Het achthoekige gebouw La Ruche (= de bijenkorf) werd gebouwd voor de Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs en was ontworpen door Gustave Eiffel. Het was het z.g. wijnpaviljoen van de wijnen uit de Gironde. De wijnboeren hadden hier hun producten tijdens de wereldtentoonstelling getoond. Na de tentoonstelling kocht de beeldhouwer van grafmonumenten Alfred Boucher (1850-1934) het gebouw en verplaatste het naar een stuk grond in het Parijse stadsdeel Montparnasse aan de Passage de Dantzig 2, dat hij gebruikt had als werkplaats in de buurt van het tentoonstellingsterrein om beelden voor de tentoonstelling te maken.
Boucher breidde het gebouw uit met delen van het Brits-India paviljoen en een poort van het Pavilon des Femmes. Bijna 140 ateliers waren hierdoor mogelijk in het gebouw en de bijgebouwen. In het gebouw was tevens een expositieruimte aanwezig. Vanaf de lente van 1902 kon iedereen die met kunst te maken had één van de benauwde hoekige studio's zonder gas en elektriciteit huren voor een prijs tussen 50 en 150 francs per jaar. Voor water moest iedereen naar het enige kraantje onderaan de trap. Niemand werd uitgezet wegens wanbetaling. Vooral kunstenaars uit Oost-Europa kwamen naar dit ateliergebouw. Het gevolg was dat het gebouw snel verviel en smerig was. Boucher volgde hiermee de ideeën van de 19eeuwse idealistische sociale hervormer Charles Fourier, die z.g. phalanstères voorstelde als een ideale gemeenschap voor creatieve mensen.
Fernand Léger woonde twee perioden in La Ruche. Léger, die een Russische vrouw had, zorgde voor het contact met het kubisme bij de uit Oost-Europa komende bewoners, o.a. Archipenko, Chagall, Lipchitz en Zadkine. Zij woonden met vele andere kunstenaars in La Ruche, o.a. met de Italiaanse futuristische dichter Ardengo Soffici. Via de bijeenkomsten van baronnes d'Oettingen en Serge Férat kwamen de belangrijkste kunstenaars in aanraking met o.a Picasso.
Eind 1910 betrok de Rus Natan Altman een ruimte in La Ruche, nadat hij eerst enige tijd bij Wladimir Baranoff onderdak had gekregen. Altman maakte in 1911 het nevenstaande schilderij van het ateliergebouw, dat bestond uit het meer bekende ronde gebouw en gebouwen erom heen. Ook op nevenstaande foto uit 1910 zien we deze bijgebouwen.
Na de Tweede Wereldoorlog zorgden Paul Rebeyrolle en Francis Biras voor een hernieuwde start met o.a. de Salon de la jeune Peinture. Begin zestiger jaren was het gebouw zodanig bouwvallig, dat sloop onvermijdelijk was. Door diverse initiatieven o.a. van Jacques Duhamel is het gelukt geld bijeen te brengen om het gebouw te restaureren. Marc Chagall was vanaf 1965 voorzitter van het reddingscomité. In 1972 werd het gebouw erkend als historisch monument. Tussen 1972 en 1996 werd het complex voor een bedrag van 20 miljoen francs hersteld. Het is met 60 ateliers nog steeds in gebruik als ateliergebouw, waar ook internationale kunstenaars terecht kunnen. De Association des Amis de la Ruche (ALR) verzorgt allerlei activiteiten in verband met de kunstenaars van La Ruche. Het gebouw is in de buurt van de metrohalte Convention van metrolijn 12, maar is niet open voor publiek. Metrolijn 12 verbindt sinds 1910 de wijken Montmartre en Montparnasse met elkaar en is bekend onder de naar Nord-Sud.
Ter viering van het honderdjaar bestaan werd tot 14 mei 2003 in het Musée du Montparnasse, dat gevestigd is in het oude atelier van Marie Vassilieff aan de Avenue du Maine 21, de tentoonstelling La Ruche, une cité d'artistes, 1902-2002. gehouden.
| naam | plaats in het gebouw | periode |
| Natan Altman | in bijgebouw | 1910-1911 |
| Alexander Archipenko | begane grond | 1908-1912 |
| Marc Chagall | 2de verdieping | 1910-1914 |
| Joseph Csaky | 2de verdieping | 1908-1909 |
| Henri Laurens | 1912 | |
| Fernand Léger | in bijgebouw | 1905-1906 1908-1912 |
| Jacques Lipchitz | 1909-1916 | |
| Diego Rivera | 1913 | |
| Ossip Zadkine | begane grond | 1910-1911 |
Andere bewoners waren
Via Lipchitz ontmoette Soutine de schilder Modigliani, waarmee hij zeer bevriend werd. Modigliani maakte vele portretten van Soutine.
gearresteerd. Via het bij Parijs gelegen verzamelkamp Drancy werd hij in Duitsland omgebracht.
De kunstenaar Jacques Chapiro, die vanaf 1925 lang in La Ruche woonde, schreef in 1960 het boek La Ruche, dat in Parijs werd uitgegeven. Een ander boek over La Ruche werd geschreven door Jeanine Warnod met als titel La Ruche and Montparnasse, uitgegeven in Parijs en Genève in 1978. Het was de catalogus bij de gelijknamige tentoonsteling, die van 22 december 1978 t/m 1 april 1979 werd gehouden in Musée Jacquemart André.