André Benoit Mathieu Meyer werd op 3 september 1898 geboren in Parijs. Hij was het eerste kind van Jules Meyer, maar het tweede van zijn moeder Lucie Cerf. Lucie was in 1893 weduwe geworden en had al dochter Edmáe voor zij opnieuw trouwde. Zowel zijn vader als zijn moeder waren afkomstig uit de joodse gemeenschap in Strasbourg. In de periode 1909-1913 was André leerling van het Collège Rollin, nadat hij het schooljaar 1906-1907 had doorgebracht op het Lycée Charlemagne. In juli 1913 stopte hij met school om geld te verdienen voor het gezin. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 kon André de baan van Edouard Weill, die voor militaire dienst was opgeroepen, overnemen. Weill was kort daarvoor getrouwd met Edmáe en werkte bij de bank Baur & Fils als loopjongen op de Parijse Beurs. André probeerde zoveel mogelijk kennis op te doen over de effectenhandel. Door een zwakke gezondheid werd André afgekeurd voor militaire dienst.
In 1918 kreeg zwager Edouard in militaire dienst de Spaanse griep en overleed hij, terwijl zijn vrouw Edmáe in verwachting was van haar tweede kind. Tijdens een feest maakte André kennis met de vijf dochters van de overleden bankier Lehman. Op 20 december 1922 trouwde André Meyer met de in 1903 geboren Bella Lehman. Het echtpaar in 924 dochter Francine en in 1925 zoon Philippe. In 1925 stapte Meyer over naar de investeringsbank Lazard Frères et Cie. waar hij snel promotie maakte en in 1927 met een minderheids aandeel mede eigenaar werd. Bij de bank bouwde Meyer de Societé pour la Vente à Crédit d'Automobiles (=SOVAC) op. Dit was een bank voor particulieren om een auto te financieren. Het maakte van Lazard Frères een belangrijke speler bij de financiering van auto's voor particulieren en bedrijven. In 1927 waren bij de automobielfabriek Citroën financiéle problemen en werd Meyer één van de directeuren namens de bank om de problemen op te lossen. Door reorganisatie ook op financieel gebied werd Citroën gered.
Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog toen Duitsland in september 1939 Polen binnenviel, verhuisde het gezin Meyer naar Bordeaux, maar bleef André achter in Parijs om zijn financiële zaken en dat van de bank af te handelen. Op de hoogte van de beproevingen van de joden in Duitsland door zijn medewerking in november 1938 aan de Commission des Centres de Rassemblement, waarvan zijn vriend Baron Robert de Rothschild erevoorzitter was. De commissie bood hulp aan uit Duitsland gevluchte joden. Eind mei 1940 verliet André de woning aan de Cour Albert Premier en vertrok naar Bordeaux. Voorzien van een visa voor Spanje vertrok het gezin Meyer naar de grens. Na urenlang oponthoud aan de grens passeerde het gezin de grens en reisde door naar Lissabon. Pas na een maand slaagde André erin om een visa voor de Verenigde Staten te verkrijgen en kon het gezin in juli 1940 per schip naar New York. Ondertussen waren Meyers bezittingen geconfisqueerd en de bank Lazard Fréres & Co. in februari 1941 overgenomen.
In New York vestigde het gezin zich uiteindelijk in het hotel Carlyle aan de East 76th Street. André Meyer begon voor zichzelf en huurde een kantoorruimte in hetzelfde gebouw als de New Yorkse investeringsbank Lazard Frères onder leiding van Frank Altschul. Op 31 december 1943 ging Altschul met pensioen en kwam de firma onderleiding van de uit Frankrijk gevluchte grootaandeelhouder van Lazard Fréres, Pierre David-Weill (1900-1975), en André Meyer. Na afloop van de oorlog bleef Meyer voor de Amerikaanse activiteiten van de bank in New York. In New York maakte Meyer kennis met o.a. David Rockefeller, William S. Paley en Lyndon B. Johnson.
Op 25 mei 1964 zat Meyer aan het diner ter gelegenheid van de opening van het MOMA, waarbij Mrs. Lyndon Baines Johnson de eregaste was. Aan dezelfde tafel zaten de Ambassadeur van Frankrijk, Hervé Alphand (1907-1994), Mrs. Gilbert W. Chapman, Mrs. Gardner Cowles, Mr. Narasimhan, Sir Herbert Read, Mrs. David Rockefeller en Mrs. Alfred R. Stern.
Meyer verzamelde vanaf de begin jaren twintig werken van o.a. Claude Monet en Marc Chagall. In 1967 werd hij bij de groep gehaald, die de kunstverzameling van Gertrude Stein zou kopen, daar het Museum of Modern Art niet het benodigde kapitaal, n.l. $ 6 miljoen, kon opbrengen. Na de dood van Gertrude Stein in 1946 was haar neef Allan, de zoon van haar broer Michael en schoonzus Sarah, de enige erfgenaam van de kunstverzameling, maar kreeg Gertrudes levenspartner Alice Toklas volgens het testament de kunstverzameling in bruikleen. Daar Allan overleed in 1951 waren Allans drie kinderen de erfgenamen bij het overlijden van Toklas op 7 maart 1967. Onder leiding van David Rockefeller, voorzitter van de Board of Trustees van het Museum of Modern Art te New York, werd een consortium gevormd bestaande uit David Rockefeller, zijn broer Nelson Rockefeller, William (Bill) S. Paley (1901-1990), John Hay Whitney en André Meyer. De erfgenamen verkochten 38 werken van Pablo Picasso en 9 van Juan Gris aan het consortium. William Rubin (1927-2006) en William Lieberman (1923-2005), twee curators van het museum, kozen zes werken uit de kunstverzameling, die absoluut in aanmerking kwamen voor het museum. Het consortium sprak af deze werken, wie ze ook zou verwerven, aan het museum te schenken. De kunsthandelaar Eugène Thaw werd de schakel tussen de erfgenamen en het consortium en slaagde erin snel overeenstemming te verkrijgen. De deelnemers aan het consortium konden na loting voor de volgorde steeds een keuze maken uit de kunstverzameling.
Meyer verkreeg de volgende kubistische werken:
| kunstwerk | titel | jaar | kunstenaar | nu te zien in |
![]() | Zelfportret | Pablo Picasso | 1906 | In de periode 1968-1980 in de kunstverzameling van André Meyer. Op 22 oktober 1980 geveild bij Sotheby's te New York. Nu in Metropolitan Museum of Art te New York. |
| Landschap. La Rue des Bois | 1908 | Picasso | Collectie André Meyer, New York. |
![]() | Viool | 1912 | Picasso | Van december 1968 tot oktober 1980 in de kunstverzameling van André Meyer te New York. |
![]() | Man met een gitaar | 1913 | Picasso | In 1970 in de kunstverzameling van André Meyer te New York. |
![]() | Fles en glas op tafel | 1913-1914 | Gris | In de periode 1968-1980 in de kunstverzameling van André Meyer. Op 22 oktober 1980 geveild bij Sotheby's te New York. |
Naast schilderijen verzamelde Meyer tekeningen van Michel Larionov, Natalia Gontcharova, Valentine Hugo, Alexandre Benois en Jean Cocteau, die o.a. gemaakt waren voor costuums, decors e.d. voor Ballets Russes. In 1986 en 1998 kocht de Bibliothèque-musée de l'Opéra uit de verzameling van Meyer 35 tekening, Répétition de l'Après-midi d'un faune van Larionov en Le sacre du printemps: dans sacrale de l'élue van Hugo.
André Meyer werd ziek tijdens zijn verblijf in zijn vakantiewoning in Crans-sur-Sierre in Zwitserland. Hij overleed op 9 september 1979 in het ziekenhuis van Lausanne. Hij werd begraven op het Cimetière du Montparnasse in Parijs.
Op 22 oktober 1980 werd bij veilinghuis Sotheby Parke Bernet te New York de veiling Highly Important Paintings, Drawings and Sculpture from The André Meyer collection gehouden. Andere bezittingen werden op 26 oktober 2001 geveild bij Christie's te New York. De kunstverzameling van Europese schilderij uit de 19de eeuw werd in 1980 verkregen door het Metropolitan Museum of Art te New York.
Van 10 juni t/m 8 juli 1962 werd in de National Gallery of Art te Washington, D.C. de Exhibition of the Collection of Mr. and Mrs. André Meyer gehouden. De tentoonstelling liet 26 schilderijen en 6 tekeningen van Rembrandt tot Picasso zien.