| 19 | 05 ------------ 19 | 10 ------------ 19 | 12 ------------ 19 | 14 ------------ 19 | 20 ------------ |
| Perioden: |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() |
Deze periode kenmerkt zich allereerst door het praktisch nog geheel vasthouden aan het perspectief. De drie-dimensionale natuur heeft in vorm en kleurgebruik duidelijk de overhand op het twee-dimensionale schildersdoek. De vormen worden stereometrisch eenvoudig weergegeven. De werkelijkheid wordt herleid tot grote mathematische vormen, die van toevalligheden en bijkomstigheden gezuiverd worden. Het kubisme maakt de vorm dus vrij van de rechtsstreekse weergave van de werkelijkheid en doet dus reeds de eerste stap naar het abstracte. Om de vorm, dus de constructie, duidelijker uit te laten komen, worden de kleuren eenvoudiger, bijna monochroom. De kleur was bovendien te veel gebonden aan het uur van de dag, het seizoen van het jaar en het toeval van het ogenblik. Het worden globale kleurvlakken, die de vorm accentueren, maar het gevoel onderdrukken. De kleuren, die los gemaakt worden van de werkelijkheid, van de werkelijke lichtval en van de verdeling licht-donker, worden verstandelijke kleuren, want gevoelskleuren zouden de constructie vervagen.
We kunnen de kleuren o.a. verdelen in gevoels- en verstandskleuren. Gevoelskleuren zijn die kleuren, die de schilder op zijn gevoel af, dus zeer subjectief, kiest en door mengen verkrijgt. Verstandskleuren zijn die kleuren, die als objectief vaststaande hoofdkleuren worden beschouwd. Deze kleuren zijn de drie grondkleuren: rood, geel en blauw en hun complementaire kleuren: groen, paars en oranje.
De kleur wordt dus als middel gebruikt om met de vorm te experimenteren. Hierdoor komen een aantal kubisten er toe om, als ze eenmaal passende kleuren hebben gevonden, dit palet lange tijd te gebruiken. De aandacht wordt dan geheel aan de vorm, de constructie, besteed. Karakteristiek voor deze periode, die gekenmerkt wordt door de versobering van de kleur en de vereenvoudiging van de vorm, is het nevenstaande schilderij van Georges Braque Weg bij l'Estaque uit 1908. Braque schilderde in L'Estaque diverse pré-kubistische schilderijen met de natuur als uitgangspunt.
Na het bovenstaande blijkt, dat het uitgangspunt van Cézanne: eenheid van vorm en kleur bij de eigenlijke kubisten niet tot uitdrukking komt. Cézanne gaat n.l. uit van het gevoel, dat vooral uit de kleur blijkt. Hij staat immers onder invloed van zijn eigen tijd, de tijd van het impressionisme. De kubisten gaan juist uit van de vorm. Het kubisme is immers een reaktie op het impressionisme, dat de vorm verwaarloost. Hierin schuilt het verschil tussen Cézanne en de kubisten: inplaats van emotioneel wordt de natuur constructief benaderd.
Behalve Georges Braque is ook Pablo Picasso een vertegenwoordiger van deze periode. Het nevenstaande schilderij Vrouw met mosterdpot van Picasso is uit deze periode, dat nu eigendom is van het Gemeentemuseum Den Haag. De werken van Braque en Picasso vertonen een sterke gelijkenis, deels doordat beiden doelbewust hun persoonlijke gevoel uit hun werken proberen te houden, maar vooral ook door hun gelijkgestemdheid, die sterk tot uitdrukking komt in hun samenwerking van begin 1909 tot de mobilisatie in augustus 1914 in verband met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Zij spreken elkaar dagelijks tijdens de tijd dat zij samen in Montmartre wonen, bezoeken gezamenlijk galeries en musea en bespreken elkaars werk.
Van 9 t/m 28 november 1908 wordt bij de kunsthandelaar Daniel-Henri Kahnweiler de eerste solo tentoonstelling van Braque gehouden. Zevenentwintig werken worden tentoongesteld en het voorwoord van de catalogus wordt verzorgd door Guillaume Apollinaire. Het is een ingelaste expositie bij Kahnweiler, want eigenlijk zou Pierre Girieud (1876-1948) in deze periode exposeren, maar door de weigering van de meeste schilderijen van Braque door de jury van de Salon d'Automne kunnen de schilderijen uit l'Estaque en werken van het vorige seizoen worden getoond. Deze expositie spoort ook anderen aan, o.a. Robert Delaunay, Jean Metzinger en Henri Le Fauconnier. Robert Delauney schildert bv. in 1909 de kerk St. Séverin (links).
De drie bovengenoemde schilders nemen in 1910 deel aan de Salon des Indépendants en later in het zelfde jaar in de Salon d'Automne, waar ook Albert Gleizes exposeert. Albert Gleizes schildert bv. in 1910 het nevenstaande (rechts) landschap dat in deze ontwikkelingsfase thuishoort. De schrijver R. Allard bespreekt in het novembernummer van L'Art Libre in het artikel Au Salon d'Automne de Paris als groep de werken van Metzinger, Le Fauconnier en Gleizes. Metzinger besteedt in het artikel Note sur la Peinture in het oktober/novembernummer 1910 van het literaire tijdschrift Pan aandacht aan de nieuwe vorm van schilderen en aan het werk van Picasso, Braque, Le Fauconnier en Delaunay die breken met de 'Hellenistische methode'. Het schilderij Vruchtbaarheid (links) van Le Fauconnier uit 1910 is de blikvanger van de tentoonstelling van de Moderne Kunstkring, die van 6 oktober t/m 5 november 1911 gehouden wordt in vier bovenzalen van het Stedelijk Museum te Amsterdam.
Ondertussen worden de werken van Braque en Picasso bij Kahnweiler in zijn galerie in de Rue Vignon 28 geëxposeerd. Braque exposeert samen met anderen van 22 januari tot 28 februari 1909 in de galerie van Berthe Weill. Gelijktijdig is er van 24 januari t/m 28 februari een tentoonstelling in Moskou met 73 min of meer kubistische werken, die georganiseerd is door Toison d'Or. Van Braque waren denkelijk aanwezig: Groot naakt, Viaduct te L'Estaque, Weg bij L'Estaque en Bord en fruitschaal. Van 25 maart t/m 2 mei 1909 exposeert Braque bij de Salon des Indépendants. Dit zal zijn laatste salon-expositie tot 1920 zijn! Opvallend is dat de grondleggers van het kubisme, Braque en Picasso, niet via de jaarlijkse salons maar via de galerie van Kahnweiler bekend worden.
Terwijl Braque van begin juni tot 29 augustus 1909 in La Roche-Guyon doorbrengt, waar hij het kasteel zeker vijf keer schildert, verblijft Picasso van 10 juni tot begin september in Horta de Ebro. Hiernaast het werk van Braque, dat te zien is in Moderna Museet te Stockholm, maar ook het van Abbemuseum te Eindhoven bezit een versie. Picasso schildert een aantal landschappen (zie voorbeeld bovenaan de webpagina) en een groot aantal portretten van zijn vriendin Fernande Olivier. Denkelijk zet Picasso na terugkomst in Parijs zijn schetsen gemaakt in Horta de Ebro om in een kubistische beeld van Fernande.
Hierna begint de analytische periode.
