Malevich en het Stedelijk Museum.

Grote Berlijnse Kunsttentoonstelling, 7-5/30-9 1927

Op 28 april 1951 reisde de directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, de heer Willem J.H.B. Sandberg, en de adjunct-directeur, Hans L.C. Jaffé, naar Duitsland om een tentoonstelling over het Duitse expressionisme voor te bereiden. Gelijktijdig zouden zij onderzoeken of zij in contact konden komen met de architect Hugo Häring, die een grote collectie Kazimir Malevich zou bezitten. Dit met het oog op een grote overzichttentoonstelling van de medewerkers van het Nederlandse tijdschrift De Stijl. Sanberg, Jaffé en de Britse consul in München, John Anthony Thwaites, bezochten inderdaad in mei Häring, die practisch alle werken, de schilderijen zonder spieraam, in een la had liggen. Sandberg kreeg te horen van Häring, dat hij niet de eigenaar was van de collectie en de collectie niet kon verkopen. Sandberg stelde voor de collectie te lenen en een reizende tentoonstelling te organiseren. De werken zouden ook gerestaureerd worden, daar ze veel te lijden hadden gehad.

Hugo Häring was in de jaren twintig secretaris van een Berlijnse vereniging van vooruitstrevende architecten Der Ring, die jaarlijks deelnam aan de Grosse Berliner Kunstausstellung. Andere bekende leden waren Walter Gropius en Ludwig Mies van der Rohe. Malevich heeft via deze vereniging werken kunnen tentoonstellen. Voor het contact was Emilia Unda (-1939), de Russische vrouw van Hugo Häring, zeer belangrijk, daar Malevich geen Duits sprak.

Häring zou erover nadenken. Op 1 september 1952 herinnerde Jaffé Häring schriftelijk aan het gedane verzoek maar Häring reageerde niet. In februari 1955 bezocht de Russische beeldhouwer Naum Gabo op uitnodiging van Sandberg een tentoonstelling in het Stedelijk Museum. In een gesprek kwamen de problemen met Häring ter sprake, daar Gabo zowel Malevich, Alexander Dorner als Häring kende en de collectie van Malevich in Hannover had gezien. Gabo was in verband met zijn beeld voor de Bijenkorf in Rotterdam geregeld in Nederland. Terug in Amerika, waar Gabo sinds 1946 woonde, riep Gabo de hulp in van de ook naar Amerika uitgeweken Ludwig Mies van der Rohe. Hij schakelde weer de voor de nazi's gevluchte architect Ludwig Hilberseimer in. Beiden waren in Duitsland bevriend geweest met Häring. In april 1955 stuurde Mies van der Rohe een brief aan Häring, die mede ondertekend was door Hilberseimer, Gabo en Sandberg, met daarin het verzoek de werken uit te lenen. Häring kreeg de garantie dat de werken terugkwamen bij hem. In oktober 1956 konden Sandberg en Jaffé in Biberach tot zaken komen als Häring een jaarlijkse toelage van 12.000 DM per jaar zou krijgen. Op 29 februari 1956 reisde Sandberg opnieuw naar Häring met het voorstel om de hele collectie aan het Stedelijk Museum met een contract voor 1 jaar tegen het hierboven genoemde bedrag uit te lenen met een optie voor de volgende jaren. In mei 1956 kwam Häring met o.a. de aanvulling, dat de toelage, die nu huurbedrag werd genoemd, als aanbetalingen zouden gelden als het Stedelijk Museum de collectie zou kopen. Tijdens het hele proces werd Naum Gabo geraadpleegd en ook van deze nieuwe ontwikkeling op de hoogte gebracht. Hoe was het mogelijk dat een collectie gekocht kon worden, die geen eigendom was?

Häring, die een slechte gezondheid had, nam ondertussen contact op met Ernst Böhme, zijn zwager, die notaris was in Braunschweig. Op 14 juni 1956 stelde Böhme een akte op waarin Häring het eigendomsrecht van de collectie kreeg. Häring had verklaard, dat Malevich de collectie aan hem had toevertrouwd met de bedoeling, dat hij de eigenaar zou worden als Malevich niets meer liet weten. Na de dood van Malevich was Häring volgens Böhme de eigenaar geworden. Aangezien het Duitse recht na de Tweede Wereldoorlog een verjaringstermijn van 10 jaar hanteerde, kon Häring vanaf 1955 vrijelijk over zijn eigendom beschikken.

Op 23 juni 1956 schreef Häring aan Sandberg, daar hij volgens de Duitse wet eigenaar was van de collectie en de collectie kon verkopen. Na advies gevraagd te hebben aan de jurist Piet Sanders ging Sandberg verder onderhandelen. In oktober 1956 brachten Sandberg en Sanders een bezoek aan Häring. Een nieuw contract werd opgesteld en in januari 1957 ondertekend door Häring. Het Stedelijk Museum kreeg de collectie voor ten minste twee jaar in bruikleen à 11.000 DM per jaar met een optie tot koop tot 31 december 1958 voor een prijs van 122.000 DM min de betaalde huur. In februari 1957 kwam de collectie naar Amsterdam. Na restauratie konden op 20 december 1957 de werken getoond worden in de tentoonstelling Kazimir Malevitch (1878-1935) en begon Sandberg met de voorbereidingen voor de aankoop. Sandberg spiegelde de Commissie voor Aanwinsten der Gemeentemusea voor, dat de collectie op gunstige voorwaarden gekocht kon worden. Tot dan had Sandberg het college van B&W van Amsterdam, die toestemming tot aankoop moest geven, niet op de hoogte gebracht van de onderhandelingen met Häring.

Sandberg, die bang was voor het aanvechten van de koop door de erfgenamen van Malevich, probeerde via Russische musea in contact te komen met de erfgenamen, maar kreeg geen informatie. Het IJzeren gordijn was zowel voor Sandberg als voor de erfgenamen ondoordringbaar. Sanders drong bij Sandberg aan een claim te leggen op de door Alfred H. Barr, Jr, de directeur van het Museum of Modern Art te New York, bij Dorner in 1935 geleende werken. Gabo, die zowel door Sandberg als door Barr als bemiddelaar werd ingezet, liet via een brief van 24 oktober 1957 Sandberg weten, dat volgens hem Dorner de beheerder van de collectie was, maar die was op reis in Europa en kon niet voldoende geraadpleegd worden. Door het overlijden van Dorner op 2 november 1957 verviel deze mogelijkheid.

Door het overlijden van Häring op 17 mei 1958 werd Sandberg gedwongen de commissie tot spoed te bewegen en op 4 juni 1958 ging de commissie accoord. Op 11 juli 1958 kreeg B&W het voorstel ter bespreking. Door de discussie over de kostbare aankoop van de Regnault-collectie voor het Stedelijk Museum, werd de bespreking uitgesteld. Uiteindelijk gaf B&W op 17 oktober 1958 toestemming tot aankoop van de collectie.

Na de tentoonstelling in het Stedelijk Museum ging de tentoonstelling op reis door Europa, waarbij de eerste plaatst vond in Braunschweig, waar Ernst Böhme voorzitter van de plaatselijke Kunstverein was.

Nadat Edy de Wilde in 1963 Sandberg als directeur was opgevolgd gaf de Wilde de Deen Troels Andersen de opdracht een onderzoek te doen naar de werken van Malevich, die in Berlijn in 1927 waren achtergebleven. Het resulteerde in het in 1970 verschenen boek Malevich, Catalogue raisonné of the Berlin exhibition 1927, including the collection in the Stedelijk Museum Amsterdam; with a general introduction tot his work. Voor het verschijnen had de Wilde het manuscript voorgelegd aan de juridische adviseur, Piet Sanders, die betrokken was geweest bij de verwerving van de collectie. Sanders adviseerde een passage over de verandering van beheerder naar eigenaar van Häring weg te laten. Sandberg, die een kopie kreeg van Sanders aanbevelingen, liet de Wilde zijn versie weten, die overeenkwam met de beschrijving van Andersen. De Wilde nodigde Sandberg uit en op 10 september 1969 vond een gesprek plaats. De Wilde werd door Sandberg op de hoogte gebracht van de gang van zaken en Sandbergs twijfel over de rechtmatigheid van de verkoop. De Wilde volgde daarop het advies van Sanders op en schrapte de passage. In publicaties van het Stedelijk Museum daarna werd de 'officiële' versie steeds gehandhaafd.

Manuscripten Malevich, 1927

In 1971 kon het Stedelijk Museum uit de nalatenschap van Hans von Riesen, de zoon van Gustav von Riesen, de geschriften en kunstonderwijskaarten, die Malevich in bewaring had gegeven, voor een bedrag van 150.000 gulden kopen. Deze verzameling was in 1953 onbeschadigd teruggevonden in de kelder van het gebombardeerd huis van de familie Von Riesen in Berlijn. Hans von Riesen beschreef in de inleiding van de heruitgave van Malevichs boek Suprematismus - Die gegenstandslose Welt in 1952 hoe Malevich op 30 mei 1927 het pakket aan zijn vader Gustav had gegeven. Malevich hoopte in 1928 terug te komen en als dat niet zou lukken en hij de komende 25 jaar niets zou horen, mocht hij het pakket openen en over de inhoud beschikken. In Amsterdam zijn door deze aankoop 17 van de 22 verklarende kaarten te zien. De collectie van het Stedelijk Museum is de grootste collectie van Malevich buiten Rusland.

Aanspraken erfgenamen Malevich-collectie

Na het uiteenvallen van de Sovjet Unie werd het mogelijk meer onderzoek te doen naar gebeurtenissen uit het verleden. De erven van Malevich kregen door de politieke omwenteling de mogelijkheid een claim te leggen op de werken van Malevich, die het Stedelijk Museum in 1958 gekocht had. Op 2 november 1993 verscheen in het Algemeen Dagblad een interview met Malevichs kleindochter Ninel Bikova. Zij had in 1973 ruim negentig schilderijen van haar grootvader in het Russisch Museum te Leningrad gezien. Het was de voorbode van de komende claim op de werken in het Stedelijk Museum. In 1996 werd voor de eerste keer direct namens de erfgenamen contact opgenomen met het Museum om de kunstwerken terug te krijgen, maar elk contact werd door het museum afgewezen. Nadat in 1999 een overeenkomst was gesloten met het Busch-Reisinger Museum te Cambridge (Massachusetts, USA) en het Museum of Modern Art te New York werden de pijlen op het Stedelijk Museum gericht. In januari 2000 ontving het museum opnieuw een brief van de erfgenamen om tot een schikking te komen, maar een eventuele rechtzaak niet uit de weg zou gaan. Op 5 september 2001 maakte het college van B&W van Amsterdam bekend, dat zij niet tot een schikking zou overgaan. Het conflict werd serieus toen de erven van Malevich op 9 januari 2004 via de federale rechtbank in Washington DC het eigendom claimden van 13 schilderijen en 1 tekening van Malevich, die tentoon werden gesteld in de Verenigde Staten. De werken waren uitgeleend aan de tentoonstelling Kasimir Malevich: Suprematism, die van 17 januari t/m 27 april 2003 gehouden werd in Deutsche Guggenheim Berlin en daarna van 13 mei t/m 7 september 2003 in het Solomon R. Guggenheim Museum te New York en van 3 oktober 2003 t/m 11 januari 2004 in The Menil Collection te Houston. Daar het Stedelijk Museum van te voren van de Amerikaanse overheid de garantie had gekregen, dat zij de werken na de tentoonstelling weer terug zou ontvangen, keerden de werken terug in Amsterdam. Op 2 februari 2004 werd bekend, dat de erfgenamen de werken terug wilden of een vergoeding van ongeveer 120 miljoen euro. Op 30 maart 2005 wees de rechter het verzoek van de gemeente Amsterdam om de zaak 'niet-ontvankelijk te verklaren' af. Tegen de beslissing werd hoger beroep aangetekend en de rechtzaak sleepte zich de jaren daarna voort.

Schikking over Malevich-collectie

18de constructie, afm.: 53 x 53 cm

Op 24 april 2008 werd via een persbericht bekend gemaakt, dat er een schikkingsovereenkomst was tussen de gemeente Amsterdam en de erven van de Russische schilder Malevich. De gemeente Amsterdam geeft de erven vijf topstukken uit de collectie terug, met een waarde van miljoenen euro's. Het nevenstaande werk 18de constructie uit 1915 is het enige met een meer kubistische uitstraling. De andere vier zijn duidelijk suprematistisch. De overeenkomst zorgt ervoor dat de andere werken in het bezit blijven van het Stedelijk Museum.

Bron en verdere informatie

boek, 2006

De hierbovenstaande gegevens zijn voor een belangrijk deel afkomstig uit het boek De verdwaalde collectie. De schilder Kazimir Malevitsj en de strijd om zijn erfenis geschreven door Lien Heyting en uitgegeven in 2006 te Amsterdam (ISBN: 90-446-0762-6). Aangezien Heyting geen toegang kreeg tot alle archiefstukken over de aankoop van de in Berlijn achtergebleven collectie was de waarheid nog niet geheel bekend bij het uitkomen van het boek.

Via het internet zijn diverse artikelen van Heyting uit het verleden te lezen, die staan op de NCR Webpagina's.

Laatste wijziging: 161111