Nadat Duchamp klaar was met de Boîte Verte, waarin Duchamp een groot aantal aantekeningen over zijn werken had verzameld, startte Duchamp met een nieuw project. Gedurende vijf jaar, tussen 1934 en 1940, was Marcel Duchamp bezig met het draagbare museum. In dit draagbare museum gaf Duchamp een overzicht van zijn belangrijkste werken en van zijn ideeën. In 1914 fotografeerde Duchamp een aantal aantekeningen en een tekening en drukte dat op het originele formaat af. Duchamp maakte denekelijk vier of vijf sets met elk veertien foto's. In 1934 besloot Duchamp zijn aantekeningen uit 1912-1917, waarin zijn gedachtengang over het Grote Glasraam stond, opnieuw uit te brengen. In een speciaal door Duchamp ontworpen doos (Boîte) kwamen negenenzestig werken, waaronder gekleurde reproducties van zijn schilderijen, 4 ready-made voorwerpen en het grote glasraam van celluloid.
In die tijd waren gekleurde reproducties nog een bijzonderheid en moesten zij via een speciaal procédé vervaardigd worden. Duchamp wilde 300 stuks maken. Op een reis naar de V.S. om o.a. het Grand verre te repareren in de zomer van 1936 maakte Duchamp aantekeningen over de gebruikte kleuren van zijn werken die in het bezit waren van de kunstverzamelaar Walter Arensberg. In december 1940 waren de voorbereidingen, d.w.z de reproducties van de werken, de ready-mades en de doos, klaar voor een productie van 320 exemplaren.

In januari 1941 maakte Duchamp de eerste luxe versie onder de naam Boîte-en-valise. Duchamp wilde twintig exemplaren maken, maar uiteindelijk werden het er 24. De laatste signeerde Duchamp in 1949. Tussen 1941 en 1943 maakte Duchamp vier hors-série, die alle genummerd werden met 0/XX. De afmetingen waren 39 bij 35 bij 8 cm en van de koffer 41 bij 38 bij 10,5 cm. De eerste vijf werden gemaakt in Parijs (tot mei 1942) de rest in New York vanaf de zomer 1942. In elk exemplaar gebruikte of maakte Duchamp iets unieks. In de lagere nummers gebruikte Duchamp de z.g. coloriages originaux (= originele inkleuringen). Deze had Duchamp gemaakt om de kleurenkopieën te laten maken via het pochoir colouring-systeem.
De eerste Boîte-en-valise verkocht Duchamp in april 1940 aan Peggy Guggenheim. Zij nam in juli 1940 het exemplaar mee toen zij vanuit Marseille via Lissabon naar New York vertrok. Duchamp gaf haar het materiaal mee om eventueel 50 exemplaren in New York te maken. Henri-Pierre Roché ontving in juni 1940 het derde exemplaar van de Boîte-en-valise. Van 20 oktober 1942 tot 1947 was de verkoop van de Boîte-en-valise in de V.S. door Duchamp overgedragen aan Peggy Guggenheims Art of This Century Gallery te New York.
| volgnummer | gemaakt voor | gedateerd | origineel | huidige eigenaar | |
![]() | 0/XX | Mary Reynolds | mei 1941 | Sonate | Art Institute of Chicago |
![]() | I/XX | Peggy Guggenheim | 1941 | Le roi et la reine entourés de nus vites | Peggy Guggenheim Foundation, Venetië |
![]() | II/XX | Georges Hugnet | mei 1941 | Grand Verre | Scottish National Gallery of Modern Art, Edinburgh |
![]() | III/XX | Henri-Pierre Roché | 1941 | Portret de joueurs d'échecs | Galleria nazionale d'arte moderna, Rome |
| . | IV/XX | Henriette Gomes | mei 1942 | . | . |
![]() | V/XX | Bernard Reis | sept. 1942 | Mariée | José Mugrabi |
![]() | VI/XX | Sidney Janis | sept. 1942 | Nu descendant un escalier no. 2 | Sidney Janis, New York |
![]() | VII/XX | Elisabeth Paepke | dec. 1942 | Grand Verre, onderste deel | Privé collectie, Woodside, Cal. |
| . | VIII/XX | James Johnson Sweeney | oktober 1942 | . | . |
![]() | IX/XX | Museum of Modern Art, New York | jan. 1943 | Grand Verre, bovenste deel | MOMA, New York |
![]() | 0/XX hors série | Katherine Dreier | febr. 1943 | Tu m' | Yale University Art Gallery, New Haven, Conn. |
![]() | 0/XX hors série | Walter en Lou Arensberg | april 1943 | Vierge | Philadelphia Museum of Art |
![]() | 0/XX hors série | Kay Boyle | 1943 | Grand Verre, onderste helft | ? |
![]() | X/XX | Julien Levy | jan. 1944 | La Fourchette du Cavalier | Mono Art Gallery, Tokyo |
| . | XI/XX | Elisabeth Rockwell | 1946 | . | . |
![]() | XII/XX | Maria Martins | 6 april 1946 | Paysage fautif | Tokoro Gallery, Tokyo |
![]() | XIII/XX | Matta en Patricia Matta-Kane | 1946 | . | privé collectie, New York |
![]() | XIV/XX | Teeny Matisse | 1948 | 2 personnages et une auto later vervangen door 33 West 67th, New-York | Privé collectie, Parijs |
![]() | XV/XX | William Nelson Copley | 1948 | Padlock | denkelijk verloren gegaan |
| . | XVI/XX | John Ployardt | 1948 | . | denkelijk verloren gegaan |
![]() | XVII/XX | Yale University Art Gallery | aug. 1948 | Letterhead of the 'Société Anonyme' | Yale University Art Gallery, New Haven, Conn. |
![]() | XVIII/XX | Hélène en Henri Hoppenot | 1949 | Réflection à main | Privé Collectie, Parijs |
![]() | XIX/XX | Marguerite Hagenbach | 1949 | L'Ombre sans cavalier | Kunstmuseum, Bazel |
![]() | XX/XX | Stedelijk Museum, Amsterdam | 1949 | Un des 3 témoins oculistes | Stedelijk Museum, Amsterdam |
Het exemplaar voor het Stedelijk Museum werd aangeboden door Peggy Guggenheim tijdens de opening van de tentoonstelling Surrealisme + Abstractie, waarbij de collectie van Peggy Guggenheim in het museum werd getoond, om Sandberg, de directeur van het Stedelijk, te bedanken voor zijn suggestie om haar collectie die van New York naar Venetië verhuisde eerst in Europa op verschillende plaatsen te tonen.
Op 28 april 1952 werd in het tijdschrift Life met kleurenfoto's van het exemplaar IX/XX aandacht besteed aan de Boîte-en-valise onder de kop One-Man Show in Suitcase.
In 1954 werd in het Philadelphia Museum of Art de Walter en Louise Arensberg collectie opgenomen. Rond het Grand Verre werden een groot aantal van de in het Boîte verte opgenomen werken in werkelijkheid getoond.
De eerste Boîte kreeg Jacques en Gaby Villon en de exemplaren werden in zes verschillende uitvoeringen gemaakt.
| Buitenkant | binnenkant | afmetingen | aantal | bijzonderheden |
![]() | ![]() | 39 x 35 x 8 cm | 60-75 waarvan 10-15 met koffer | De eerste exemplaren werden vanaf 1941 gemaakt in Parijs, daarna vanaf 1942 in New York. In 1952 werden er nog 15-20 exemplaren van dit type in New York gemaakt. In de meeste exemplaren zaten slechts 68 reproducties, daar Glissière ontbrak. |
![]() | ![]() | 40 x 38 x 9 cm | 30 | De eerste exemplaren werden vanaf 1954 gemaakt in Parijs. Iliazd had voor een nieuwe constructie gezorgd. In het voorjaar van 1958 waren de exemplaren uitverkocht. In de boîte zaten slechts 68 reproducties, daar Glissière ontbrak. |
![]() | ![]() | 40 x 38 x 9 cm | 30 | De eerste exemplaren werden vanaf 1961 gemaakt in Parijs door Jackie Monnier. Voor deze exemplaren werd de door Iliazd ontworpen constructie gebruikt. De buitenkant was licht groen. In 1963 waren de exemplaren uitverkocht. In de boîte zaten 68 reproducties. |
![]() | ![]() | 40 x 38 x 9 cm | 30 | De eerste exemplaren werden vanaf 1963 gemaakt in Parijs door Jackie Monnier. Voor deze exemplaren werd de door Iliazd ontworpen constructie gebruikt. De buitenkant was donker groen. In 1966 waren de exemplaren uitverkocht. In de boîte zaten 68 reproducties. |
![]() | ![]() | 41,5 x 38,5 x 9,9 cm | 75 | De eerste exemplaren werden vanaf 1966 gemaakt in Parijs door Jackie Monnier. De constructie werd onder toezicht van Arturo Schwarz gemaakt in Milaan. De buitenkant was rood. In het 1968 waren de exemplaren uitverkocht. In de boîte zaten 80 reproducties. De twaalf extra reproducties waren tussen 1963 en 1965 gedrukt. |
![]() | ![]() | 41,5 x 38,5 x 9,9 cm | 47 | De eerste exemplaren werden vanaf 1968 gemaakt in Parijs door Jackie Monnier. Voor deze exemplaren werd de Italiaanse constructie gebruikt. De buitenkant was van groen leer. In 1971 waren de exemplaren uitverkocht. In de boîte zaten 80 reproducties. |
Na de terugkeer van Peggy Guggenheim naar Europa kreeg Patricia Matta Kane de distributie. Xenia Cage zou de assemblage verzorgen van nieuwe exemplaren. Volgens een brief van haar aan Pierre Matisse van 7 maart 1988 maakte Cage 15 exemplaren. In de periode 1950-1960 bracht Duchamp veranderingen aan in het ontwerp en stopte hij met het maken van de opbergdoos. In 1960 had Duchamp ongeveer de helft van het geplande aantal gemaakt en verkocht. Tussen 1963 en 1966 maakte Duchamp exemplaren, waarin 12 extra reproducties aanwezig waren. De laatste exemplaren werden in 1971 afgerond. In een brief van 7 januari 1941 schreef Duchamp aan zijn vriend Henri-Pierre Roché dat hij drie weken nodig had om een exemplaar te maken.
Tussen 1952 en 1954 werden door Rose Fried's Gallery het type '1940' verkocht. Vanaf 1941 waren inclusief de 24 Boîte-en-valise bijna 100 exemplaren gemaakt. Daar Duchamp de constructie van de koffer te zwak vond kreeg Ilia Zdanevitch (Iliazd) eind 1954 de opdracht een nieuwe opbergkoffer te ontwerpen, die veel overeenkomsten had met het exemplaar dat Duchamp had gemaakt voor zijn broer Jacques Villon. (nr. 1/300) In een brief van 30 oktober 1955 gaf Duchamp Iliazd alle vrijheid om het hierbij zichtbare model te gaan uitvoeren. Eind 1957 had Iliazd de afgesproken dertig nieuwe exemplaren compleet. In Parijs kreeg de firma Lefebvre-Foinet tot halverwege de zeventiger jaren de verkooprechten. In 1959 waren de dertig exemplaren van Iliazd verkocht en moest Duchamp uitkijken naar een nieuwe producent. Duchamp vond Jackie Monnier, de dochter van zijn vrouw Teeny Sattler en haar ex-echtgenoot Pierre Matisse, bereid. Zij maakte vanaf de zomer van 1960 met een kleine verandering zestig exemplaren. Voor de buitenkant gebruikte zij groen linnen. Na deze zestig exemplaren werd donkergroen kunstleer gebruikt voor de volgende serie van dertig. Deze werden hoofdzakelijk in 1963 geproduceerd. In de volgende serie werden 12 reproducties toegevoegd en was de buitenkant van donker rood leer. Vanaf 1966 werd in anderhalf jaar door Jackie Monnier 75 exemplaren, drie series van 25, gemaakt. In 1968 werd begonnen aan de laatste 47 exemplaren met een olijfgroen leren koffer. In maart 1971, ongeveer tweeëneenhalf jaar na de dood van Marcel Duchamp, was Jackie Monnier klaar met het laatste exemplaar.
De prijzen voor het draagbare museum waren in de Boîte-en-valise uitvoering in januari 1941 4000 francs ($ 60) en later in New York $ 200. De Boîte uitvoering was in de 1940-editie $ 200 en vanaf 1952 $ 300.
In het draagbare museum waren de volgende min of meer kubistische werken aanwezig:
| kunstwerk | volgnummer Boîte | titel | jaar |
![]() | 10 | Nu descendant un escalier (no. 2) | 1912 |
![]() | 11 | Mariée | 1912 |
![]() | 12 | Le roi et la reine entourés de nus vites | Neuilly, mei 1912 |
![]() | 13 | Sonate | 1911 |
![]() | 24 | Portrait | Neuilly, 1911 |
![]() | 25 | à propos de jeune soeur | Rouen, 1911 |
![]() | 28 | Jeune homme triste dans un train | Neuilly, dec. 1911 |
![]() | 31 | Portrait de joueurs d'échecs | Neuilly, okt/nov 1911 |
![]() | 32 | Nu descendant un escalier | Neuilly, dec. 1911 |
![]() | 36 | Le passage de la vierge à la mariée | München, juli/aug 1912 |