Marcel Duchamp maakte in de loop der jaren een aantal opvallende 'kunstvoorwerpen':
De Boîte Verte is een vervolg op de door Marcel Duchamp in 1914 gemaakte La Boîte de 1914, waarin hij foto's van ongeveer 16 met de hand geschreven teksten over het grote glasraam en een tekening had verzameld. De foto's zijn geplakt op karton. Hij maakte slechts 5 exemplaren, vier voor vrienden en één voor zichzelf. Er zijn nog vier exemplaren bekend.
Duchamp was in de herfst van 1934 klaar met de Boîte Verte, waarin Duchamp aantekeningen, die hij maakte tussen 1915 en 1923, over het grote glasraam verzamelde en 17 reproducties van de diverse onderdelen. Slechts één reproductie was in kleur, n.l. 9 Malic Moulds. Voor de reproductie in kleur gebruikte Duchamp de 'pochoir printing' techniek. Met behulp van aparte platen werden de kleuren afzonderlijk aangebracht. De aantekeningen waren niet genummerd, noch in een bepaalde volgorde geplaatst. Als producent werd genoemd: Editions Rrose Sélavy, 18 Rue de la Paix. Voor de financiering moest Duchamp twee beelden van Constantin Brancusi aan Henri-Pierre Roché verkopen.
De Boîte Verte was vast en zeker de inspiratiebron voor Jean Tinguele, Robert Rauschenberg en Jasper Johns die in 1955 in het lentenummer van het tweejarig tijdschrift Blandaren (=mixer) aandacht vroegen voor hun in 1954 in Stockholm uitgegeven houtboard doos, waarin aanwezig waren: 40 gedrukte exemplaren van verschillende afmetingen, 4 filmpjes en wat snoepgoed, n.l. een tandenborstel gemaakt van zoethout en suiker.
In de herfst van 1920 begon Duchamp aan een visuele project. Hij ontwierp een machine die met een elektrische motor een aantal schijven snel ronddraaide. Op een afstand van een meter werd het door het draaien schijnbaar een schijf. Hij noemde het Monocle. Het bestond uit vijf rechthoeken van glas met verschillende lengte. Aan het eind waren zwarte cirkelbogen op een witte ondergrond geschilderd.
Op 5 maart 1948 was de opening van de tentoonstelling Painting and Sculpture by the Directors of the Société Anonyme, die gehouden werd om de zeventigste verjaardag van Katherine Dreier te vieren. George Heard Hamilton organiseerde de tentoonstelling in de Yale university Art Gallery. Van Duchamp waren tien werken te zien. Naast de Rotative Plaques Verre was ook de in 1910 geschilderde La Partie d'Echecs, die in het bezit van Walter Pach was, te zien.
Op 27 februari 1924 had Duchamp een afspraak met de kunstverzamelaar Jacques Doucet in de studio van Man Ray om een nieuwe optische machine, voorlopig genaamd hemisphere, door Doucet te laten financieren. De standaard was afkomstig uit Ruppaley, een zaak in elektrische medische benodigheden. Op 29 september 1924 kon Doucet het resultaat zien. Doucet had zelf voor het zwarte fluweel van de achtergrong gezorgd. Op deze achtergrond was een halve houten bol aanwezig met zwarte en witte lijnen. De schijf werd door een elektrische motor rondgedraaid. De aandrijving en de totale vorm werd door Duchamp nog verbeterd en op 8 november 1924 zag Doucet de nieuwste versie, waarbij de schijf van koper was gemaakt. De Rotative Demi-sphère was o.a. te zien op de op 18 februari 1955 geopende tentoonstelling Pérennité de l'Art Gaulois in het Musée Pédagogique op de Rue d'Ulm 29 te Parijs. André Breton en Charles Estienne hadden het moderne gedeelte samengesteld.
Direct na de Boîte Verte begon Duchamp aan de Rotorelief - disques optiques. In 1935 ontwierp Duchamp 'virtual sculptures', de rotoreliefs. Dit waren visuele platen die 'gespeeld' werden op een standaard grammofoon met een snelheid van 35 tot 40 draaiingen per minuut. In setjes van zes werden ze verkocht voor 15 francs. Op 9 mei 1935 liet Duchamp het handelsmerk Rotorelief registreren bij de Greffe du Tribunal de Commerce de la Seine (nr. 301095).
Het was een vervolg op platen voorzien van letters met teksten z.g. van Rrose Sélavy, die Duchamp gemaakt had voor een korte film genaamd Anemic Cinema van zeven minuten. Met hulp van de filmer Marc Allégret was de film gemaakt in de studio van Man Ray.
Voor de verkoop van zijn rotoreliefs huurde Duchamp 3 m2 tentoonstelingsruimte af op het 33ste Concours Lépine, de Salon des Inventions, die gehouden werd vanaf 30 augustus 1935 in het Parc des Expositions, Porte de Versailles. In een joint venture met zijn vriend Henri-Pierre Roché waren 500 sets van 6 dubbelzijdig gekleurde schijven gemaakt die op een grammofoon geplaatst konden worden. Als de schijven met een bepaalde snelheid werden rondgedraaid kreeg men een diepte werking te zien. De schijven hadden de namen: Oeuf à la Coque, Lanterne chinoise, Lampe, Poisson japonais, Escargot (de blauwe bovenstaande schijf links), Verre de bohème, Cerceaux (de blauwe bovenstaande schijf rechts), Montgolfière en Eclipse totale. Na drie dagen had hij er twee aan vrienden verkocht en één aan een onbekende. De stand werd de rest van de maand door een ingehuurde 'secretaris' bemand.
Op de tentoonstelling Cubism and Abstract Art, die gehouden werd van 2 maart t/m 19 april 1936 in het Museum of Modern Art te New York, waren op aandringen van Katherine Dreier een set Rotoreliefs van Marcel Duchamp te zien.
In het nummer van januari 1954 van het tijdschrift Phases schreef Roché een artikel met de titel DISKOPTIKDEMARCELDUCHAMP. Ook in de tekst liet Roché de spaties voor een belangrijk deel weg. De tekst was:
Marcelduchampsaytomelik ehowaboutit we'llmakeadealbothofus you'llputupthemoneyandi'll furnishtheopticaldisctherotoreliefs likeIcallthemwe'llexhibitthematthe inventors'fairandwe'llsplitthetakeif thereisanyokitellhimwe'llmake adirectpitchtothepeopleandwe'llsee...
Op 17 februari 1966 werd de aankoop van een Rotoreliëf, edition MAT 1965, door de Commissie van Advies van het Van Abbemuseum te Eindhoven goedgekeurd.
In het Stedelijk Museum van Amsterdam werd van 10 maart t/m 17 april 1961 de tentoonstelling Bewogen Beweging gehouden. Van Duchamp waren hier te zien: reconstructie van het Fietswiel, duplicaat van de Rotary glass - plaques, schijven met woordspelingen, draaiende halve bol, 12 rotoreliefs en 2 boîte-en-valises.
In 1965 werd in het Haags Gemeentemuseum van 3 februari t/m 15 maart en in het van Abbemuseum te Eindhoven van 20 maart t/m 2 mei de tentoonstelling Kinetische Kunst uit Krefeld gehouden. Hier waren 12 rotoreliefs van Duchamp aanwezig.
Op 12 november 1958 werd door de Trianon Press in Parijs de publicatie Sur Marcel Duchamp van Robert Lebel aangekondigd. Er waren 21 z.g. grand luxe, waarvan er slechts 10 voor de verkoop waren, en 110 demi-luxe uitvoeringen. Duchamp maakte een speciale doos met op de grande luxe exemplaren een geëmailleeerd bord met de tekst EAU & GAZ À TOUS LES ÉTAGES (=gas en licht op alle verdiepingen). De demi-luxe uitvoering had een reproductie in kleur. Op de binnenkant van de deksel was een zelfportret van Duchamp aanwezig. In de doos waren ook de tekst en de afbeeldingen van de publicatie van Lebel aanwezig. Bovendien bevatte de doos het door Henri Pierre Roché geschreven artikel Souvenirs of Marcel Duchamp. Duchamp koos zelf de afbeelding op het titelblad, n.l. het aan Maria Martins verkochte Moulin à café. Moulin à café was oorspronkelijk in 1911 gemaakt door Duchamp voor zijn broer Raymond om samen met door enkele andere kunstenaars gemaakte kunstwerken een strook boven de keukenkastjes in Raymonds woning in Puteaux te vullen. De doos was ongeveer 53 bij 27 bij 8 cm. Bij de presentatie in Galerie La Hune te Parijs in de lente van 1959 was Duchamp niet aanwezig, daar hij met zijn vrouw al in Cadaqués verbleef.
Op 14 februari 1967 werd bij de opening van een tentoonstelling bij de Cordier & Ekstrom Gallery voor het eerst een witte plexiglas doos getoond met de titel A l'Infinitif. In deze doos zaten 79 facsimile aantekeningen van Duchamp uit de periode 1912 tot 1920. De teksten waren met hulp van de schilder Steve Gray in het Engels vertaald. Duchamp had de aantekeningen gegroepeerd onder: Speculations, Dictionaries and Atlases, Colour, Further References to the Glass, Appearance and Apparition, Perspective en The Continuum. De deksel was een zeefdruk op vinyl. In de doos zat ook een zilverkleurige afbeelding op vinyl van Glissière contenant un Moulin à Eau en Méteaux voisins. De oplage was 150 exemplaren.