In de negentiende eeuw werd de kunst op een andere manier onder de aandacht van het publiek gebracht. In 1831 werd de Salon opgericht. Dit was de voornaamste manifestatie waarop de kunst één keer per jaar werd getoond. Het was de enige gelegenheid voor de kunstenaars om aan een groot publiek het gemaakte werk te laten zien. Via de Salon kreeg de kunstenaar zijn opdrachten, erkenning en inkomsten. De toelating was in handen van een jury, die werd benoemd door de Académie des Beaux-Arts.
In 1863 kreeg een groep kunstenaars, waarvan de kunstwerken waren geweigerd, van Napoleon III, die de geweigerde kunstwerken had bekeken, toestemming voor de oprichting van een nieuwe salon, n.l. de Salon des Refusés. De opening was op 17 mei 1863. In 1873 reageerde Claude Monet op een artikel van de kunstcriticus Edmond Duranty in het dagblad L'Avenir National met de mededeling dat in zijn atelier een groep kunstenaars een kunstenaarsgenootschap had opgericht met als doel verzet te bieden aan het Salonsysteem. In 1874 organiseerde deze groep de eerste expositie in de studio van de fotograaf Nader aan de Boulevard des Capucines. De groep zou in de komende twaalf jaar acht exposities houden, die begonnen twee weken voor de officiële salon. Op aandrang van o.a. Edgar Degas verplichtte de deelnemende kunstenaar zich dat hij geen werken voor de officiële salon zou insturen. Tot de leden behoorde o.a. Renoir.
De Salon werd in 1881 enigszins gereorganiseerd. De kunstenaars, die tentoonstelden, kozen de jury voor het volgende jaar. De naam werd veranderd in Salon des Artistes Française, georganiseerd door de Société des Artistes Française, en vond elk voorjaar plaats in het Palais de l'Industrie bij de Champs Elysées.
Deze verandering was voor een groep kunstenaars niet voldoende en zij richtten in 1884 de Salon des Indépendants op. Pas in 1886 werd de eerste tentoonstelling gehouden.
In 1890 zorgde de beroemste en duurste kunstschilder van Parijs, Ernest Meissonier (1850-1891), voor een afsplitsing daar hij geen voorzitter werd van de Salon. De Salon de la Nationale des Beaux Arts werd opgericht, maar na de spoedige dood van Meissonier in januari 1891 werd de Salon de la Nationale weer samengevoegd met de Salon. De expositie werd gelijktijdig gehouden met afzonderlijke openingstijden. (Een andere bron geeft als stichters de schilders Puvis de Chavannes, Carrière en Rodin aan en zou ook de naam Salon du Champs de Mars voor deze salon zijn gebruikt.) In 1900 verhuisde de Salon, wegens het slopen van het Palais de l'Industrie, naar de Place de Breteuil aan de andere kant van de rivier. Het bezoekersaantal en het aantal schilderijen, tekeningen en beeldhouwwerken gingen omhoog. Vaak hingen er meer dan drieduizend schilderijen naast de vele tekeningen, aquarellen en beeldhouwwerken. De grote hoeveelheid publiciteit werd gevoed door prijsuitreikingen en opdrachten. De Salon de la Nationale des Beaux-Arts bestaat nog steeds en hield bv. van 14 t/m 17 december 2006 de tentoonstelling in het Carrousel du Louvre te Parijs.
In 1903 werd de Salon d'Automne als concurrent van de Salon des Indépendants opgericht. De exposities werden georganiseerd door de Société du Salon d'Automne en een toelatingscommissie bepaalde voor een deel welke kunstenaars werden toegelaten. De toelatingscommissie werd via loting samengesteld uit de leden. Was een kunstenaar drie keer achter elkaar toegelaten tot de Salon dan werd hij Sociétair en was hij daarna niet meer afhankelijk van de toelatingscommissie.
In 1912 werd in Parijs de eerste van een drietal tentoonstellingen gehouden waarop vooral werken van een groep kunstenaars in de kubistische stijl werden tentoongesteld. Op deze tentoonstellingen onder de naam Section d'Or mochten ook andere kunstenaars hun werken tentoonstellen. De tentoonstellingen vonden plaats in 1912, 1920 en 1925. Onder dezelfde naam werden ook in andere plaatsen een deel van de werken tentoongesteld.