Dankzij het werk van Claire Blin-Nau, Pierre Jugie, Christine Nougaret en vele anderen, dat is vastgelegd in Fonds Sembat-Agutte et familles alliées (XVIIe-XXe siècles) 637 AP. Répertoire numérique détaillé, Paris 2008, weten we meer over de verdediger van het kubisme in de Chambre des Députés in 1912.
Marcel Étienne Sembat werd op 19 oktober 1862 geboren in Bonnières-sur-Seine, een plaats halverwege Parijs en Rouen. Na de middelbare school Collège Stanislas in Parijs ging hij in 1880 rechten studeren aan de universiteit van Parijs. In 1884 studeerde hij af en werd hij advocaat. Hij koos vooral voor politieke zaken, zoals het verdedigen van journalisten en antimilitairisten. In februari 1891 richtte Sembat met vrienden het blad Revue de l’évolution sociale, scientifique et littéraire op, maar het blad hield in september 1892 op te bestaan. Daarna werkte Sembat aan een aantal tijdschriften mee. In 1893 werd Sembat gekozen voor de Chambre des Députés als onafhankelijke socialist voor een deel van Parijs, waar Montmatre onder viel.
In februari 1898 was Sembat een van de oprichters van de vrijmetselaarsloge La Raison in Montmartre. Hij was in 1891 lid geworden van de loge La Fidélité de la Grande Loge de France in Lille en in 1897 van de Parijse loge Grand Orient de France. Hij deed vele werkzaamheden voor de loges.
Na zijn huwelijk met de schilderes Georgette Agutte werd Sembat door haar bij de artistieke wereld betrokken. Hierdoor was hij mede in staat om de nieuwe kunststromingen in 1912 te verdedigen. Op 26 augustus 1914 werd Sembat Ministre des Travaux publics (=minister van openbare werken) in het tweede kabinet van René Viviani. Dit was een kabinet van nationale eenheid in verband met de oorlog met Duitsland sinds 3 augustus 1914. Groot probleem voor Sembat was de energievoorziening, daar de kolenmijnen in Noord-Frankrijk in Duitse handen waren. Hij zou minister blijven tot 12 december 1916.
In 1920 schreef Sembat de eerste monografie van Henri Matisse. Hij had al eerder een artikel over Matisse geschreven, dat op 4 april 1913 gepubliceerd werd in Les Cahiers d'aujourd'hui. Op 4 september 1922 overleed Sembat plotseling aan een hersenbloeding in Chamonix. Hij werd op 7 september begraven op de kerkhof van Bonnières-sur-Seine.
Louise Georgette Aguttes werd geboren op 17 mei 1867 in Parijs als dochter van de kunstschilder Jean Georges Aguttes (1841-1867) en Maria Debladis (1844-1934). Haar moeder hertrouwde na de dood van haar man met de weduwnaar van haar zus Anna (1838-1870), Pierre-Nicolas Hervieu (1827-1897). In 1888 trouwde Georgette met de kunstcriticus Paul Flat (1865-1918). Dankzij de hulp van de schrijver René Piot kon Georgette als élève libre de lessen volgen van Gustave Moreau aan de École nationale des Beaux-Arts. Zij was de enige vrouw tussen o.a. Henri Matisse, Paul Signac, Georges Rouault en Albert Marquet. In 1894 scheidden Georgette en Flat en besloot zij als schilderes de naam Georgette Agutte te gebruiken. In Frankrijk was het sinds 1888 officieel mogelijk te scheiden.
Op 27 februari 1897 trouwde Georgette met Marcel Sembat. Georgettes tante was de buurvrouw van de familie Sembat in Bonnières-sur-Seine. Georgette schilderde in hun Parijse huis in de Rue Cauchois 11 en het echtpaar maakte reizen in Frankrijk, Italië, Duitsland, Zwitserland en Egypte. In 1905 nam Agutte deel aan de Salon d'Automne, waar haar vroegere medeleerlingen Matisse en Marquet naam maakten met het fauvisme. Het echtpaar was door de vriendschappen met de kunstenaars in staat een grote verzameling van neo-impressionistische en fauvistische schilderijen van o.a André Derain, Kees van Dongen, Marquet, Matisse, Rouault, Paul Signac, Maurice de Vlaminck e.a. aan te leggen. In Le Cri de Paris van 23 juli 1916 werd Georgette werd een schilderij van haar zeer kritisch beschreven. Hiernaast ziet u het door haar geschilderde portret van haar man Marcel.
Georgette pleegde 12 uur na de plotselinge dood van haar man op 4 september 1922 zelfmoord. Zij werden samen op 7 september begraven op het kerkhof van Bonnières-sur-Seine. Het echtpaar had geen kinderen en Georgette schonk de kunstverzameling aan de Franse Staat. Aangezien het Musée du Luxembourg weigerde de schenking te aanvaarden kwam de de collectie Agutte-Semblat, waaronder ook vele werken van Georgette, aan het Musée de Grenoble in 1923. Hiermee werd het Musée de Grenoble in de periode tussen de twee wereldoorlogen het eerste museum in Frankrijk met kunst uit het begin van de twintigste eeuw. Zowel in de Salon des Indépendants als in de Salon d’Automne van 1923 kreeg Georgette als eerbetoon een retrospectief. Het archief van het echtpaar werd in de periode 2003-2006 door de erfgenamen geschonken aan het Archives nationales.