Marcel Duchamp (1887-1968), die op elfjarige leeftijd van zijn broer Jacques Villon leerde schaken, ging in 1916, toen hij in New York verbleef, veel om met Walter Arensberg. Vaak schaakte Duchamp tegen Arensberg en Ernest Southard, een oud klasgenoot van Arensberg op Havard, die beiden in het schaakteam van Havard hadden gespeeld en Alfred Kreymbourg, die speelde in een schaakcompetitie. Ook was Duchamp in 1916 lid geworden van de Marshall Chess Club.
Tijdens zijn verblijf in Buenos Aires (19-9-1918 tot 22-6-1919) dacht hij erover om het schilderen op te geven en zich uitsluitend met schaken bezig te gaan houden. In een brief van 8 februari 1921 aan Picabia schreef Duchamp dat het zijn ambitie was om een professionele schaker te worden. Duchamp bestudeerde in Buenos Aires o.a. het schaken van de Cubaanse wereldkampioen José Raúl Capablanca. Pas in de lente van 1919 werd Duchamp lid van een plaatselijke schaakclub.
In februari 1923 kwam Duchamp met de SS Noordam vanuit New York naar Rotterdam. Hij verbleef daarna vier maanden in Brussel en schaakte daar elke dag. Hij werd lid van een schaakclub en haalde genoeg punten om mee te doen aan het eind oktober 1923 gehouden Tournoi National Belge, het nationaal kampioenschap van België, te Brussel. Duchamp werd derde. Ondertussen was Duchamp verhuisd naar Rue de Froideveaux 37 te Parijs (Montparnasse). Daar hield hij zich uitsluitend bezig met schaken. In januari 1924 werd Duchamp lid van de schaakclub Cercle Rouennais des Echecs. Duchamp werd tevens op het laatste moment uitgenodigd om met het Franse nationale schaakteam deel te nemen aan de eerste Schaakolympiade te Parijs. Aan de wedstrijd, die op 12 juli 1924 begon, deden 54 schakers uit 18 landen mee. Op 14 juli was de laatste wedstrijd van de voorronden. Duchamp eindigde in zijn groep als derde en plaatste zich daarmee niet voor de hoofdgroep. In de ondergroep werd Duchamp uiteindelijk 22ste van de 44 spelers.

Op 31 augustus 1924 nam Duchamp deel aan het Franse schaakkampioenschap dat gehouden werd in Strasbourg en waaraan 13 schakers deelnamen. Hij eindigde als elfde met vier punten. Duchamp deed van 21 t/m 23 september 1924 mee aan het kampioenschap van Haute-Normandië. Duchamp werd kampioen met vijf gewonnen en één remise partij. Op 2 september 1925 begon Duchamp als deelnemer aan het Franse schaakkampioenschap dat gehouden werd in Nice. Aan dit evenement, waarvoor Duchamp de poster had gemaakt, namen tien schakers deel. Duchamp werd zesde met vier punten. Wegens zijn 50% score behaalde Duchamp op 10 september 1925 de titel schaakmeester. Officieel: Maître de la Fédération Française des Échecs. Eind november en begin december nam Duchamp deel aan het kampioenschap van Parijs. Van de negen wedstrijden won Duchamp er drie en speelde hij er drie gelijk.
Op 13 augustus 1927 nam Duchamp met vier andere schakers deel aan een schaakwedstrijd in Nice als voorbereiding op het Franse kampioenschap, dat vanaf 4 september in Chamonix zou worden gehouden. Duchamp werd zevende. Van de acht wedstrijden won Duchamp er twee en speelde hij twee gelijk. Op 15 oktober 1927 speelde Duchamp als een van de veertien spelers mee met het Tournoi Championnat de Paris. Hier werd hij vierde en kreeg de Brilliancy Prize voor zijn partij tegen de toernooiwinnaar A. Baratz. Van 23 juli t/m 5 augustus 1928 nam Duchamp met het Franse team deel aan de tweede Schaakolympiade, die gehouden werd in Den Haag. Van de vijftien wedstrijden won Marcel er één en speelde hij er tien gelijk. Duchamp nam in 1928 ook deel aan het kampioenschap van Frankrijk in Marseille (18-9 t/m 27-9). Duchamp werd van de negen deelnemers zevende met twee gewonnen wedstrijden en twee remises. Van 15 juni t/m 30 juni 1929 schaakte Duchamp als één van de twaalf deelnemers in Parijs op het Tournoi International de Paris. Ondanks dat Duchamp laatste werd, speelde hij gelijk tegen de winnaar en schaakgrootmeester S. Tartakover en de vrouwelijke wereldkampioen Menchik.
Van 12 t/m 23 februari 1930 speelde Duchamp in Nice tegen 11 andere schakers om de Coupe Philidor tijdens een International Tournament. Duchamp werd negende. In juli 1930 schaakte Duchamp met het Franse team in Hamburg. Frankrijk werd twaalfde van de achttien deelnemende landen. Vanaf 11 maart 1931 nam Duchamp deel aan het tweede International Chess Tournement in Nice. In juli 1931 speelde Duchamp met het Franse team in Praag. Tijdens de vergadering van de F.I.D.E. op 22 juli 1931 was Duchamp aanwezig als afgevaardigde van Frankrijk. Op 26 juli 1931 eindigde de wedstrijd en werd Frankrijk veertiende van de negentien deelnemende landen. Van de negen door Duchamp gespeelde wedstrijden had Duchamp er één gewonnen en drie gelijk gespeeld. In 1932 (2-9 t/m 11-9) nam Duchamp deel aan het Franse kampioenschap dat gehouden werd in La Baule. Duchamp eindigde met drie andere spelers als vierde van de veertien deelnemers. Van 12 juni t/m 23 juni 1933 maakte Duchamp deel uit van het Franse team dat meedeed aan de International Team Tournement voor de Hamilton-Russel Cup, die gehouden werd in Folkestone, Engeland. Van de dertien wedstrijden die Duchamp speelde won hij er twee en speelde hij er twee gelijk. De Verenigde Staten werd eerste en Frankrijk achtste.
Marcel Duchamp vertaalde ook een schaakboek van slecht Frans in goed Frans, n.l. van de schaakgrootmeester Eugène Znosko-Borovsky in 1933. Samen met Vitaly Halberstadt schreef Duchamp in 1932 het eindspelboek L'Opposition et les cases conjuguées sont réconciliées of Opposition and Sister Squares Are Reconciled. Bij dit boek waren op de bladzijden drie kolommen met daarin de tekst in Frans, Duits en Engels. Bovendien ging Duchamp zich in 1935 toeleggen op correspondentieschaak. Hij won na vier jaar de First International Chess by Correspondence Olympiade en een andere soortgelijke wedstrijd. Hij behaalde bij beide wedstrijden 9 punten uit 11 wedstrijden.
Op 15 juni 1935 speelde Duchamp tegen de al jaren voor Frankrijk uitkomende Russische wereldkampioen Alekhine een schaakwedstrijd, die georganiseerd was om geld bijeen te krijgen voor het Franse team. Alekhine schaakte tegen 36 tegenstanders en won er 27, waaronder die tegen Duchamp.
Vanaf 5 maart 1937 had Duchamp een veertiendaagse schaakcolumn in Ce Soir, waarin hij zowel schaakproblemen als wedstrijden beschreef. Ce Soir was op 3 maart 1937 voor het eerst als avondkrant verschenen. Op 9 november 1937 had Duchamp zijn laatste bijdrage. Hierin stond o.a. dat Dr. Alekhine de leiding had in de returnwedstrijd om de wereldtitel tegen de Nederlander Max Euwe.
In 1947 nam Duchamp als één van de veertig deelnemers deel aan het New York State Championship Tournement dat gehouden werd in Endicott, in augustus 1949 te Rochester, in augustus 1950 te Binghamton, in 1951 (25-8 t/m 2-9) te Syracuse, in 1952 en 1953 te Cazenovia en in 1957 (24-8 t/m 2-9) in Binghamton. Tijdens deze laatste wedstrijd won Duchamp 3 van de 9 partijen en speelde hij er 3 gelijk. Nadat Duchamp getrouwd was met Teeny Sattler speelden zij, als zij in New York waren, minstens één keer per week bij de London Terrace Chess Club, die gevestigd was in de West 23rd Street. In 1960 werd Duchamp voorzitter van de American Chess Foundation's Arts Committee for American Chess. Samen met zijn vrouw verzamelde hij 183 kunstwerken om de Amerikaanse schaakbond beter in staat te stellen mee te doen aan internationale schaakontmoetingen. Op 18 mei 1961 werd de veiling gehouden bij de Parke-Bernet Galleries, Madison Avenue 980 te New York. De veiling bracht $ 37.000 op. Een Boîte-en-Valise bracht $ 1.100 op. Het Artists' Fund werd later Marcel Duchamp Fund genoemd.
Op 8 oktober 1963 was de opening van de eerste grote tentoonstelling van werken in het Pasadena Art Museum onder de naam By or of Marcel Duchamp or Rrose Sélavy. Op deze tentoonstelling was een zaal met werken en zaken die met het schaken te maken hadden. Tijdens een schaakpartij tussen Duchamp en Walter Hopps bij de opening van de tentoonstelling vroeg de fotograaf Julian Walter aan Eve Babitz om later die week, n.l. op 13 oktober, naakt te schaken tegen Duchamp. Zij aanvaardde het verzoek.
Op 7 februari 1966 was de opening van Hommage à Caïssa bij Cordier & Ekstrom, Madison Avenue 978, te New York waar meer dan veertig kunstenaars een expositie hadden voor het Marcel Duchamp Fund. Op de openingsdag speelde Duchamp een schaakwedstrijd tegen Salvador Dali en werd een luchtsculpture van David Hare, bestaande uit luchtballonnen en schaakstukken, opgelaten. Op de tentoonstelling waren o.a. schaakstukken ontworpen door Max Ernst, Man Ray en Dali te zien.
In 1967 vergezelden Teeny en Marcel Duchamp op verzoek van de voorzitter van de Manhattan Chess Club het vierentwintig jarige schaakfenomeen Bobby Fischer naar een schaaktoernooi in Monte Carlo. Duchamp, die Fischer al twaalf jaar kende, moest ervoor zorgen dat Fischer op tijd uit bed kwam. Fischer won het toernooi.
Tijdens zijn verblijf in Buenos Aires ontwierp Duchamp een zakschaakspel om overal te kunnen schaken. In 1943 kreeg dat een vervolg met het leren etui Pingrip Pocket Chess met de afmetingen 16 bij 10,5 cm. De schaaksymbolen waren op celluloid gedrukt. Met behulp van kopspelden werden de schaakstukken op de plaats gehouden ook als het spel op zijn kop werd gehouden.