevard de la Madeleine.
Een zus van de broers, n.l. Gabrielle (1863-1932), trouwde nadat zij in 1894 weduwe was geworden van Isaac David Rodrigues Henriques met de schilder Félix Vallotton (1865-1925) in 1899. In december 1906 kocht de galerie van Kees van Dongen 5 schilderijen en 14 aquarellen voor een bedrag van 800 francs. Op 11 maart 1907 sloot Fénéon een contract met Henri Matisse waarmee Bernheim-Jeune de eerste keus kreeg en 25% van de verkoop van een werk al of niet via de galerie. Bernheim-Jeune beloofde bovendien het meeste werk van Matisse te kopen.
In 1907 volgde een expositie van Paul Cézanne en later van Seurat, Henri Matisse (14 t/m 22 februari 1910), Kees van Dongen (25 november - 12 december 1908, 6 - 24 juni 1911), de futuristen (februari 1912), Douanier Rousseau, Raoul Dufy en Maurice de Vlaminck. Deelnemers aan de Exposition futuriste waren o.a. Umberto Boccioni, Carlo Carrà, Robert Delaunay, Henri le Fauconnier, Fernand Léger, Jean Metzinger, Pablo Picasso en Gino Severini. Volgens de biografie van de kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler opende Bernheim-Jeune een tweede galerie speciaal voor de hedendaagse kunst in die tijd in de Rue Richepanse, waar Félix Fénéon vanaf november 1906 de leiding had. Fénéon had Severini al kort na zijn aankomst in Parijs in 1906 via Severini's buurman, de theaterdirecteur Lugné-Poë (1869-1940), ontmoet.
Op 18 september 1909 tekende Matisse een contract met de galerie. Het contract hield in dat de galerie alle werken van Matisse in de komende drie jaar voor een vast bedrag afhankelijk van de grootte zou kopen. Zo kreeg Matisse voor maat 6 een bedrag van 450 francs en voor maat 50 1.875 francs. Bovendien zou Matisse nog 25% van de winst bij verkoop ontvangen. Indien Matisse een werk direct aan iemand wilde verkopen, dan moest de koper minstens het dubbele van de galerieprijs betalen. Decoratieve werken konden buiten het contract door Matisse worden uitgevoerd. Hierdoor was Matisse in staat de werken De Dans en Muziek direct te leveren aan de opdrachtgever, de Russische verzamelaar Sergej Stschukin.
Van 2 t/m 7 maart 1914 werd in de galerie in de Rue Richepanse 15 een tentoonstelling gehouden waarop werken van de drie schilderessen Janine Aghion, Madeleine Bunoust (1885-1974) en Juliette Roche (1884-1982) te zien waren.
Op 28 december 1915 was de opening van een expositie van Poolse kunstenaars. Volgens een brief van Jean Marchand geschreven begin 1916 aan René-Jean, pseudoniem van de bibliothecaris en kunstcriticus René Hippolyte Jean (1879-1951), organiseerde Sonia Lewitzka met hulp van Fénéon de tentoonstelling en tombola voor de Poolse kunstenaars. Hij gaf ook een opsomming van de kunstenaars die meededen. Na de officiële opening was onder leiding van de schilder Paul Signac een benefiet ten gunste van Poolse kunstenaars, die slachtoffer waren geworden van de oorlog. Werken van o.a. Renoir, Rodin, Brancusi, Bonnard, Bourdelle, Dufy, André Lhote, Matisse en Picasso werden verkocht. In 1920 volgde M.P. Ebstein Félix Fénéon op in de afdeling 'hedendaagse kunst'. In 1920 schilderde Pierre Bonnard (1867-1947) het nevenstaande schilderij met Joseph en Gaston Bernheim. Het schilderij hangt nu in het Musée d'Orsay te Parijs.
Eind 1924 werd de galerie verplaatst naar de Rue du Faubourg Saint-Honoré 83. De opening werd verricht door de Franse president Gaston Doumergue. In de omgeving waren meer galeries en modezaken. Van 1 t/m 15 december 1927 werd in Galerie Bernheim-Jeune een expositie gehouden van de beeldhouwers Brancusi, Despiau, Gargallo, Laurens, Maillol en Zadkine.
In 1929 verhuisden de broers, de een naar Avenue du Général-Maunoury en de ander naar Avenue Desbordes-Valmore. Hierdoor werd de kunstverzameling gesplitst. Josses zonen Jean en Henri namen de werkzaamheden van hun vader in de galerie over. In 1930 kochten de gebroeders Bernheim-Jeune de Galerie Georges Petit, waar belangrijke kunstveilingen en exposities werden gehouden. Het voorwoord in de catalogus werd geschreven door Tériade. Door financiële moeilijkheden werd deze galerie in 1933 gesloten.
In 1936 werd in de galerie de tentoonstelling L'Exposition des Femmes Peintres gehouden. Tamara de Lempicka was één van de deelneemsters.
Spoedig na de val van Parijs in juni 1940 werden de eigendommen in de galerie geconfisqueerd door de ERR. De galerie werd min of meer geconfisqueerd door Eduard Gras, die samenwerkte met de Zwitser Charles Montag. Voor de galerie werd 2 milj. Francs betaald in plaats van de geschatte waarde van 16 milj. Francs. Gaston Bernheim had zijn bezit direct na het begin van de oorlog in september 1939 al opgeborgen in Monte Carlo. Gastons zoon Claude, die ondergedoken was in de Franse Alpen, werd in 1942 verraden en naar Auschwitz afgevoerd. Bij de verplaatsing in verband met het oprukken van het Russische leger overleed hij. Josses zonen Jean en Henri vochten bij de Franse luchtmacht en gingen naar de capitulatie naar Lyon, waar hun vader al was. Na de dood van hun vader in 1941 slaagden zij erin te ontkomen naar Zwitserland. Dankzij een oude schoolvriend, die ondertussen een Japanse diplomaat was geworden, kwamen zij in 1942 in het bezit van enkele schilderijen uit hun galerie en konden zij een bankgarantie krijgen om geld te lenen.
In de periode 1919-1926 gaf de kunsthandel Bernheim-Jeune het half maandelijkse tijdschrift Bulletin de la Vie Artistique uit, waarin artikelen stonden over o.a. tentoonstellingen en kunst vanaf het midden van de negentiende eeuw. Redacteuren van het min of meer zelfstandige blad waren Félix Fénéon, die eerst de moderne kunst van de kunsthandel aanstuurde, Guillaume Janneau, Pascal Forthuny en voor de illustraties André Marty. In het tijdschrift werden interviews weergegeven, die Fénéon had met de kunstverzamelaars, o.a. Morosov en Doucet. Het eerste nummer verscheen op 1 december 1919 en de eerste jaargang (1919-1920) bevatte 26 nummers. De prijs van een los nummer was 1,25 FF, een half jaar 12 FF en een jaar 24 FF. Bij het eerste nummer van de tweede jaargang, 1 januari 1921, kregen de abonnees een index van de eerste jaargang, die gemaakt was door Pierre Schommer, een leerling van L'École du Louvre. Andere belangstellenden moesten 5 FF voor de index betalen.
Vanaf 1 november 1924 stond het artikel Chez les Cubistes in het blad. Hierin gaven 21 personen, hoofdzakelijk schilders en beeldhouwers met een kubistische achtergrond, een 'terugblik' op of een mening over het kubisme. Via de website Gallica.bnf.fr (bnf=Bibliothèque nationale de France) zijn de bulletins te lezen.
P.S. Vanaf 1920 verscheen in België onder de naam Sélection. Bulletin de la vie artistique een maandelijks periodiek, dat tot 1928 niet in augustus en september verscheen. Vanaf 1928 verscheen het tijdschrift onregelmatig.