Horta de Ebro 1909

kaart

De plaats Horta de Ebro, nu genoemd Horta de Sant Joan, ligt ongeveer 200 km WZW van Barcelona. Pablo Picasso was Horta de Ebro van midden 1898 tot februari 1899 geweest, toen hij verbleef in het geboortedorp van zijn vriend Manuel Pallarès. Manuel Pallarès zat bij Picasso in de klas op de kunstacademie La Llotja te Barcelona.

Op 11 mei kwamen Picasso en zijn vriendin Fernande Olivier aan in Barcelona op weg naar Horta de Ebro. Daar Fernande last had van haar nieren moest zij volgens de dokter het bed houden. Hierdoor verbleven Picasso en Fernande ongeveer drie weken in Barcelona. In Barcelona ontmoette Picasso zijn oude vrienden Manuel Pallarès, wiens portret Picasso in Pallarès' atelier tekende, en Angel de Soto. In een brief aan de Italiaan schilder en schrijver Ardengo Soffici gaf Picasso het adres van zijn moeder, Calle de la Merced 3 Barcelona, als postadres op.

Pallarès, die ondertussen de assistent van Picasso's vader José was geworden aan de kunstacademie van Barselona, schreef aan zijn zwager Onofre Godes, de burgemeester van Horta de Ebro, het verzoek om een onderkomen voor Picasso en Fernande te regelen.

Begin juni was Fernande in staat om verder te reizen. Picasso en Fernande overnachtten in Tortosa en reisden met behulp van muilezels op 5 juni naar Horta, daar het dorp toen uitsluitend via een voetpad was te bereiken. Na eerst enkele dagen bij Tobies Membrado huurden Picasso en Fernande kamers in het enige hotel van het dorp, Posada Antonio Altès. Bij de bakker Joaquim Antonio Vives huurde Picasso een ruimte om als studio te dienen. Tijdens het verblijf in Horta de Ebro schilderde Picasso 15 portretten van Fernande en zes landschappen. Van het verblijf zijn minstens acht foto's bekend met daarop de schilderijen. Drie foto's van vier schilderijen zond Picasso naar Gertrude en Leo Stein. Picasso maakte ook foto's van de omgeving.

Landschappen

Maisons sur la colline (Horta de Ebro); afm.: 65 x 81 cm [Briqueterie à Tortosa] Pressoir d'olive à Horta de Sant Joan (L'usine), afm.: 53 x 60 cm Le réservoir (Horta de Ebro), afm.: 60 x 50 cm Paysage (La montagne de Santa Barbara), afm.: 39 x 47,3 cm Paysage (La montagne de Santa Barbara), afm.: 54 x 65 cm Moulin à Horta de Ebro, afm.: 25 x 38 cm

Het geheel links afgebeelde schilderij Huizen op de heuvel Horta de Ebro werd in 1909 gekocht door Leo en Gertrude Stein. Bij de verdeling van de kunstwerken wegens het vertrek van Leo behield Gertrude het werk. Alice B. Toklas erfde het schilderij na de dood van Gertrude in 1946 en na de dood van Toklas in 1968 kwam het werk bij de kunstverzamelaar Nelson A. Rockefeller (1908-1979) te New York. In 1979 erfde het Museum of Modern Art het schilderij van Rockefeller. Daar het museum sinds 1991 een aandeel had verkregen in het derde van links afgebeelde schilderij Het reservoir, Horta de Ebro van Picasso uit 1909, dat sinds 1970 door Nelson Rockefellers broer David ondergebracht was in het museum, verkocht het museum in 2003 het schilderij via de Acquavella Galleries te New York aan de kunstverzamelaar Heinz Berggruen te Berlijn. Berggruen betaalde tussen $12 en de $15 miljoen voor het werk

Het tweede schilderij van links, Fabriek te Horta de Ebro kocht Frank Haviland in 1909 en kwam daarna in het bezit van de Russische kunstverzamelaar Sergej Stschukin. Via Moskou kwam het schilderij uiteindelijk in 1948 in de Hermitage te Sint-Petersburg. Picasso had de palmbomen voor zijn hotel in Barcelona gecombineerd met de olijffabriek in Tortosa. Het werk wordt nu Fabriek te Tortosa genoemd.

Het derde werk van links, Reservoir te Horta de Ebro, werd in 1909 gekocht door Leo en Gertrude Stein. Bij de verdeling van de kunstwerken wegens het vertrek van Leo behield Gertrude het werk. Alice B. Toklas erfde het schilderij na de dood van Gertrude in 1946 en na de dood van Toklas in 1968 kwam het werk bij de kunstverzamelaar David A. Rockefeller te New York. Hij schonk het werk aan het Museum of Modern Art te New York.

Het vierde werk van links, Landschap. De berg van Santa Barbara, werd gekocht door Ambroise Vollard, die het verkocht aan de kunstverzamelaar Dr. G.F. Reber te Lausanne. Via de Valentine Gallery te New York kwam het werk in 1942 bij de kunstverzamelaar Joseph Pulitzer Jr. te St. Louis.

Het vijfde werk van links, Landschap. De berg van Santa Barbara, werd ook gekocht door Ambroise Vollard, maar de huidige verblijfplaats is onbekend. Het rechter schilderij, Molen te Horta de Ebro, werd gekocht door de Berlijnse galeriehouder Alfred Flechtheim. In 1970 werd het werk door Joan en Lester Avnet voor lange duur uitgeleend aan het Museum of Modern Art te New York. Op 13 januari 1994 overleed Joan Avnet op 80-jarige leeftijd in haar woning in New York. Zij was sinds 1970 weduwe van Lester Avnet, de oprichter van Avnet Inc., een distributiebedrijf van electronica. Tussen 1960 en 1970 had het echtpaar 900 kunstwerken verzameld. In 1978 werden 180 tekeningen van o.a. Picasso, Lyonel Feininger, Marc Chagall, Henri Matisse en Amédéo Modigliani geschonken aan het Museum of Modern Art. Het echtpaar had twee dochters, Rosalind en Carole (1945?), en een zoon Jonathan (1949). In 1968 verscheen het door het echtpaar zelf geschreven boek Figures and Faces -19th and 20th Centery European Master Drawings from Lester and Jean Avnet Collection.

Portretten van Fernande

boek, 2003

De periode in Horta de Ebro werd in 2003 uitvoerig beschreven door Jeffrey Weiss in zijn boek Picasso: The Cubist Portraits of Fernande Olivier. In het boek werd ook veel aandacht besteed aan Het kubistische beeld van Fernande, dat Picasso na terugkeer in Parijs maakte.

Horta de Ebro, 1909

Hieronder staan vijf schilderijen die gemaakt zijn in Horta de Ebro. Picasso maakte denkelijk aan het einde van zijn verblijf in Horta de Ebro foto's van zijn atelier. Op nevenstaande foto zien we Naakt in een armstoel en Vrouw met Peren, die hieronder links in kleur worden afgebeeld. Daarnaast staan (vlnr) Vrouwenhoofd (Fernande), Vrouw met bloemenvaas en Vrouwenhoofd (Fernande).




Femme nue dans un fauteuil, afm.: 92 x 73 cm Vrouw met peren, afm.: 92 x 73 cm Fernande à Horta de Ebro, afm.: 60,8 x 51,3 cm Femme et un vase de fleurs, afm.: 60,5 x 52 cm Vrouwenhoofd, Rio, afm.: 65 x 54 cm

Het schilderij links, Femme nue dans un fauteuil behoorde tot de verzameling van Dr. G.F. Reber te Lausanne. Douglas Cooper kocht geregeld van Reber, die financiële problemen had, en dit schilderij in 1937.

Het schilderij tweede van links, Femme aux poires (Fernande), is denkelijk via Daniel-Henry Kahnweiler bij Alfred Flechtheim terecht gekomen. Tussen 1929 en 1937 behoorde het werk tot de Mayor Gallery te Londen. In 1937 kocht de verzamelaar Douglas Cooper het schilderij bij de galerie, maar verkocht het in maart 1937 aan de Pierre Matisse Gallery te New York. In hetzelfde jaar verkocht deze galerie het werk aan de verzamelaar Walter P. Chrysler Jr. In 1955 kocht het echtpaar Samuel Marx en Florene May het schilderij. In 1996 liet Florene May, die na de dood van Samuel Marx in 1964 nog in 1986 weduwe werd van Wolfgang Schoenborn, het schilderij na aan het Museum of Moderne Art te New York.

Het derde schilderij van links, Buste de femme (Fernande), werd direct gekocht door Leo en Gertrude Stein. Daarna waren de verzamelaars Dr G.F. Reber en misschien René Gaffé eigenaar van het schilderij. Via de Valentine Gallery kwam het werk in 1940 in The Art Institute of Chicago, waar het deel uit maakte van de Joseph Winterbotham Collection. Joseph Winterbotham (1852-1925) was geen verzamelaar, maar schonk het Art Institute begin twinterjaren $ 50.000 om Europesche kunst te kopen. Hij gaf bovendien toestemming om bij groei van de verzameling eerdere gekochte werken te verkopen. Hierdoor was het Art Institute instaat om het eerste van Gogh en het eerste Toulouse-Lautrec schilderij te kopen. In 1916 stichtte een groep welgestelde mensen uit Chicago de Art Club of Chicago om de kunsten te promoten, o.a. met tentoonstellingen. In 1918 werd Winterbothams dochter Rue (1879-1931), die in 1900 getrouwd was met John Alden Carpenter (1876-1951), de voorzitster van de Art Club of Chicago. Rond 1922 had de Art Club of Chicago een eigen ruimte in het Art Institute om vooral Europese moderne kunst te tonen. In 1923 had Picasso zijn eerste tentoonstelling in de Art Club of Chicago. Behalve een dochter had Joseph Winterbotham ook een zoon, Joseph Winterbotham Jr. (1878-1954). Ook hij liet bij zijn dood werken na aan het Art Institute, o.a. een zelfportret van van Gogh uit 1887.

Het vierde schilderij van links, Femme et un vase de fleurs, werd gekocht door Ambroise Vollard. Via Galerie Bignou te Parijs, Wright Ludington (1900-1992) te Santa Barbara en Galerie Rosengart te Luzern kwam het werk in 1972 bij de verzamelaar Bernhard Sprengel. Hij schonk zijn verzameling aan de stad Hannover. Vlak voor zijn overlijden onthulde Sprengel zijn naam op het nieuw gebouwde Sprengel Museum Hannover.

Het schilderij rechts, Tête de femme (Fernande), werd gekocht door Paul Guillaume. Na zijn dood in 1934 erfde zijn weduwe Juliette Lacaze het schilderij. In 1952 kocht de Companhia Grupo Sul América e Lar Barasileiro het schilderij bij de Sidney Janis Gallery te New York. Het schilderij werd daarna direct geschonken aan het Museu de Arte Moderna te Rio de Janeiro. Op 8 juli 1978 ging het schilderij net als 90% van de collectie bij een brand verloren. Ook alle werken op een grote overzichtstentoonstelling van Joaquin Torres Garcia in het museum gingen verloren.

Terugreis

Denkelijk door de ziekte van Fernande zag Picasso af van zijn voornemen om Toledo en Madrid te bezoeken. Terwijl Picasso in Horta de Ebro was trouwde zijn zus Lola met de neuroloog Dr. Juan Vilató Gómez in Málaga. Op 7 september waren Picasso en Fernande terug in Barcelona en namen op 10 september de trein. Op 11 september keerden zij na een treinreis van achttien uur terug in Parijs. Op 16 september hield Picasso een vernissage voor vrienden om zijn schilderijen te tonen, die hij in Horta de Ebro had gemaakt. De Steins, Frank Burty en Ambroise Vollard kochten werken.

Laatste wijziging: 210810