Vele kubisten hebben behalve verf, inkt, houtskool ook ander materialen gebruikt om zich in een kunstwerk uit te drukken. Zij waren daarmee niet de eerste kunstenaars. De Russische ikonen van de Maagd Maria werden al voorzien van bladgoud en edelstenen. Ook werd de beeltenis omlijst door metaal. Een mooi voorbeeld is het pas (15 augustus 2004) in het nieuws zijnde icoon, dat jarenlang op de werkkamer van Paus Johannes Paulus II heeft gehangen en is teruggegeven aan de Russisch-orthodoxe kerk.
De met zilver en edelstenen versierde 18e-eeuwse kopie van de beroemde Maagd van Kazan-icoon, die waarschijnlijk verloren is gegaan, werd in 1970 in de VS voor één miljoen dollar gekocht door een groep katholieken, die hem vervolgens in 1993 aan de Paus schonken. De Kazan-icoon, genoemd naar de stad waar de afbeelding in 1579 werd gevonden, werd eeuwenlang gebruikt om Russische soldaten moed te geven voor ze ten strijde trokken. Hoe de icoon in het Westen is beland, is onduidelijk. Waarschijnlijk is het gestolen tijdens de Oktoberrevolutie. Het Vaticaan heeft het kostbare kunstwerk teruggegeven als gebaar van goede wil. Patriarch Aleksej nam de icoon in ontvangst tijdens een ceremonie in de Maria Hemelvaart Kathedraal in Moskou.
De schrijver John Golding maakt in zijn boek Cubism. A history and an analysis 1907-1914 een verschil tussen papier collé en collage. Papier collé beperkt hij tot de werken waarin uitsluitend papier is verwerkt. Indien andere materialen zijn toegevoegd spreekt hij van een collage.
In 1909 gebruikte Georges Braque voor het eerst als moderne schilder letters in een schilderij, n.l. in Le Pyrogène et le Quotidien. De letters GILB verwezen naar het literair tijdschrift Gil Blas, dat van november 1879 tot 1914 werd uitgegeven. In 1911 plaatste Braque met behulp van sjabloonletters o.a. het woord BAL op het schilderij De Portugees, maar ook cijfers. Tijdens zijn opleiding had Braque ook trompe-l'oeil effecten geleerd. Dit wil zeggen, dat hout, marmer, een spijker e.d. geschilderd werd als of het echt was.
Begin september 1912 werd door Braque een stuk behang in een werk opgenomen. Het papier collé (= geplakt papier) in het kubisme was een feit. In dit eerste werk, Vruchtenschaal en glas, gebruikte Braque behang, dat een eiken houtnerf liet zien. Op een wit vel plakte hij stroken behang die met behulp van een potlood tekening tot een geheel werd gemaakt.
Braque zag het behang in een etalage van een verfzaak in de Rue Joseph Vernet toen hij begin september in Avignon was. Hij kocht het niet direct. De 'familie' Picasso, Pablo en Eva, en de familie Braque, Georges en Marcelle, hadden allebei voor de zomer een villa gehuurd te Sorgues-sur-l'Ouvèze, een plaats ongeveer 10 kilometer noordelijk van Avignon. Braque huurde de villa Bel Air en Picasso de villa Les Clochettes. Picasso keerde tijdens het verblijf in Sorgues ruim een week, n.l. tussen 3 en 12 september 1912, terug naar Parijs om zijn nieuwe appartement Boulevard Raspail 242 te aanvaarden. Tijdens Picasso's afwezigheid kocht Braque het behang. Braque vertelde dit verhaal op 7 september 1957 aan de kunsthistoricus en verzamelaar van kubistische kunst, Douglas Cooper, die sinds 1946 eigenaar was van Vruchtenschaal en glas. Cooper schreef o.a. The Cubist Epoch in 1970 i.v.m. een tentoonstelling in het Los Angeles County Museum of Art (17/12/1970 - 21/2/1971) en het Metropolitan Museum of Art te New York (7/4/1971 - 7/6/1971).
Later plakte Braque ook stukjes krant en bedrukt papier op linnen en tekende hij met inkt. Hij voegde ook olieverf en gouache toe.
In de catalogus van de tentoonstelling Otto en Adya van Rees, Leven en werk tot 1934, gehouden van 30 april t/m 2 juni 1975 in het Centraal Museum te Utrecht en van 24 november t/m 30 december 1975 in het Gemeente Museum te Den Haag, haalde Herbert Henkels de reis van Otto van Rees aan. Op 22 januari 1952 maakten Otto van Rees en Willem Enzinck (pseudoniem van Aleid Wensink 1920-2001) een reis naar Parijs om oude bekenden, o.a. Zadkine, op te zoek. Van Rees zou illustraties maken bij de artikelen van Enzinck voor Volksweekblad en Nieuwe Eeuw. Onderweg vertelde van Rees over zijn tijd in Parijs en deelde mee, dat hij ervoor gezorgd had, dat Georges Braque cijfers in zijn schilderijen opnam. Braque en ik zaten op een middag te praten over een schilderij van Georges dat bijna af was. Op een bepaalde plek van de kompositie was een leegte, iets dat Braque niet voldeed. Ik voelde dat hij dat zuiver zag en probeerde te bedenken welke vorm, welk teken daar zou kunnen thuishoren. Daarbij viel mijn blik toevallig op een krant op de grond, waarin ik een groot vetgedrukt cijfer zag. Opeens had ik het dunkt me gevonden, ik scheurde het cijfer uit en hield het op de bewuste plek. Braque was enthousiast en zette het erin. Van dat ogenblik af heb ik ook in eigen werk cijfers toegepast en Braque ook.
Het eerste schilderij van Braque waar een cijfer in voorkwam was het nevenstaande Le Bougeoir uit 1911. Het cijfer 5 is in dit schilderij wel opvallend aanwezig, maar om te spreken van een leegte bij afwezigheid is overdreven. Of dit het door Otto van Rees bedoelde schilderij was is onbekend gebleven.
In mei 1963 werd in Galerie Maeght te Parijs de expositie Georges Braque: Papiers collés, 1912-1914 gehouden.
In 1982 werd van 17 juni tot 27 september in het Centre Georges Pompidou te Parijs de tentoonstelling gehouden Georges Braque, les papiers collés. In de bijbehorende catalogus stonden 57 werken afgedrukt. De expositie werd tevens gehouden in de National Gallery of Art te Washington, D.C.
Zie voor voorbeelden de webpagina: Papiers collés van Georges Braque.
Het gebruik van andere materialen dan verf in een schilderij kwam bij Picasso in 1912 voor het eerst te voorschijn. Een speciaal voorbeeld was het schilderij La table de l'architecte. In februari 1912 bezochten Gertrude Stein en haar geliefde Alice Toklas het atelier van Picasso in het arteliergebouw Bateau Lavoir. Daar Picasso afwezig was liet Gertrude min of meer als grap haar visitekaartje op de deur achter. Tot haar verrassing had Picasso haar visitekaartje enkele dagen later verwerkt in het nevenstaande schilderij La table de l'architecte.
Een ander voorbeeld was het nevenstaande schilderij De brief, dat denkelijk gemaakt was in de periode januari-maart 1912. In het schilderij plakte Picasso een Italiaanse postzegel van 5 centisimi met erop het hoofd van koning Victor Emmanuel III. Op de postzegel waren de stempelletters FIRE te lezen, die denkelijk bij Firenze (Florence) hoorde. Picasso had contact met de in Florence wonende Ardengo Soffici, die het blad La Voce uitgaf. In de nummers van 24 augustus en 7 december 1911 stonden artikelen gewijd aan Picasso, Braque en het kubisme. Het schilderij maakte deel uit van de verzameling van Paul Éluard.
In navolging van Braque ging ook Pablo Picasso papiers collés maken. In een brief aan Braque van 9 oktober 1912 meldde hij: Mon cher ami Braque. Je emploie tes derniers procedes paperistiques et plusiéreux.... Volgens William Rubin maakte Picasso het nevenstaande werk Gitaar en muziekpapier. Met hetzelfde behang maakte Picasso later Gitaar, muziekpapier en glas. Daarna volgde het gebruik van andere materialen, zoals zand, stof, hout, speelkaarten, verpakkingen e.d.
Uit de begin periode zijn drie foto's bekend waarop een aantal papiers collés van Picasso staan. Door de gebruikte kranten is het mogelijk een indicatie te geven van de volgorde. De bovenstaande middelste foto werd gepubliceerd in 1950 in een nummer van Cahiers d'Art.
In 1935 werd van 20 februari t/m 20 maart de expositie Papiers collés 1912-1914 de Picasso gehouden bij Galerie Pierre in de Rue des Beaux-Arts 2 te Parijs. Naar aanleiding van deze expositie verscheen er in april 1935 in Arts et Métiers het artikel Les Papiers collés de Picasso.
De schrijfster Anne Baldassari vermeldde in het hoofdstuk 1912-1913 coupures de presse van haar boek Picasso papiers journaux uit 2003 bij vele papiers collés uitvoerig de gebruikte kranten.
Zie voor voorbeelden de webpagina: Papiers collés van Pablo Picasso.
In het boek Re-Ordering the Universe, Picasso and Anarchism, 1897-1914 van Patricia Leighten uit 1989 ging de schrijfster in op de inhoud van de gebruikte stukken krant. Zie de webpagina Krantenartikelen in kubistische collages.
In vele boeken wordt Juan Gris genoemd als de eerste kubist die een collage maakte. In ieder geval exposeerde Gris als eerste een collage, n.l. tijdens de Section d'Or in oktober 1912. In het schilderij De Wastafel (links) uit 1912 gebruikte hij een stuk spiegel. In andere schilderijen gebruikte hij boekbladzijden, notenbalken, gravures, behang e.d. In het nevenstaande schilderij Viool en gravure (rechts) gebruikte Gris reproducties van oude schilderijen, o.a. de Mona Lisa van Da Vinci. Toen de potentiële koper, de Amerikaan Michael Brenner, bezwaar had tegen een reproductie schreef Gris aan de kunsthandelaar Kahnweiler op 17 september 1913, dat de reproductie vervangen mocht worden door elk gewenste andere.
In het schilderij De klok gebruikte Gris zowel imitatie behang als papier. Hij gebruikte de kop Le Pont Mirabeau en de titel en een deel van de tekst van L'Enfer, beide een gedicht van Apollinaire. Ze waren afgedrukt in Les Soirées de Paris van resp. februari 1912 en mei 1912. Het kan gezien worden als een hommage aan Apollinaire.
Van 1912 tot het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914 werd het gebruik van andere materialen steeds gewoner. Picasso gebruikte bv. een touw en een stoelzitting in het nevenstaande schilderij Stilleven met rieten zitting gemaakt in de lente van 1912. Ondanks dat de collages uitsluitend te zien waren in de ateliers van de kunstenaars en bij hun gemeenschappelijker dealer Daniel-Henry Kahnweiler werd de nieuwe vorm op grote schaal overgenomen.
Ook de andere kubisten gingen collages maken. Roger de la Freanaye gebruikte in 1913 in een schilderij gekleurd papier. Diego Rivera gebruikte stukken behangpapier in pseudo-renaissance stijl in de schilderijen Anijsfles en strijkinstrument (1913) en in Stilleven met Karaf (1914). De Rus Paul Kotlareski -ook geschreven Kotlarewsky- (1883-1950) maakte in 1913/1914 een stilleven met een schaal appels, een trompe-l'oeil geschilderde Russische krant, opgeplakt behang en papieren kant. In 1925 maakte Kotlareski Stilleven met een lamp waarop een stuk krant geplakt was. De Rus Kasimir Malevich nam in zijn schilderij Gedeeltelijke duisternis. Compositie met Mona Lisa gemaakt in 1914 een gescheurd fragment van een reproductie van Da Vinci's Mona Lisa op. Bovendien bevat het schilderij repen decoratiepapier en een fragment van een krantenadvertentie. Iwan Puni, die in 1910 en 1913-1914 met zijn vrouw in Parijs verbleef, gebruikte in zijn schilderij De kaartspeler uit 1914 stukjes karton en hout. In andere werken maakte hij gebruik van krantenpapier en behang.
![]() |
De beeldhouwer Alexander Archipenko begon in 1913 met collages. In 1913 maakte hij nevenstaande collage Vrouw in leunstoel uit gekleurd papier op een donkere achtergrond. Rond 1920 maakte Archipenko drie-dimensionale stillevens van hout en papier-mâché. |
![]() |
De Rus Serge Férat maakte in 1914 Stilleven met klaveraas met een stukje bladzijde uit een catalogus en een muziekblad. Ook in het nevenstaande Stilleven met Lacerba uit 1914 waren stukken notenpapier en krant aanwezig. Lacerba, was het Italiaanse futuristische tijdschrift, waarvan Férats vriend Ardengo Soffici mederedacteur was. In het Lacerba nummer van 15 juli 1914 stond een afbeelding van het werk. Het werk werd op 22 oktober 2007 verkocht voor 396.000 euro tijdens een veiling door het veilinghuis Artcurial in Hôtel Dassault te Parijs.
|
|
De Tsjech Otto Gutfreund maakte in 1914 de nevenstaande collage Stilleven waarbij hij een fles, glas en lepel tekende op Franse krantenknipsels. |
![]() |
De vooral om zijn kubistische beelden bekende Henri Laurens maakte in de periode 1915-1917 diverse collages, bv. het nevenstaande werk Joséphine Baker uit 1915, Femme à la mantille uit 1916, Bouteille et journal uit 1916 en Portrait de Josette Gris uit 1917. |
![]() |
Louis Marcoussis maakte in het nevenstaande schilderij Stilleven met schaakbord uit 1912 gebruik van de trompe-l'oeil methode. In het schilderij Stilleven met Scaferlati tabak uit 1914 gebruikte Marcoussis een etiket van een whiskeyfles en een bladzijde uit de catalogus van de Libraire Hachette. In het schilderij Nature morte à l'Ephemeride (=stilleven met kalenderblad) uit 1914 plakte Marcoussis een schildje van een boekenrug en schilderde hij met schablonen een tabakszak en een kalenderblad van 24 januari 1914. |
|
In 1915 gebruikte Otto van Rees in het werk Adya, zijn vrouw voorstellend, kranten, cijfers en gekleurd papier. In 1918 maakte Marcel Duchamp zijn laatste schilderij Tu'm voor Katherine Dreier waarin echte veiligheidsspelden een trompe-l'oeuil geschilderde scheur dichthielden en een echte flessenreiniger uit het schilderij stak. |
![]() |
De Hongaar Alfred Reth, die sinds 1905 in Parijs werkte en omging met de kubisten, maakte in 1916 de nevenstaande collage Le Petit (rechts), waarin hij stroken krantenpapier van de krant Le Petit Parisien plakte. |
![]() |
Albert Gleizes maakte o.a. in 1913 Portret van de uitgever Figuiere waar hij de titelpagina's van de uitgegeven boeken en tijdschriften in weer gaf. Hetzelfde deed Gino Severini bij de portretten van Paul Fort en Marinetti. In het nevenstaande Stilleven met bokaal en vruchtenschaal uit 1912 plakte Severini o.a. een stuk golfkarton. |
![]() |
De Italiaan Antonio Marasco (1896-1975) eerde in zijn nevenstaande collage Stilleven met karaf uit 1917 de schilders Georges Braque en Umberto Boccioni door hun namen in het werk te vermelden. Marasco, die studeerde aan de kunstacademie van Florence had eind 1913 of begin januari 1914 de door Ardengo Soffici georganiseerde futuristische tentoonstelling Pittura Futurista di Lacerba gezien. Samen met Marinetti ging hij in januari 1914 naar Rusland en zag daar de kunstverzameling van Iwan Morosov. Op allerlei manieren promootte Marasco het futurisme. |
Collages en assemblages waren na het kubisme veelvuldig aanwezig in het dadaisme en het surrealisme.