Op 8 maart 1927 reisde Kazemir Malevich via Warschau naar Berlijn, waar hij gastvrij in huis kwam bij Ir. Gustav von Riesen, die voor de Eerste Wereldoorlog werkzaam was geweest op de Duitse ambassade in St. Petersburg. Op de 'Grosse Berliner Kunstausstellung' van 7 mei tot 30 september 1927 exposeerde Malevich zijn werken in een aparte zaal. Daar hij al op 5 juni, dus voor het einde van de tentoonstelling, terugkeerde naar Leningrad (=St. Petersburg) bleven zijn manuscript van een publicatie over het suprematisme in een Bauhaus-publicatie en zijn niet tentoongestelde kunstonderwijskaarten achter bij de familie Von Riesen in Berlijn. Op uitdrukkelijk verzoek van Malevich werden ook zijn schilderijen na afloop van de tentoonstelling niet naar Rusland teruggestuurd, daar hij hoopte dat zijn werken in de daarop volgende jaren konden worden tentoongesteld in Parijs en andere West-europese steden.
Volgens de kunstenaar Hans Richter (1888-1976) liet Malevich de werken achter onder het toezicht van vier zaakwaarnemers, n.l. de advocaat Dr. Udo Rukser (1892-1971; een zwager van Richter), Dr. Alexander Dorner, Emilia Unda (1879-1938; de vrouw van de architect Hugo Häring) en Richter. Dorner (1893-1957), die via Sophie Küppers, de latere vrouw van El Lissitzky, en Lissitzky denkelijk Malevich kende, was directeur van het Provinzial-Museum (nu Landesmuseum) en het Kerstner-Gesellschaft in Hannover. Uit correspondentie aanwezig in het Landesmuseum te Hannover bleek dat Malevich de verantwoordelijkheid van zijn collectie gaf aan de schilder Alexander von Riesen, die als vertaler en secretaris voor Malevich had gewerkt tijdens Malevichs verblijf in Duitsland. De werken van Malevich kwamen in een kist verpakt terecht bij het Berlijnse kunsttransportbbedrijf Gustav Knauer. Deze firma bracht een 65 kilo wegende kist met het grootste gedeelte van de werken in 1930 op verzoek van Dorner, die enkele werken wilde kopen, en in opdracht van Alexander von Riesen naar het Provinzial-Museum in Hannover, waar de kist op 10 mei 1930 aankwam. Denkelijk bleven ongeveer 15 schilderijen achter in Berlijn bij de transportfirma Knauer. Bij de bombardementen op Berlijn tijdens de Tweede Wereldoorlog gingen deze werken denkelijk verloren.
Alexander von Riesen kreeg aan het begin van de zomer van 1930 een motorongeluk, waardoor hij zwaar gewond werd. Na een reeks operaties, waarbij enkele ribben en een long werden verwijderd, verbleef hij in Davos, waar hij in 1946 overleed. Zijn broer Hans regelde verder zijn zaken. De kist bleef in Hannover en in 1932 schreef Dorner aan Häring, dat enkele werken van Malevich waren getoond in het Abstrakte Kabinett en hij enkele werken voor het museum wilde kopen, maar daar nog geen budget voor had. Na de machtsovername door de nazi's in februari 1933 was het tentoonstellen van de werken van Malevich onverstandig. De werken verdwenen weer in de kist en uit het zicht. Op 2 juni 1935 liet Dorner de werken zien aan Alfred H. Barr, Jr, de directeur van het Museum of Modern Art te New York, die Europa bezocht om de tentoonstelling Cubism and Abstract Art voor te bereiden. Barr kreeg werken in bruikleen en kocht 4 werken. Zie de webpagina Malevich en het Museum of Modern Art.
Van toezicht door de zaakwaarnemers kwam weinig terecht. Richter vertrok in 1931 naar Rusland en waagde zich in 1933 niet meer in Duitsland en vluchtte via Nederland, Frankrijk en Zwitserland uiteindelijk in 1941 naar de Verenigde Staten. Rusker zag o.a. voor zijn juridisch werk geen mogelijkheden in Nazi-Duitsland en ging na de machtsovername in 1933 eerst naar Zuid-Duitsland en emigreerde met zijn vrouw in 1939 via Zwitserland naar Chili. Tijdens een bezoek aan Londen ontmoette Dorner Gabo en stelde hij voor een comité van beheer voor Malevichs achtergebleven werken op te richten, die zou bestaan uit Gabo, Dorner, en de historicus Sigfried Giedion (1888-1968) of architect Ludwig Mies van der Rohe. Gedwongen door de toenemende politieke druk bracht Dorner eind 1936 de rest van de werken onder bij de nog enige aanwezige toezichthouder in Berlijn, Emilia Unda. Haar echtgenoot, de architect Hugo Häring, was in de jaren twintig secretaris van een Berlijnse vereniging van vooruitstrevende architecten Der Ring, die jaarlijks deelnam aan de Grosse Berliner Kunstausstellung. Häring was in 1927 de curator van de Berlijnse tentoonstelling geweest. Andere bekende leden waren Walter Gropius en Ludwig Mies van der Rohe. Malevich heeft via deze vereniging zijn werken kunnen tentoonstellen. Voor het contact was de Letse Emilia Unda zeer belangrijk, daar Malevich geen Duits sprak en zij wel Russisch en Duits. Als dank schonk Malevich twee gouaches aan Emilia. Dorner nam/kreeg op 1 februari 1937 officieel ontslag als museumdirecteur wegens erheblicher Dienstvergehen en vluchtte per boot op 28 juli 1937 vanuit Le Havre naar de Verenigde Staten. Ondertussen was men in Duitsland begonnen met het leeghalen van de musea voor de tentoonstelling Entartete Kunst. Emilia Unda overleed in 1939.
Häring behoorde tot de voorlopers van het Nieuwe Bouwen en werd in 1934 lid van nationaal-socialistische Bund Deutscher Architekten. Daar het Nieuwe Bouwen uit de gratie was kreeg hij geen overheidsopdrachten meer. Naast enkele particuliere opdrachten kon Häring in zijn onderhoud voorzien door min of meer de privé kunstnijverheidschool van de joodse eigenaar Albert Reimann in 1935 te confisqueren. Het contract voor de huur van het gebouw en de koop van de inventaris werd wel getekend, maar het geld werd ondanks gerechtelijke dwang nooit door Häring betaald. Eind 1938 vluchtte Riemann naar Londen, waar zijn zoon Heinz in januari 1937 al met een nieuwe school was gestart. In 1943 werd de school herhaaldelijk getroffen door bommen en op 23 november volledig vernield. Häring verliet Berlijn met de werken van Malevich en vertrok naar zijn Zuid-Duitse geboorteplaats Biberach an der Risz.
Willem Sandberg en Hans Jaffré bezochten Häring in mei 1951, maar kregen het niet voor elkaar om de werken te leen te krijgen voor een tentoonstelling. Häring zou erover nadenken. De verdere geschiedenis wordt beschreven op de webpagina Malevich en het Stedelijk Museum. In dezelfde periode probeerden de kunstenaar Max Bill (1908-1994), de Amerikaanse galeriehoudster Rose Fried en het Carnegie Institute in Pittsburg via de kunsthistorica Charlotte Weidler de Malevichs collectie te kopen.
Häring trouwde in 1952 met de actrice Roma Bahn (1896-1975), die echter hoofdzakelijk in Berlijn verbleef. Häring ontwierp een huis om gezamenlijk te wonen, maar het ontbrak hem de benodigde financiën. In 1954 kreeg Häring steeds meer last van aderverkalking en in april 1956 werd hij bedlegerig. Uiteindelijk werd hij opgenomen in een kliniek in Göppingen, waar Häring op 17 mei 1958 overleed. Zie voor informatie over Häring het door Peter Blundell Jones geschreven en in 1999 verschenen Engelstalige boek Hugo Häring (ISBN: 3-930698-91-9). Een gedeelte van het boek is te zien op internet.
Pas na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de betere contacten met Oost-Europa werd het duidelijk dat de erfgenamen van Malevich al geruime tijd bezig waren geweest om een claim te leggen op de werken, die in 1927 in Duitsland waren achtergebleven. Door de bovenstaande geschiedenis werd de claim gelegd bij:
De hierbovenstaande gegevens zijn voor een belangrijk deel afkomstig uit het boek De verdwaalde collectie. De schilder Kazimir Malevitsj en de strijd om zijn erfenis geschreven door Lien Heyting en uitgegeven in 2006 te Amsterdam (ISBN: 90-446-0762-6). Aangezien Heyting geen toegang kreeg tot alle archiefstukken over de aankoop van de in Berlijn achtergebleven collectie bleven was de waarheid nog niet geheel bekend bij het uitkomen van het boek.
Via het internet zijn diverse artikelen van Heyting uit het verleden te lezen, die staan op de NCR Webpagina's.