Dr. Hans Wendland was min of meer de belangrijkste kunsthandelaar, die kunstwerken tijdens de Tweede Wereldoorlog overbracht tussen Frankrijk, Zwitserland en Duitsland. Hij speelde een belangrijke rol in het verhandelen van geconfisqueerde kunstwerken naar Zwitserland. Wendland werd op 25 juli 1946 gearresteerd in Rome en overgebracht naar Duitsland voor verhoor. Van het verhoor werd het verslag ALIU Detailed Interrogation Report: Hans WENDLAND, 18 September 1946 gemaakt. Wendland stond zowel op de Allied Proclaimed List als de Allied Repatriation List.
Hans Wendland werd op 28 december 1880 geboren in Neuruppin en studeerde kunstgeschiedenis aan de universiteit van Berlijn. In 1912 trouwde Wendland met Agnes Schloettke en zij vestigden zich in Parijs. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog keerden zij terug naar Duitsland en werden de bezittingen in Parijs door de Franse Staat geconfisqueerd. Op 26 oktober 1921 werd de geconfisqueerde kunstverzameling van Wendland geveild in Hôtel Drouot te Parijs op grond van artikel 297 van het Verdrag van Versailles. Wettelijk was dat op 7 oktober 1919 geregeld door het aannemen in het Franse parlement van een wet die de opbrengst van de verkoop van geconfisqueerde Duitse goederen als herstelbetaling regelde. Op 23 en 24 februari 1922 werden nog meer eigendommen van Wendland in Hôtel Drouot geveild tijdens de veiling Liquidation des biens Richard Goetz, Wendland et Siegfried Hertz ayant fait l'object d'une mesure de sequestre de guerre. Tableaux anciens et modernes; desseins, aquarelles, etc.
Wendland nam als Duitse militair een korte tijd deel aan de gevechten tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar door een verwonding aan zijn been bracht hij de rest van de oorlog door in Berlijn. In 1918 werd hij naar Moskou gestuurd, waar hij als attaché werkzaam was op de Duitse Ambassade. In Moskou kon hij op een voordelige manier kunstwerken kopen van personen, die de burgeroorlog na de Oktoberrevolutie van 1917 wilden ontvluchten en daarvoor geld nodig hadden om het land te verlaten.
In 1920 vestigde Wendland zich in Zwitserland, allereerst in Bazel en vanaf 1926 in Lugano. Wendland maakte vele reizen naar Parijs en Berlijn om kunst te verhandelen of te adviseren bij aan- en/of verkoop. Zo was Wendland tussenpersoon bij de verkoop van 17 schilderijen uit de verzameling van Dr. Karl Lanz (1873-1921) in 1923 aan Karl Haberstock, die een galerie had in Berlijn. Wendland had Haberstock in 1920 leren kennen. Wendland ontmoette in 1920 in Berlijn de kunsthandelaar Theodor Fischer, die een galerie in Luzern had, en werkte op freelance basis daarna met Fischer samen. In 1922 leerde Wendland de kunsthandelaar Walter Hofer kennen. Allen zouden een rol spelen bij het verhandelen van kunstwerken tijdens de Tweede Wereldoorlog. In Zwitserland maakte Wendland kennis met de kunstverzamelaar Gottlieb Reber. In 1927 kwam een einde aan de samenwerking met Haberstock door een ruzie met de vrouw van Haberstock. Door de economische recessie na de beurskrach in 1929 en zijn scheiding raakte Wendland een groot deel van zijn bezit kwijt. Op 24-25 april 1931 werd bij het veilinghuis Ball & Graupe in Berlijn een deel van de kunstverzameling van Wendland geveild.
In 1933 vestigde Wendland zich opnieuw in Parijs en trouwde in 1937 met de vierendertig jaar jongere mannequin Charlotte. Het echtpaar vertrok in juli 1939 in verband met de dreigende oorlog met hun in 1938 geboren zoon Hans naar Zwitserland. Het gezin leefde ook nog enige tijd in Italië, maar verliet Italië toen Mussolini op 10 juni 1940 de oorlog verklaarde aan Frankrijk en Groot Brittannië. Wendland leefde hoofdzakelijk in grote Zwitserse hotels, o.a. in het Grand Hôtel National te Luzern. In 1941 ging de kunstverzamelaar Bürhle met Wendland mee naar de vreemdelingenpolitie om een verblijfsvergunning te verkrijgen. Wendland kreegeen vergunning, maar hij mocht echter niet werken in Zwitserland. Samen bezochten zij in hetzelfde jaar de galerie van Roger Dequoy in Parijs.
Wendland maakte tijdens de Tweede Wereldoorlog reizen naar Berlijn en Frankrijk. De eerste reis naar Frankrijk was in februari 1941 om zijn achtergebleven bezittingen in Parijs te bekijken, maar hij was tevens in staat om zes moderne schilderijen via Gustav Rochlitz te ontvangen, die deel uitmaakten van de eerste uitwisseling van schilderijen tussen ERR en Rochlitz op 3 maart 1941. Volgens Hofer verbleef Wendland in Hôtel Ritz aan de Place Vendôme, waar ook officieren van de Duitse Luchtmacht verbleven. Wendland kon op een op de Duitse ambassade in Bern verkregen visa naar Berlijn reizen en daar kreeg hij een pas voor Parijs. Wendland, al of niet in dienst van Fischer, regelde drie uitwisselingen met Hofer en wilde voor de geleverde schilderijen in Zwitserse Francs betaald worden, maar Hofer kon uitsluitend impressionistische en moderne schilderijen als tegenprestatie aanbieden. Bij de eerste uitwisseling via Hofer zocht Wendland in Berlijn in juli 1941 25 schilderijen uit. Ondanks dat hij wist, dat de regeling gemaakt was voor Göring, twijfelden Wendland en Fischer niet aan een legale afkomst. De schilderijen kwamen direct in openbaarheid. Pas eind 1942 kregen zij van Fritz Nathan te horen, dat de werken afkomstig waren uit confiscatie. In een schriftelijke verklaring van Hofer werd dit uitdrukkelijk tegengesproken. Wendland en Fischer wisten volgens hem mede door de aanwezige etiketten van de ERR en van hem persoonlijk dat de werken afkomstig waren uit confiscatie.
Volgens Wendland was hij slechts één keer in Jeu de Paume. In november 1942 ontmoette Wendland voor het eerst Lohse en kreeg hij in de gaten wat de ERR deed. Dit werd sterk in twijfel getrokken, daar hij bij minstens vier uitwisselingen kunstwerken ontving, die door de Nazi's waren geconfisqueerd van joodse kunsthandelaren en verzamelaars.
Nadat Wendland op 22 december 1942 voor de tweede keer ondervraagd was door de Zwitserse politie, die hem verdacht van spionage, verliet hij op advies van de politie het hotel in Luzern en huurde hij de villa Bois d'Avault in de aan het Meer van Genève gelegen Zwitserse plaats Versoix. Een dossier aanwezig in het Zwitserse federale archief sprak het onbekend zijn met de afkomst van de schilderijen duidelijk tegen. Een medewerker van het Grand Hôtel National, Rosa Kummer, vertelde dat zij 's nacht de aankomst van de kisten gevuld met schilderijen had gezien. Daarna werden de etiketten van de schilderijen geweekt. Overdag werden de schilderijen door de portier naar de Fischer Galerie gebracht.
Volgens Wendland maakte hij drie reizen tussen bezet en niet-bezet Frankrijk. Het laatste bezoek aan Parijs was in de lente van 1943. Dit was de enige keer na de ondervraging door de Zwitserse politie in december 1942 dat Wendland nog een uitreisvergunning voor Zwitserland kreeg. In mei 1945 verhuisde Wendland naar de kleinere Villa les Cèdres in Versoix.
Op 1 april 1946 verliet Wendland met toestemming Zwitserland om Rome te bezoeken in verband met een uitnodiging van het Vatikaan. Ondanks dat zijn verblijfsvergunning op 1 juni 1946 verliep bleef Wendland in Rome. Daar werd hij op 25 juli 1946 gearresteerd op verzoek van de Amerikaanse Ambassade in Bern. Rond 22 augustus 1946 werd Wendland overgebracht naar het interneringskamp Oberursel, 13 km NW van Frankfurt-am-Main, en later naar het Wannsee Internment Camp bij Berlijn. Daar werd hij in de periode 5 tot 15 september ondervraagd door de OSS-officier Otto Wittman Jr. (1911-2001) en de MFAA-officier Bernard Taper (1918?- )[MFAA=Monuments, Fine Arts and Archives]. Na het verhoor, waarvan de verhoorders het verslag ALIU Detailed Interrogation Report: Hans WENDLAND, 18 September 1946 maakten, ging Wendland terug naar Oberursel. Het interneringskamp Oberursel was in de Tweede Wereldoorlog het Durchgangslager der Luftwaffe waar neergestorte of -geschoten geallieerde vliegtuigbemanningen werden ondervraagd. In de periode 1942-1944 werden hier ongeveer 40.000 mensen tijdelijk vastgehouden voor ondervraging. Om luchtbombardementen op het kamp te voorkomen had men op de daken de functie van het kamp aangegeven.
Op 30 januari 1947 werd Wendland vrijgelaten, maar direct weer gearresteerd op de aanklacht geen medewerking te hebben verleend om bezittingen in Frankrijk en Zwitserland aan te geven ondanks het verzoek. Wendland werd vrijgesproken, maar gevangengehouden voor de Franse Staat. In maart 1947 kwam Wendland in het kamp voor oorlogsmisdadigers Reutlingen en in september 1947 in de Parijse gevangenis Cherche-Midi. In februari 1950 was in Frankrijk de rechtszaak waar Hans Wendland verantwoording moest afleggen voor zijn werkzaamheden tijdens de oorlog. Fischer betaalde de verdediging van Wendland, die gevoerd werd door de Parijse advocaat René Floriot (1902-1975). Wendland werd vrijgesproken door het militaire gerechtshof. Volgens de schrijver Haase vertrokken Wendlands vrouw en zoon na de scheiding in 1948 naar Brazilië, terwijl Wendland vanaf 1950 in Parijs woonde. Pas in 1955 werd het beslag op het vermogen van Wendland opgeheven. In een artikel van Jens von Glüsing in het tijdschrift Der Spiegel van 20 oktober 1997 getiteld Zahngold für die Tante werd vermeld, dat de familie van de kunsthandelaar Hans Wendland op dat moment in Rio de Janeiro (Brazilië) leefde. Volgens de schrijver Thomas Buomberger in Raubkunst - Kunstraub Die Schweiz und der Handel mit gestohlenen Kulturgütern zur Zeit des Zweiten Weltkriegs kwam Wendlands zoon in de jaren zestig bij een verkeersongeval om het leven en trouwde Wendland op tachtigjarige leeftijd opnieuw. Wendland overleed rond 1965.
In het boek The Lost Museum met de ondertitel The Nazi conspiracy to steal the world's greatest works of art (ISBN: 0-465-04194-9) uit 1997 beschrijft Hector Feliciano de gebeurtenissen rond de roof van de kunstbezittingen van de vijf Parijse joodse families, n.l. Rothschild, Paul Rosenberg, Bernheim-Jeune, David-Weill en Schlosse.
Zie o.a. de Engelstalige website www.lootedart.com.
Op 18 oktober 2010 startte de organisatie Claims Conference een website waarop men de geroofde kunstwerken, die via het Parijse gebouw Jeu de Paume al of niet naar Duitsland waren verzonden, kan opzoeken.