Na het organiseren van de tentoonstelling van Russische kunst onder de naam Russian seasons op de Salon d'Automne van 1906 werd Serge Pavlovitch Diaghilev min of meer de onofficiële ambassadeur van de Russische cultuur.
Zijn interesse in muziek bracht Serge Pavlovitch Diaghilev tot het organiseren van de Russische muziek in de Parijse Opera van 1907 onder de naam van 'Russische muziek door de eeuwen heen'. Het succes zorgde ervoor dat in 1908 een complete opera, n.l. Boris Godunov van Mussorgsky, acht keer werd uitgevoerd. Diaghilevs vriend Benois had in 1907 met Fokine de balletvoorstelling Le Pavillon d'Armide ontworpen voor het Maryinsky balletgezelschap. Fokone, Nijinski en Pavlova waren daarvan de sterren. Ook Bakst had in 1903 meegewerkt aan het ballet La Fée des Poupées in het Hermitage theater en aan een serie Griekse producties. In 1909 probeerde Diaghilev met zijn vrienden een opera met ballet in Parijs op te laten voeren, maar de dood van Groothertog Vladimir die hoofdzakelijk voor de financiën zou zorgen verhinderde dit. Na aanpassing van het programma en de financiële hulp van anderen kon Diaghilev met een groep Russische balletdansers naar Parijs vertrekken. Vijfentwintig vrouwen en 17 mannen waren afkomstig van het balletgezelschap van het Maryinsky theater, dat op 1 mei het winterseizoen had afgesloten, uit Sint Petersburg. Uit Moskou waren 5 vrouwen en 8 mannen afkomstig.
In enkele dagen werd het Théâtre du Châtelet totaal gerenoveerd. De eerste voorstelling vond plaats op 19 mei 1909. Dankzij Gabriel Astruc (1864-1938) was heel cultureel Parijs voor de opening uitgenodigd. Opgevoerd werden Prins Igor, Les Sylphides, Cléopâtra, Le Festin, Le Pavillon d'Armide, Ivan de Verschrikkelijke, Russlan en Ludmilla. De voorstellingen waren een groot succes.
De producties werden spoedig bekend onder de naam Ballets Russes. Diaghilev zorgde ervoor dat het ballet een zelfstandige kunstvorm werd, die ondersteund werd door andere kunstvormen. Het decor en de kleding kregen een eigen status.
In 1910 bracht Diaghilev Shéhérazade op muziek van Rimski-Korsakow op de planken. Ook opgevoerd werden l'Oiseau de Feu, Carnaval, Giselle en Les Orientales. In 1912 zou de Ballets Russes een voorstelling in Rusland geven, maar bij de grens bleek het theater waar de voorstellingen zouden worden gegeven afgebrand. Het gezelschap besloot om niet verder te reizen en terug te keren naar Parijs. In 1913 ging het Ballets Russes gebruik maken van het nieuwe Théâtre des Champs-Elysées van Astruc, dat gelegen was op Avenue Montaigne 15. Het theater was ontworpen door de gebroeders Perret en was voorzien van bas-reliefs van Antoine Bourdelle en muurschilderingen van Denis en Vuillard. Het eerste ballet was Le Sacre du Printemps op muziek van Igor Stravinsky, dat voor veel opschudding zorgde. Zelfs de politie moest ingrijpen. Tot 1914 trad het Ballets Russes elk jaar in Parijs op, waarbij Russische componisten en schilders de muziek, het decor en de kostuums ontwierpen. Op 29 december 1915 organiseerde Diaghilev een schitterende galavoorstelling van Strawinsky's Vuurvogel voor het Britse Rode Kruis. Vanaf 1917 liet hij de aankleding en het decor voor zijn balletten over aan de modernste kunstenaars: Pablo Picasso, Georges Braque, André Derain, Juan Gris, Henri Matisse e.a.
Zie voor Le Sacre du Printemps bv. http://www.digischool.nl/ckv1/dans/stravinsky.htm.
Jean Cocteau, die bij de marine was ontslagen, introduceerde Picasso bij Diaghilev. Picasso reisde samen met Cocteau op 17 februari 1917 naar Rome om de decoratie en de kostuums voor het ballet La Parade van Cocteau (tekst) en Erik Satie (muziek) te ontwerpen. In Rome ontmoette Picasso ook enkele futuristen, o.a. Giacoma Balla, Fortunato Depero, Enrico Prampolini en Filippo Marinetti. Op 9 april 1917 begon de voorstellingsreeks met vier balletten, n.l. Les Sylphides, L'oiseau de feu, Las Meninas en Soleil de nuit. De opbrengst van de première ging naar het Rode Kruis. Op 30 april keerde het gezelschap na een voorstelling in Florence terug naar Parijs. Serge Diaghilev produceerde dit ballet, dat in Frankrijk op 18 mei 1917 in première ging in het Théâtre du Châtelet. Vooral de Amerikaanse manager (zie afbeelding hiernaast), een meer dan drie meter hoge kubistische constructie met wolkenkrabbers, metaalachtige buizen, cowboylaarzen en een hoge hoed druiste in tegen elke opvatting van hoe balletdansers eruit hoorden te zien. Dankzij het lovende verslag van Guillaume Apollinaire stond het gezelschap daarna in de schijnwerpers. Het gezelschap trad ook op in Barcelona met Les Sylphides en Les Menines.
In 1918 was Diaghilev in Madrid waar hij Robert en Sonia Delaunay ontmoette. Hij vroeg aan Sonia nieuwe kostuums te ontwerpen en Robert de decors voor een hernieuwde uitvoering van Cléopâtra. De eerste uitvoering was in 1909 geweest naar de novelle van Théophile Gautier. Léon Bakst had de oorspronkelijke kostuums en decors ontworpen, maar die waren verbrand tijdens de tournee door Zuid-Amerika. Het stuk werd met veel succes in Londen opgevoerd.
In 1919 werkte Picasso aan Le Tricorne, waarvan de première was op 22 juli 1919 in het Alhambra te Barcelona en eind 1919 in de Parijse Opéra, en in 1920 aan Pulcinella. Voor het laatst genoemde ballet, dat op 15 mei de première beleefde, was het nevenstaande ontwerp van Picasso bestemd. Derain werkte in 1919 mee met La Boutique fantasque. Voor het decor van Le tram bleu, dat op 16 juni 1924 in première ging, gebruikte Diaghilev de Twee reuzinnen die langs de zee rennen. De muziek was van Darius Milhaud. Braque ontwierp in 1924 de decors en de kostuums van Les Fâcheux en in 1926 voor Zephyr et Flore. Opvallend bij Les Fâcheux was dat de achterkant van de kostuums zo gemaakt waren, dat bij het wegdraaien van het publiek de danser door zijn kostuum min of meer wegviel in de achtergrond. Braque maakte gebruik van camouflage technieken. Juan Gris werkte aan La Tentation de la Bergère, La Fête merveilleuse(1923) en La Colombe.
In 1924 kreeg de balletgroep van Diaghilev concurrentie van de door Comte Etienne de Beaumont opgerichte gezelschap Soirées de Paris. Voor het stuk Mercure schreef Satie de muziek, deed de door Diaghilev ontslagen Massine de choreografie en Picasso het decor. Op 14 juni 1924 was de première.
Ondanks dat de balletgroep na de dood van Diaghilev in 1929 werd opgeheven was zijn invloed zeer groot. Dankzij het baanbrekend werk van Diaghilev durfde o.a. de Parijse opera samen te werken met vele kunstschilders, o.a. Léger en Derain.
| jaar | titel | muziek | decor/kostuums |
1909 | Le Pavillon d'Armide | Tcherepnin | Benois |
1909 | Les Sylphides (In Rusland: Chopiniana) | Chopin | Benois |
1909 | Cléopâtra (In Rusland: Nuits d'Egypte) | Arensky e.a. | Bakst |
1909 | Iwan de Verschrikkelijke | Rimsky-Korsakov | Golovin en Roerich |
1909 | Russlan et Ludmilla | Glinka | Korowin |
1909 | Prins Igor | Benois, Roerich en Korowin | |
1909 | Le Festin | Tchaikovsky e.a. | Benois, Roerich en Korowin |
1910 | Shéhérazade | Rimsky-Korsakow | Bakst en Serov |
1910 | l'Oiseau de Feu | Strawinsky | Golowin en Bakst |
1910 | Carnaval | Schumann | Bakst |
1910 | Giselle | A. Adam | Benois |
1911 | Le Spectre de la Rose | Weber | Bakst |
1911 | Petroesjka | Strawinsky | Benois |
1911 | Le Dieu Bleu | Reynaldo Hahn | Bakst |
1911 | Narcisse | Tcherepnin | Bakst |
1911 | Lac des Cygnes | Tchaikovsky | Korowin en Golowin |
1912 | l'Après-midi d'un Faune | Debussy | Bakst |
1912 | Daphis and Chloe | Ravel | Bakst |
1912 | Thamar | Balakirev | Bakst |
1913 | Le Sacre du Printemps | Strawinsky | Roerich |
1913 | Jeux | Debussy | Bakst |
1913 | La Tragédie de Salomé | Florent Schmitt | Soudeikine |
1913 | Le Rossignol | Stravinsky | Benois |
1914 | Le Coq d'Or | Rimski-Korsakow | |
1914 | La Légende de Joseph | Strauss | Sert en Bakst |
1914 | Papillons | Schumann | Doboujinsky en Bakst |
1914 | Midas | Steinberg | Doboujinsky |
1915 | Soleil de Nuit | Rimski-Korsakow | Larionov |
1915 | Sadko | Gontscharova | |
1916 | Triana | Ravel | Gontscharova |
1916 | Espana | Albeniz | Gontscharova |
1916 | Histoires Naturelles | Ravel | Larionov |
1916 | Las Meninas | Fauré | Sert |
1916 | Tyl Eulenspiegel | Strauss | Robert Edmund Jones |
1917 | Contes Russes | A. Liadov | Larionov |
1917 | Les Femmes de Bonne Humeur | Scarlatti | Bakst |
1917 | Parade | Satie | Picasso |
1917 | Feu d'Artifice | Stravinsky | Balla |
1918 | Cléopâtra | Rimsky-Korsakoff, Moussorgsky en Glazounov | Sonia Delaunay |
1918 | Les Jardins d 'Aranjuez | Fauré, Ravel-Chabrier | Sert |
1919 | La Boutique Fantastique | Rossini en Respighi | Derain |
1919 | El Sombrero de Tres Picos Le Chapeau Tricorne | Manuel de Falla | Picasso |
1919 | L'Oisseau et le Prince | Bakst | |
1919 | Chout | Prokofiev | Larionov |
1920 | Pulcinella | Strawinsky | Picasso |
1920 | Le Chant du Rossignol | Strawinsky | Matisse |
1920 | Le Astuzzie Feminili | Cimarosa | Sert |
1921 | Cuadro flamenco | Picasso | |
1921 | The Sleeping Princess | Tchaikovsky | Bakst |
1922 | Antigone | Paul Honegger | Picasso en Coco Chanel |
1922 | Le Mariage d'Aurore | Bakst, Benois en Gontcharova | |
1922 | Le Renard | Stravinsky | Larionov |
1922 | Mavra | Stravinsky | Survage |
1923 | Les Noces | Strawinsky | Gontscharova |
1924 | Les Fâcheux | Auric | Braque |
1924 | Les Biches | Poulenc | |
1924 | Mercure | Satie | Picasso |
1924 | Les Tentations de la Bergère | Monteclair | Gris |
1924 | Le Train Bleu | Milhaud | Laurens, Picasso en Chanel |
1924 | Le Médecin Malgré Lui | Gounod | Benois |
1924 | Philémon et Baucis | Gounod | Benois |
1925 | La Pastorale | Auric | Pruna |
1925 | Zéphire et Flore | Dukelsky | Braque |
1925 | Barabau | Rieti | Utrillo |
1925 | Apollon Musagète | Strawinsky | Bauchant en Chanel |
1925 | Les Matelots | Auric | Predo Pruna |
1926 | Jack in the Box | Satie | Derain |
1926 | Roméo et Juliette | Lambert | Ernst en Miró |
1926 | The Triumph of Neptune | Berners | B. Pollock |
1926 | Nuit sur le Mont Chauve | Moussorgsky | Gontscharova |
1926 | La Colombe | Gounod | Gris |
1926 | L'Education Manquée | Chabrier | Gris |
1927 | Le Pas d'Acier | Prokofiev (ook geschreven: Prokofjew) | Ialouloff |
1927 | La Chatte | Sauguet | |
1928 | Ode | Nabokoff | Tchelitcheff en Charbonner |
1928 | Apollon Musagètes | Strawinsky | Bauchant |
1928 | Les Dieux Mendiants | Handel | Gris |
1929 | Le Bal | Rieti | de Chirico |
1929 | Le Fils Prodique | Prokofiev (ook geschreven: Prokofjew) | Rouault |
1929 | Le Renard | Strawinsky | Pevsner, Gabo, Jacoulov en Larionov |