In 1874 kwam de Duitser Jacques Seligmann, die op 18 september 1858 geboren was in Frankfurt, naar Parijs en begon in 1880 in de Rue des Mathurins de kunsthandel Jacques Seligmann & Cie. De zaken gingen voorspoedig en in 1900 opende Jacques een grotere zaak op de Place Vendôme waar ook zijn broers Simon en Arnold zakenpartners werden. Door de vele belangrijke Amerikaanse klanten opende Seligmann in 1904 in de West Thirty-sixth Street 7 te New York een filiaal. In 1909 kocht de firma Hôtel de Sagen in Rue Saint-Dominique 57 te Parijs waar grotere tentoonstellingen konden worden gehouden en belangrijke kunstverzamelaars konden worden ontvangen.
Door onenigheid werd de firma in 1912 gesplitst. Arnold Seligmann verkreeg de zaak in de Place Vendôme en ging verder onder de naam Arnold Seligmann & Cie. en Jacques verkreeg Hôtel de Sagen. In 1936 werd het gebouw verkocht aan de gemeente Parijs in verband met de tentoonstelling Exposition Internationale des Arts et Techniques dans la vie Modern 1937. Daarna werd in het gebouw de Poolse ambassade gevestigd. De naam van het gebouw werd veranderd in de oorspronkelijke naam Hôtel de Monaco.
Jacques opende in 1912 ook een galerie op de Place Vendôme 17 te Parijs, maar verhuisde deze kort daarop naar Rue de la Paix 9. Het New Yorkse filiaal, dat slecht uit één ruimte bestond werd kantoorruimte en de galerie verhuisde naar Fifth Avenue 705. Jacques werd bijgestaan door zijn zoon Germain (1893-1978).
Germain Seligmann werd geboren op 25 februari 1893 uit het huwelijk van Jacques Seligmann met Blanche Falkenberg (1902- ).
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd Germain gemobiliseerd en was hij als tweede lieutenant in het 132ste Infanterie Regiment gelegerd in Reims. Via promotie werd Germain in de volgende jaren kapitein en in 1917 werd hij de Franse verbindingsofficier bij de Vijfde Divisie van het Amerikaanse leger in Frankrijk als tolk van de majoor George C. Marshall (1880-1959). Marshall werd o.a. bekend door het Marshall Plan, dat Europa na de Tweede Wereldoorlog weer economisch herstelde.
Na zijn ontslag uit militaire dienst in 1919 ging Germain werken in het bedrijf van zijn vader en werd hij zakenpartner in 1920. De firmanaam werd veranderd in Jacques Seligmann et Fils en Germain vertrok naar de V.S. om de Amerikaanse vestiging te leiden. Germain maakte voor het bedrijf vele overtochten per jaar over de Atlantische Oceaan. Na de dood van zijn vader op 31 oktober 1923 nam Germain de leiding van het familiebedrijf over en werd de naam weer Jacques Seligmann & Cie. Germain had oog voor de post-impressionisten, maar de mede-eigenaren minder. Germain startte in 1926 in New York een kunsthandel in moderne werken, genaamd International Contemporary Art Company, Inc., maar deze werd spoedig veranderd in Hauke & Co., Inc. wegens de samenwerking met zijn New Yorkse medewerker César Mange de Hauke. Beide bedrijven, die intensief samenwerkten, werden gevestigd op East Fifty-first Street 3 te New York. In 1931 keerde de Hauke echter terug naar Europa en de firmanaam werd veranderd in Modern Paintings Inc. Bij een reorganisatie van het familiebedrijf in 1934 werd deze firma beeindigd en de werkzaamheden werden overgenomen door Jacques Seligmann & Cie.
Op 15 september 1937 kocht Germain Seligmann van de weduwe van Jacques Doucet zes schilderijen van Picasso waaronder het nevenstaande schilderij Les Demoiselles d'Avignon. Het schilderij werd de blikvanger van de tentoonstelling Twenty Years in the Evolution of Picasso 1903-1923, die gehouden werd van 1 t/m 20 november 1937. Seligmann verkocht het daarna aan het Museum of Modern Art te New York.
Door de verkoop van Hôtel de Sagen besloot Germain, dat New York de vestigingsplaats van het bedrijf werd. De Parijse vestiging in de Rue de la Paix 9 werd geleid door Germains stiefbroer Françcois-Gerard. Na de bezetting van Parijs door de Duitse troepen in juli 1940 werden de bezittingen in opdracht van de Vichy-regering openbaar verkocht. Het Parijse bedrijfsarchief werd door de medewerkers al eerder verbrand. Germain verkreeg in 1943 het Amerikaans staatsburgerschap en veranderde zijn achternaam in Seligman. De kunsthandel verhuisde begin 1944 naar een kleinere ruimte op East Fifty-seventh Street 5.
In 1952 verscheen van Germain de autobiografie Merchants of Art, 1880-1960: Eighty Years of Professional Collecting en in 1969 verscheen de door Germain Seligman geschreven de monografie Roger de La Fresnaye, with a Catalogue Raisonné. Na de dood van Germain Seligman op 27 maart 1978 werd de firma opgeheven. Het archief werd ondergebracht in het Archives of American Art. Zie de webpagina: Jacques Seligmann & Co. records, 1904-1978.